Die ene leerling

‘Door Job besefte ik dat je een bescheiden kind zijn bescheidenheid moet gunnen’

null Beeld Hedy Tjin
Beeld Hedy Tjin

Leerkrachten, docenten en hoogleraren over de leerling die hun kijk op het vak heeft veranderd. Deze week: oud-leerkracht Gerard van de Laar (73) over Job, die liever niet in het middelpunt van de belangstelling stond.

‘Hier in Zandvoort kwam ik hem tegen, in de Haltestraat. Ik was boodschappen aan het doen, toen ik van de overkant van de straat iemand hoorde roepen: ‘Hai mees!’

‘Als ik een oud-leerling tegenkom, moet ik vaak even nadenken. Kinderen veranderen snel als ze naar de middelbare school gaan. Dit bleek Job te zijn, een stille jongen die altijd vrij gemiddeld presteerde. Hij viel nauwelijks op in de klas. Als hij even niets te doen had, begon hij vaak te tekenen. Nu zat hij in 4-havo.

‘Vaak gaan de gesprekjes met oud-leerlingen over de eindmusical. Ze vertellen dan hoe leuk ze die vonden. Maar Job zei die dag iets anders, iets wat ik nooit eerder had gehoord. ‘Ik vond daar niets aan, meester.’

‘Ik heb veertig jaar in het openbaar onderwijs gewerkt. Het liefst stond ik voor de groepen 7 en 8. Daar kon ik mijn creativiteit kwijt. Ik vertelde verhalen, las elke dag voor, ook uit boeken die ik zelf geschreven had. Naast de reguliere lessen probeerde ik zo veel mogelijk leuke dingen te doen. Zo organiseerde ik een uitwisseling met leerlingen uit Portugal, met wie we via de fax correspondeerden. Of ik nam ze mee naar Theater Tuschinski in Amsterdam, om Jesus Christ Superstar te zien. Ik dacht: van die film leren ze meer over het christendom dan als ik ze verhalen uit de Bijbel vertel.

‘Ook probeerde ik een mooie eindmusical neer te zetten. Mijn school kocht altijd een kant-en-klare musical bij Benny Vreden, maar vaak veranderde ik daar van alles aan. Dan schreef ik er nieuwe rollen bij, om elk kind zo veel mogelijk op de voorgrond te krijgen. Ik gunde ze bij wijze van spreke allemaal de hoofdrol.

‘In het jaar van Job voegde ik een dans toe aan de musical. Er zaten ongeveer evenveel jongens als meisjes in de klas, dus ik kon ze met elkaar laten rondzwieren op de Tweede wals van Sjostakovitsj, die toen dankzij André Rieu populair was. In de maand dat we die dans aan het oefenen waren, gingen we op werkweek naar de Veluwe. Op de terugreis brachten we een bezoek aan museum Speelklok in Utrecht. In een grote zaal met een mooie gladde dansvloer klonk plotseling die wals uit een van de orgels. Het was een verrassing, ik had geregeld dat ze die zouden draaien tijdens ons bezoek, zodat de leerlingen daar met elkaar konden dansen. De andere museumbezoekers applaudisseerden.

‘Ook Job walste mee, en ik dacht dat hij het leuk vond. Maar daar in de Haltestraat, een paar jaar later, vertelde hij me dat dat niet zo was geweest. ‘Ik deed mee omdat iedereen het deed’, zei hij. ‘Ik wilde geen uitzondering zijn. En zo waren er nog een paar kinderen. Het was best tof, hoor, wat u organiseerde, maar niet voor mij.’

‘De woorden van Job lieten me niet meer los. Ik begon me af te vragen waarom ik zo moeilijk accepteerde dat verlegen kinderen geen hoofdrol wilden spelen, waarom ik de kinderen die achteraan gingen staan, de kinderen die een beetje wegdoken, nu juist naar voren trok. Was het omdat ik zelf vroeger verlegen was geweest, maar later best toneelspeler had willen worden? Of was het mijn eigen eerzucht, wilde ik mijn projecten laten slagen?

‘Job deed me inzien dat ik het al die jaren niet goed had aangepakt. En dus besloot ik het voortaan anders te doen. Tijdens de laatste tien jaar van mijn carrière gunde ik de stille kinderen een plek in de schaduw. Bij spreekbeurten was ik coulanter. Als een leerling in een discussiegroepje liever geen voorzitter was, vond ik dat prima. En bij de musical creëerde ik ‘onmisbare hulpjes’, leerlingen die de muziek bedienden, decorstukken verwisselden of acteurs souffleerden, taken die ik voorheen aan ouders overliet.

‘Dat werkte. Ik zag dat kinderen opgelucht waren als ik niet te veel van ze vroeg. Ze waren daardoor een stuk gelukkiger dan wanneer ze voor het voetlicht hadden moeten treden. Door Job besefte ik dat je een bescheiden kind zijn bescheidenheid moet gunnen.’

Job heet in werkelijkheid anders. Gerard van de Laar schrijft kinderboeken onder het pseudoniem Gerard Delft. We zoeken nog verhalen over die ene leerling of student in coronatijd, voor een speciale aflevering aan het einde van dit schooljaar. Tips? Mail naar r.kuiper@volkskrant.nl.

Meer over