InterviewDora van Ditshuizen (100 jaar)

Dora van Ditshuizen (100 jaar): ‘Ik heb nog zo veel plezier in het leven, ik wil wel 200 jaar worden’

Dora van Ditshuizen is evenals de Volkskrant 100 jaar. Hoe kijkt deze voormalige brandstoffenhandelaar terug op de eeuw die achter haar ligt, en wat vindt zij van het huidige tijdsgewricht?

Marjon Bolwijn
De 100-jarige Dora van Ditshuizen, op haar kamer in een verzorgingshuis te Ugchelen. Beeld Aurélie Geurts
De 100-jarige Dora van Ditshuizen, op haar kamer in een verzorgingshuis te Ugchelen.Beeld Aurélie Geurts

Ze voelt zich de jongste van het verzorgingshuis waar ze woont, maar dat is Dora van Ditshuizen met haar 100 jaar beslist niet. Het zal te maken hebben met haar energie en vrolijke inborst. Tot drie maanden geleden woonde ze nog zelfstandig. Ze zag er bepaald niet naar uit haar ruime driekamerappartement in te ruilen voor één kamer in een zorgcomplex ‘met al die ouwe lui’.

Hoe gaat het met u?

‘Goed. Beter dan voorheen. Drie maanden geleden, op 5 oktober, ben ik naar dit verzorgingshuis verhuisd. Ik zag er enorm tegen op. Ik woonde in een royaal appartement en deed alles zelf, ook koken. Maar toen ik in het ziekenhuis terechtkwam met een maagbloeding en een verschoven heup door een val, zeiden mijn kinderen: en nu is het afgelopen. Ze schreven mij in voor dit verzorgingshuis, maar ik moest nog een jaar wachten voordat er plek was. In dat jaar hing ik futloos in een stoel.’ (Ze doet na hoe; gaat scheef hangen, het hoofd schuin naar achteren, mond open, ogen dicht. Na haar act volgt een uitbundige schaterlach.)

En nu zit u hier, energiek en opgewekt honderduit te vertellen.

‘Ja, ik heb plezier in het leven. Dat blijft zo zolang ik geestelijk gezond ben, kan praten en lachen en een wijntje kan drinken. Zo wil ik naar het einde hobbelen, dat van mij nog wel 100 jaar mag duren. Vorig jaar heb ik een paar flinke klappen gehad, maar in dit huis ben ik opgeknapt, ik heb het goed hier. Het personeel is vriendelijk, het eten is goed verzorgd, ik kom niks tekort. Alle oudjes die sikkeneurig thuis zitten, raad ik aan: ga naar een verzorgingshuis. Daar is van alles te doen en ’s avonds krijg je weleens een kroketje.’

U zag er wel tegen op.

‘Oja. Wat moest ik in zo’n kleine kamer tussen al die ouwe lui? Ik was vergeten dat ik zelf oud ben. En het deed mij pijn bijna alle meubels en spulletjes die ik in een heel leven had opgespaard, weg te moeten doen. De eerste dag op dit kamertje was ik er ziek van. Wat moet ik hier beginnen? De volgende dag was ik eroverheen. Ik pas mij makkelijk aan.’

Welke spullen die u heeft moeten wegdoen, mist u het meest?

‘De bidprentjes van mijn ouders en mijn man. Die pakte ik vaak. Er staat op wanneer en waar ze zijn geboren en overleden. Ik kan ze nergens meer vinden. De ingelijste foto van mijn broer Piet in zijn uniform is ook weg. Ik kom uit een gezin met negen kinderen, acht meisjes en één jongen. Piet is een paar jaar voor de oorlog als marinier naar Amerika vertrokken. Acht jaar lang hoorden we niets van hem, we dachten dat hij dood was. We wisten niet dat hij in het Amerikaanse leger tegen de Duitsers vocht, eerst in Frankrijk, toen in België en daarna in Nederland. Na de Slag om Arnhem is hij ons gaan zoeken. Piet vond ons in Rozendaal, waar we bij de evacuatie van Arnhem waren ondergebracht in een kamer in een groot huis. Nu zit ik weer op een kamer. Waar zouden de bidprentjes en de foto van mijn broer zijn gebleven? Ik zal mijn kinderen eens vragen.’

Uw kinderen zijn inmiddels ook op leeftijd. Verandert leeftijd de relatie tussen moeder en kind?

‘De oudste van de drie is nu 76, de jongste 59, een nakomertje. De relatie verandert niet, ik blijf ze zien als kinderen. Ik geef ze nog regelmatig advies, zo van: dat kun je ook zus of zo doen. Ze mogen zelf weten of ze er iets mee doen. Verder bemoei ik mij niet met hun leven.’

Hoe kijkt u terug op uw jeugd?

‘Ik ben geboren in Spaubeek, mijn vader werkte als machinist en bankwerker in een steenfabriek. Op mijn 7de werd hij overgeplaatst en verhuisden we naar Arnhem. Ik heb een goede jeugd gehad. We hadden het niet breed, maar ik wist niet beter. Ondanks haar dagelijkse zorgen of er wel voldoende eten was, was mijn moeder altijd vrolijk, een schat van een mens. Als ze nog maar 1 dubbeltje in haar portemonnee had en er kwam iemand met een collectebus langs, dan stopte ze daar haar laatste muntje in. Pas later besefte ik: de stakkerd, altijd arm en dan negen blagen opvoeden. Als ze nog maar net was bevallen, kwam de pastoor al langs met de vraag wanneer de volgende kwam. Een keer is ze zo boos op hem geworden dat ze uitriep: ‘D’r uut! Als je meer kinderen wilt, moet je ze zelf maar maken!’ (Schaterlach)

Dora van Ditshuizen, als ongeveer 18-jarige, samen met haar man Theo in de tuin van haar zus Dinnie in Arnhem. Deze foto werd net voor de oorlog gemaakt. Beeld Aurélie Geurts
Dora van Ditshuizen, als ongeveer 18-jarige, samen met haar man Theo in de tuin van haar zus Dinnie in Arnhem. Deze foto werd net voor de oorlog gemaakt.Beeld Aurélie Geurts

‘Nadat mijn vader was overleden, heb ik mijn moeder vaak in huis genomen, om iets terug te doen voor haar. Ze schilde de aardappelen en genoot van haar kleinkinderen. Ik werkte hard voor de kost. Mijn man en ik runden samen een brandstoffenhandel. Ik noteerde de bestellingen voor eierkolen, antraciet en briketten en bediende klanten aan huis, Theo bracht de grote bestellingen rond. Na een paar weken logeren zei mijn moeder: ‘Ach deerntje, ik ga maar weer eens naar huis’. Enkele dagen later stond ze weer op de stoep: ‘Heb je de koffie al klaar?’

Bent u getrouwd uit liefde of omdat je als vrouw nu eenmaal weinig keus had in die tijd?

‘O nee, uit liefde. Als je dit verhaal hoort, zul je mij niet geloven. Ik was 11 jaar en elke middag kwam een man op school een grote ketel met warm eten voor de nonnen brengen. Op een dag nam hij zijn zoon mee, van een jaar of 13, 14. Wat een leuk jungske met zijn donkere ogen, dacht ik, en werd op slag verliefd. Er gingen jaren voorbij waarin ik hem niet meer zag en toen werd op 31 januari 1938 prinses Beatrix geboren. Om dat te vieren was er een grote optocht in Sonsbeek. Ik ging er met een vriendin naartoe. Aan de overkant van de straat stonden twee jongens naar ons te lonken. Ze vroegen of we meegingen ergens wat drinken. Kom op, zei ik tegen die vriendin, dat gaan we doen. Met een van hen, Theo, sprak ik daarna vaker af. Op een dag vroeg hij op welke school ik had gezeten. En zo kwamen we erachter dat hij dat jongetje was dat zijn vader hielp met het rondbrengen van de ketels warm eten. Ik heb hem nooit verteld dat ik op de lagere school al verliefd op hem was, ik vreesde dat hij zou denken: die is gek!’

Was u zo groen als gras toen u trouwde, of had u seksuele voorlichting gehad?

‘We waren vaak samen. Mijn moeder was daar bezorgd over en zei: ‘Laat hem niet aan je lijf komen. Pas helemaal op dat hij je niet van onderen aanraakt, je weet waar kinderen van komen’. Maar daar wist ik helemaal niks van, en ik mocht er pas iets over horen als ik getrouwd zou zijn. Haar waarschuwingen maakten mij bang. Ik sprak erover met Theo. Hij zei dat hij mijn moeder wel begreep, en dat we zouden wachten tot we getrouwd waren. Ik begrijp niet waarom ze in die tijd zo moeilijk deden.’

Hoe was de eerste keer seks, als jullie beiden van toeten noch blazen wisten?

Schaterlachend: ‘Dat ging helemaal vanzelf.’

Heeft u uw eigen kinderen wel voorgelicht?

‘Ik heb ze alles verteld. Ook heb ik mijn dochters voorbereid op hun eerste menstruatie en gezegd waar ze maandverband konden vinden als het zover was. Daar wist ik als meisje ook niets van. Ineens begon ik hevig te bloeden, ik schrok en dacht dat ik doodging. Ik snelde naar mijn moeder. Het enige wat ze zei was: ‘Ga maar naar Liesje, die helpt je wel.’ Mijn oudere zus gaf mij een paar lappen. Ik vroeg Liesje wat er aan de hand was. ‘Het is ongesteldheid, dit krijg je elke maand’, zei ze. Nee, elke maand? riep ik uit.’

Zou u in deze tijd jong willen zijn?

‘Natuurlijk. De jeugd van nu loopt erbij om door een ringetje te halen. Ik kreeg nooit nieuwe kleren, droeg de jurken van mijn oudere zussen af. Ik wist niet beter. En als ik zie dat jonge meiden van nu gezellig met elkaar op vakantie gaan, helemaal naar Spanje of Italië, heerlijk. Daar hadden wij het geld niet voor. Er zijn zelfs jongeren van 18 jaar die al een auto hebben. Ik kreeg op mijn 17de mijn eerste fiets. Auto’s zag je nog helemaal niet in de straat, nu staan ze ermee vol.’

Wat vindt u van het nieuwe kabinet, met de helft vrouwen?

‘Oja, hebben we een nieuw kabinet? De helft vrouwen vind ik goed, waarom niet? Vrouwen hebben evenveel capaciteiten als mannen. En is hij weer gekozen, die man met die bril, hoe heet hij ook alweer?

Bedoelt u Mark Rutte? Die is weer premier.

‘Rutte, ja. O gelukkig dat hij weer premier is. Hij heeft er goed de hand in. Als ik stem, stem ik op Rutte. In ons land hebben we het goed, er wordt goed voor ons gezorgd. Dat komt door hem.’

Het is bijna 12 uur, het warme eten wordt zo opgediend in de eetzaal. Dora van Ditshuizen praat geanimeerd door tot de laatste seconde. ‘Ach ja, zo is het leven, meid. Een mens vergeet een hoop. Ik onthoud vooral de leuke dingen.’

Dora van Ditshuizen

geboren: 23 december 1921 in Spaubeek

woont: in een verzorgingshuis in Ugchelen

familie: drie kinderen, zeven kleinkinderen en tien achterkleinkinderen

weduwe sinds: augustus 1988