Dodenherdenking zonder oorlog

EEN MINUUT is een minuut, en stiller dan stil kan je het niet krijgen. Toch was de stilte die op 19 september over Nederland viel, ter nagedachtenis van Meindert Tjoelker, volkomen anders dan de ceremoniële rust van de vierde mei....

STEPHAN SANDERS

Pas op het tweede gezicht, in close-up, werden de verschillen duidelijk. Wat je miste in de blikken van de wachtenden was de routine, de bedachtzaamheid en de plechtstatige oogopslag, die het kenmerk zijn geworden van de dodenherdenking. Als stilte al een klank heeft, dan klonk deze verrassend spontaan en naturel. Dat zijn kwaliteiten die in het dagelijkse leven hoog staan aangeschreven, maar nu leken ze in hun tegendeel om te slaan. Ze onderstreepten vooral de onrust. Dat werd nog eens versterkt door het geïmproviseerde karakter van de hele onderneming: de inderhaast opgerichte monumentjes, de ongewone plaatsen van samenkomst en de onzekere plichtplegingen, die nog geen plichtplegingen waren, maar gebaren op de tast, waar een regisseur veel aan kon verbeteren.

Dat was bij de eerste, echte dodenherdenking, vlak na de oorlog, wel anders. Toen geen spontane acties, geen scholieren die rouwlinten vormden langs de openbare weg, maar strak voorbereide plechtigheden, die van hogerhand werden georganiseerd. Je zou toch zeggen dat de Nederlandse bevolking toen heel wat meer te 'verwerken' had, om het eens therapeutisch uit te drukken. Maar kennelijk leende die erfenis zich minder voor ongecompliceerde reacties en directe ingevingen van het hart.

Wat er anderhalve week geleden ook herdacht werd (en een oorlog kon het niet zijn), wisten de aanwezigen wel zeker dat het voorbij was? Het ontbrak op al die bijeenkomsten in ieder geval aan één ding: voltooide tijd. Vandaar dat de stilte gewapend leek, zoals je dat zegt wanneer er een bestand is afgesloten, maar de vrede nog lang niet is verzekerd.

Behalve van herdenking was er ook sprake van protest, maar ook hier zette de verwarring zich door, bij gebrek aan tegenstanders.

Meindert Tjoelker werd doodgeschopt door vier jongens, toen hij zich in een opwelling van burgermoed bemoeide met hun nachtbraken. Ze werden meteen gearresteerd en zullen ongetwijfeld zwaar gestraft worden.

Bij mijn weten was er niemand die hen probeerde vrij te pleiten of ook maar enigszins te verontschuldigen. Van meet af aan bestond er overeenstemming over de ernst van het misdrijf, ook bij de daders, die zich, eenmaal ontwaakt uit hun roes, hetzelfde afvroegen als de mensen die bloemen legden op de plek des onheils: hoe heeft dit kunnen gebeuren?

Wat werd er dan aangeklaagd? Een mentaliteit. Dat is een vijand zonder gezicht en zonder vaste persoonskenmerken, die zich heel moeilijk laat lokaliseren. Er moest die dag een grens getrokken worden: zo kon het niet langer, tot hier en niet verder. En vervolgens kwam iedereen als door een magisch toeval aan de goede kant van de streep terecht, zonder dat er een scheiding kon worden aangebracht tussen potentiële slachtoffers en daders.

Die eendracht was niet gespeeld, maar zo echt en waterdicht als een principe-overeenkomst maar kan zijn. Dat vervolgens niet alle aanwezigen zich aan dat principe konden houden, deed niets af aan de inzet, waarmee ze het zich hadden voorgenomen. Of, zoals een jonge geweldpleger het uitdrukte, die een dag na de herdenking in Bolsward werd aangehouden: 'Ik ben gisteravond nog een minuut stil geweest. Normaal ligt geweld niet in mijn aard'.

Een beginsel kan zo algemeen geformuleerd worden, dat bijna iedereen het kan onderschrijven, even moeiteloos als vrijblijvend. De moord op Tjoelker speelde zich niet af in de wereld van de georganiseerde misdaad, maar in die van de onbedoelde gevolgen. Daarin figureren incidentele geweldplegers en willekeurige slachtoffers, waarvan er soms een, even toevallig, kan uitgroeien tot een nationale held.

Het is dat gebrek aan specificiteit, die in het geval van Tjoelker voor een zo probleemloze identificatie heeft gezorgd. Het had iedereen kunnen overkomen. Er waren geen racistische of politieke motieven in het spel, het ging niet om een zedendelict of om potenrammerij. In dergelijke gevallen, waarin blanke mannen elkaar te lijf gaan, die bedriegelijk veel op elkaar lijken, spreken we van 'zinloos geweld'.

En tenslotte werd er in Leeuwarden ook iets beleden. Er werd een groet gebracht aan de civiele courage: ook dat is weer zo'n norm, die iedereen kan onderschrijven, zonder dat men er altijd naar hoeft te handelen. Het wemelde die avond van normen en waarden, die geen andere tegenstander kenden dan de praktijk.

Het leek erop, dat mensen zich een wereld in herinnering probeerden te roepen, waarin vooroorlogs fatsoen nog gewoon was en 'dit soort dingen' niet voorkwamen. Dat kostte nog moeite genoeg, want zo'n wereld heeft nooit bestaan.

Er werd die avond herdacht, bezworen, bezonnen en geprotesteerd: dat zijn veel activiteiten ineen, die onderling tegenstrijdig zijn. En in die onbestemde sfeer dreigde de Tegenwoordige Tijd als hoofdverdachte aangewezen te worden van een moord, die verder niemand zo bedoeld had. In het net verschenen boek Na de ondergang, de herinnering aan de Jodenvervolging in Nederland 1945-1995 beschrijft Ido de Haan hoeveel moeite, ruzie en gekneusde tenen het heeft gekost om van de jodenvervolging zoiets als een 'nationaal trauma' te maken. Dat lag niet aan de mate van het ongeluk, want die was onovertroffen, maar juist aan het specifieke karakter ervan. Niet iedereen is een jood, en de razzia's en deportaties overkwamen niet elke, willekeurige voorbijganger. Het ontbrak in de oorlog precies aan de toevallige omstandigheden die de moord op Tjoelker tekent.

Er was een plan tot Endlösung, er waren een aantal nauwkeurig omschreven groepen, die daarvoor in aanmerking kwamen, en de scheiding tussen daders en slachtoffers was praktisch absoluut.

Zoiets bemoeilijkt algehele identificatie. Het maakt annexatie van het leed op zijn minst dubieus, en meestal ronduit ongepast.

A. de Swaan noemde de jodenvervolging een 'niet te verwerken feit in de openbare meningsvorming'. Het gevolg kan zijn, schrijft de Haan, 'dat de Jodenvervolging altijd als een vreemd element in de Nederlandse geschiedenis blijft staan: als iets waarvan niet-Joden geen rekenschap kunnen geven en Joden geen rekenschap mogen geven, op straffe van nationale desintegratie.'

Tot lang na de oorlog is er verbeten om die erfenis gestreden door concurrerende groepen die vochten om erkenning. Aanvankelijk stonden daarbij de verzetsdeelnemers vooraan, terwijl later de jodenvervolging het ijkpunt werd, en nog weer later andere slachtoffers zich meldden om een deel van de aandacht op te eisen. Dat gebeurde niet altijd in een sfeer van verbroedering, kaarsjes en nationale verzoening die we uit Leeuwarden kennen. Wat dat betreft heeft het de echte oorlog altijd ontbroken aan dat wazige, onscherpe beeld waarmee iedereen zich zonder slag of stoot kon vereenzelvigen.

Wie durft er nog met zekerheid te stellen wat hij in '40-'45 zou hebben gedaan? Het aantal mensen dat dat uit ervaring weet, slinkt zienderogen, en de anderen, de na-oorlogsen hebben van het niet-weten hun wetenschap gemaakt.

De morele keuzen zijn te groot, de gevolgen te onvoorspelbaar om daar pertinente uitspraken over te doen.

Maar nu dit: het is nacht, je loopt op straat en ziet een paar aangeschoten jongens, die fietsen in het water gooien. Wat je als voorbijganger ook besluit: de situatie is net zo voorstelbaar als de moed die het kost om in te grijpen. De rol van de held ligt binnen ieders handbereik, en wie er toch voor kiest om door te lopen, heeft nog geen mensenlevens op zijn geweten.

Dit is een moreel oefenterrein dat te overzien valt. Het is bescheiden van opzet, en aangepast aan de omstandigheden. Iedereen heeft hier recht van spreken, niemand hoeft zich buitengesloten te voelen.

En in het ergste geval volgt er een dodenherdenking, maar dan zonder oorlog.

Meer over