Drie mannen, 40 duizend gulden spullen, 7 uur vissen

In het Noordzeekanaal en het westelijk havengebied van Amsterdam wonen 25 snoekbaarzen. Het kunnen er ook meer zijn, maar die 25 weten we zeker....

Twee mannen hadden er verstand van en zeiden telkens tegen de derde dat de vis die we vingen onder de maat was. De derde man was ik, uitgenodigd door Steef Meijers, hoofdredacteur van het hengelsportblad De Roofvis. Hij was kwaad en schreef een brief.

'In elke tak van de journalistiek wordt enige deskundigheid van de journalist met betrekking tot zijn onderwerp verondersteld. Opvallend in het artikel over hengelen met kunstaas in de Volkskrant van 16 januari is evenwel dat Wouter Klootwijk blijk geeft van een dubbele ondeskundigheid.'

Ik had geschreven dat hengelen stomvervelend is, dat vissen een maatschappelijk geaccepteerde vorm van krankzinnigheid is, en dat hengelaars vissen kwaad doen. Maar er is meer. 'Het waren niet de door de heer Klootwijk gespuide clichés die mij intrigeerden, maar de constatering van het feit dat de heer Klootwijk een schizofrene broeder in Petrus is. In hem is de drang die mensen eigen is om te vissen (en jagen) niet meer latent aanwezig.'

Klopt. Dat wil zeggen, ik wil graag een vis bakken, maar het vangen op zich doet me niks. Liefst zag ik vissen vliegen. Bij mij het keukenraam binnen. Dat gebeurt wel eens op zee. Vliegende vissen landen soms op het dek van een schip. De kok heeft ze voor het oprapen.

Maar zoetwatervissen vliegen niet. Je moet er naar hengelen. En er zijn mannen die dat leuk vinden. De hoofdredacteur van het eens in de twee maanden verschijnende blad De Roofvis biedt aan me een hele dag (pffft, een hele dag!) mee uit vissen te nemen, en belooft dat ik dan een snoekbaars meekrijg om op te eten.

Aardige, verlegen mannen zijn het, die me met een snelle boot ophalen van een steigertje aan het Noordzeekanaal, waar we afgesproken hadden. De hoofdredacteur zegt dat de schipper een wedstrijdvisser is. 'Als die geen snoekbaars vangt, vangt niemand een snoekbaars vandaag.' Nee de schipper neemt zelf nooit snoekbaars mee naar huis. 'Ik houd niet van vis', zegt hij.

De boot heeft twee buitenboordmotoren. Een reusachtige benzinemotor en een kleine elektrische. De schipper kijkt voortdurend op een klein beeldschermpje van een instrument, dat fishfinder wordt genoemd. Het ding registreert echootjes en vertaalt ze in een grillige lijn die de bodem van het kanaal voorstelt. Soms verschijnt op het beeldscherm een vlekje, en volgens de schipper is dat dan een vis.

De vissen waar we op uit zijn, liggen dicht bij de bodem, want het is nog winter en zoveel weten we ervan, dat ze dan op de bodem liggen. Ze laten zich vandaag niet op het schermpje zien, het lijkt wel of ze in de modder zijn weggekropen. Of het apparaat deugt niet. De schipper heeft het net nieuw maar vertrouwt het niet, zegt hij.

Aan drie hengels worden prachtige kunstvisjes gehangen. Ze hebben een loden neus en scherpe haken langs het sierlijke lijfje. Omdat het nog winter is moeten we diep vissen. De schipper gaat elektrisch varen, heel langzaam. De aasvisjes moeten op de bodem liggen. Door telkens een rukje aan de hengel te geven, springt het visje op, om een eindje verder weer terug op de bodem te vallen.

Zo moet het visje de aandacht trekken van de sukkels van snoekbaarzen. De schipper kijkt niet naar zijn hengel maar naar zijn fishfinder. Hij houdt de diepte van de bodem in de gaten. Hij vermoedt de beesten op tien meter diep. Beet! Het is de hoofdredacteur die na een uur kleumen voor het eerst beet heeft. Hij haalt op en blijkt mijn kunstvisje te hebben gevangen.

Dat zal vandaag nog zes keer gebeuren, mijn kunstvisje laat zich graag vangen. De mannen blijven vriendelijk, en noemen mij geen lul om mijn geklungel.

De boot vaart van stek naar stek, soms ruiken we de petrochemie, soms de cacaofabrieken, het blijft koud en de zeven lagen kleren over elkaar houden de kou niet langer tegen. Maar nu krijgen de wedstrijdvisser en de hoofdredacteur toch af en toe een snoekbaars aan de lijn. Ik hoop vurig dat nu snel mijn koekenpanner erbij zal zijn, dan kan ik ze bedanken en met de vis naar huis.

Ik had de hoofdredacteur nog gevraagd hoe hij de vis denkt te doden. Met een stalen voorwerp, een enorme klap tussen zijn ogen. Maar zover komt het niet. Tot goed zichtbare teleurstelling van de hengelaars - ik weet niet hoe ze te troosten - vangen ze telkens veel te kleine.

Stomverbaasd ben ik dat het ze lukt er nu binnen twee uur zo'n vijftien op te hijsen. Allemaal te klein. Ze gaan vrijwel ongeschonden terug te water, de mannen kunnen er wat van. Ze zijn zelfs blij voor mij dat ik ook eindelijk eens beet heb. Geen snoekbaars maar een gewone baars. 'Wat een lieverdje', hoor ik mezelf zeggen. Het zal hun Latijn wel niet zijn.

De hoofdredacteur maakt hem los. We klooien verder. En dan gebeurt er iets wat ik niet geloven zou als iemand het mij zou vertellen. Een sterk verhaal, waarmee je je in het café onsterfelijk belachelijk maakt. Ik heb beet. Niet dat ik dat direct door heb, maar ik haal maar weer eens de hengel op, je moet toch wat. De hengel buigt diep door.

'Doordraaien', roepen de mannen. De lijn moet gespannen blijven anders ontsnapt de vis. Een snoekbaars komt boven maar kijk nou toch, hij heeft het kunstvisje niet in zijn bek. Hij heeft helemaal niet toegehapt. Een haakje zit vast in de huid van zijn buik. De vis is er gewoon op gaan liggen.

De hoofdredacteur maakt de vis los en doet hem terug. Want ook deze is te klein. Hierna is het afgelopen. We vangen niks meer. Drie mannen hebben zeven uur op het water gezeten (ik overlijd onderweg naar huis aan onderkoeling), met een uitrusting van ongeveer 40 duizend gulden. Een luxe aluminium Amerikaanse visboot van het merk Lund, een set hengels van topkwaliteit, gereedschap om haken uit het binnenste van vissen los te peuteren, een bak kunstvisjes ter grootte van een doos sinaasappelen, en een apparaat dat de vissen aan de hengelaar verraden moet en de bodem laat zien.

Maar niks te eten vanavond.

Meer over