InterviewJe kunt het maar één keer doen

‘Door haar wist ik dat het verliezen van je moeder het heftigste is wat er kan gebeuren’

Tuurlijk, dood gaan we allemaal. Maar afscheid­nemen kan op veel manieren. Hoe je het doet, maakt nogal wat uit. In deze serie spreekt ­Barbara van Beukering ­nabestaanden over het stervensproces van hun dierbaren.

null Beeld Krista van der Niet
Beeld Krista van der Niet

Merima Bilajbegovic-Bolic (54, zorgmedewerker) overleed op 22 augustus 2019 aan de gevolgen van slokdarmkanker. Ze was getrouwd met Medin (56, medewerker technische dienst bij een jeugdgevangenis) en had twee dochters, Zlata (31) en Aida (28, programmamedewerker bij Rutgers) en een kleindochter, Mila (7).

Aida: ‘Mijn moeder is opgegroeid in een klein plattelandsdorp in Bosnië. Ze heeft geen leuke jeugd gehad, haar broer mishandelde haar. Haar moeder, mijn oma, was gescheiden en dat was in die tijd heel uitzonderlijk. Mijn moeder sprak altijd over haar moeder als een heel warme en krachtige vrouw die haar tijd ver vooruit was.

Tijdens haar studie aan de technische hogeschool in Bihac leerde mijn moeder mijn vader kennen. Ze trouwden, kregen allebei een goeie baan – mijn vader als afdelingshoofd van een textielfabriek en mijn moeder als docent – en mijn zus werd geboren. Hun leven zag er rooskleurig uit. Totdat in 1991 de oorlog in Bosnië uitbrak. Ze wilden niet weg, maar mijn opa adviseerde hen naar Nederland te vluchten. Ze kwamen als jong gezinnetje, mijn moeder was toen net zo oud als ik nu, in een asielzoekerscentrum in het oosten van het land terecht. Daar ontdekte mijn moeder dat ze zwanger was. Ze was helemaal niet blij. Ze was ongelukkig, sprak de taal niet en miste haar familie.

Aida en Merima  Beeld
Aida en Merima

Toen ik een paar maanden oud was, belde het Rode Kruis naar het azc om te vertellen dat haar moeder was vermoord. Mijn moeder vertelde dat ik haar heb beschermd tegen het immense verdriet. Als ze moest huilen, begon haar baby ook te huilen. Ik heb haar erdoorheen gesleept, zei ze altijd. Na een jaar kregen ze een huis toegewezen in Sassenheim en vanaf dat moment begon hun leven in Nederland. Ze leerden de taal, bouwden hier een leven op en werkten kei- en keihard. Om mijn zus en mij een goede jeugd te geven, en om te sparen om later een huisje te kunnen bouwen in Bosnië, op het stuk grond waar het ouderlijk huis van mijn vader had gestaan, een mooie plek aan de rivier.

Als ik aan mijn jeugd denk, zie ik mijn moeder in de keuken staan. Ze hield enorm van koken, eten was alles voor haar. Het begon ermee dat ze problemen kreeg met slikken. Ze ging steeds langzamer eten, kauwde lang en verslikte zich ook weleens. Wij maakten daar grapjes over, zagen het niet als iets zorgelijks.

Op 27 november 2018 at ik bij een vriendin, we zouden daarna naar een avond in De Balie gaan over poëzie over Iran. Mijn moeder belde om te vragen wanneer ik weer naar Sassenheim zou komen. Ik antwoordde dat ik dat niet wist, misschien het weekend, vroeg waarom ze dat wilde weten. Ze zei dat we wel zouden praten als ik thuis zou zijn. ‘Mam, wat is er aan de hand?’, vroeg ik ongerust. Ze barstte in huilen uit: ‘Ik heb kanker.’ Ik was in shock en nam meteen de trein naar huis. Mijn moeder zat op de bank, haar beste vriendin zat naast haar en mijn vader zat aan tafel. Ik moest heel erg huilen en mijn moeder troostte mij. Ze was een heel positief mens, zei dat het echt goed zou komen. Maar als je googelt op slokdarmkanker – dat is natuurlijk het eerste wat ik deed – dan weet je dat de meeste mensen binnen een jaar overlijden. Niet veel later hoorden we dat het fase 3 was en uitgezaaid. Ze kreeg een levensrekkende behandeling. Al heel snel kon ze niet meer eten en slikken en kreeg ze sondevoeding via een slangetje in haar neus.

In april werd ze zo ontzettend ziek dat ze met een ambulance naar het ziekenhuis moest. Toen kregen we te horen dat de bestraling niet was aangeslagen en dat er niks meer aan te doen was. In het begin sliep ze nog boven. Ik kwam een paar keer per week langs en dan lagen we samen op haar bed. Dan hield ik haar hand vast en kletsten we over alles. Mijn moeder was heel open en emotioneel ontwikkeld. Ik heb veel met haar kunnen bespreken. Ik vroeg dingen over vroeger, hoe ze naar mij keek, of ze vond dat ik op haar leek. Ze was heel tevreden over haar leven, ze was superdankbaar. Het was haar grootste droom om ons te zien opgroeien en om oma te worden. Wij waren volwassen en ze had een heel hechte band met haar kleindochter, de dochter van mijn zus. Het enige wat haar speet was dat ze nooit een vluchteling in huis had genomen en dat ze niet voor oude mensen in Bosnië had gekookt. Ik vroeg haar ook hoe ze zich voelde en hoe ze naar de dood keek. Ze gaf wel antwoord op mijn vragen, maar ze vertelde nooit wat er echt in haar omging. Daar heb ik het moeilijk mee, omdat ik bang ben dat ze zich eenzaam heeft gevoeld.

Ze werd steeds zieker en zieker. Toen ze niet meer naar boven kon, werd er een ziekenhuisbed in de huiskamer gezet. De laatste twee maanden kon ze bijna niet meer praten. Ik vond het ontzettend zwaar om haar te zien aftakelen. Ze zag er totaal anders uit, echt ziek, met die slangen. Ze werd heel erg dun, raakte uitgemergeld, en haar huidskleur was ongezond. Als ik haar naar de wc hielp, zag ik hoe ze stond te trillen op haar benen.

Ik had een afspraak met mijn manager om zorgverlof op te nemen. Ik zou een maand vrij nemen om bij mijn ouders in te trekken. Ik kwam net uit dat gesprek met die manager toen mijn vader belde. Hij zei dat het niet goed ging met mijn moeder en vroeg of ik meteen naar huis wilde komen zodat de palliatieve sedatie kon starten. Toen ik binnenkwam zat mijn vader naast haar, mijn zus was er ook al. Mijn moeder lag op haar zij. Ik legde mijn hand op haar en bedankte haar voor alles wat ze voor ons heeft gedaan. ‘Slaap lekker, mam.’ Dat was het. Drie dagen later is ze rustig overleden. Ik zie het afscheid niet als één moment, het afscheid heeft negen maanden geduurd.

Ik heb het er heel moeilijk mee dat ik haar zo heb zien lijden. Het lijkt alsof mijn herinneringen van daarvoor weg zijn. Terwijl mijn moeder veel meer was dan die ziekte. Ik zou een standbeeld voor haar willen oprichten, maar die ziekte schuift er in mijn hoofd steeds voor. Soms denk ik: mam, had je me hier niet wat beter op kunnen voorbereiden? Ze wist hoe het was om geen moeder meer te hebben. Door haar wist ik dat het verliezen van je moeder het heftigste is wat er kan gebeuren. Als ik zei dat ik niet zonder haar kon, antwoordde ze: ‘Het wordt even zwaar maar daarna pak je de draad weer op.’ Hoezo de draad oppakken? De pijn gaat zo diep, in elke vezel van mijn lijf. Als ik een kind krijg, is zij er niet, net zoals haar moeder er niet was. Laatst was ik in het Vondelpark aan het hardlopen toen ik een jonge vrouw zag met haar moeder en haar pasgeboren baby’tje. Ze liepen met z’n drieën achter de kinderwagen. Ik kreeg zo’n verstikkend gevoel dat ik meteen naar huis ben gerend. Thuis op de bank heb ik heel hard gehuild over het idee van een vrouw met haar baby. Zonder moeder.’

Meer over