ColumnThomas van Luyn

Dit jaar wil ik een voorbeeld nemen aan de toerist die ik altijd zo bewonderd heb

null Beeld Aisha Zeijpveld
Beeld Aisha Zeijpveld

‘Souvenir’ is het Franse woord voor ‘troep’. Het komt in vele vormen, van spiegeltjes en kraaltjes tot kronkelig wrakhout en geneeskrachtige kiezels. Deze vakantie ga ik het aanbod eens rustig bekijken en een weloverwogen aankoop doen. Vóór de corona haastte ik mij door de souvenirgetto’s van de Europese badplaatsen, verscholen achter mijn zonnebril. Dit jaar ga ik een voorbeeld nemen aan het toonbeeld van ontspanning en zelfacceptatie: de schaamteloze toerist.

Met afgunst heb ik mij al die jaren verwonderd hoe je zo bij een kleedje met beschilderde schelpjes kon gaan staan, en gewoon in alle rust elk prul kunt oprapen, van alle kanten bekijken, vragen naar de prijs, onderhandelen, gewoon weer neerleggen en doorlopen. Hoe je de Afrikaanse strandventer met zijn enorme rek gevlochten armbandjes, zonnebrillen en kralenkettingen naar je handdoekje kunt wenken, hem bij je neer laten knielen en uitgebreid al zijn waar kunt passen, en dan in alle objectiviteit constateren dat er niets voor jou tussen zit, en hem met onverrichte zaken onder de brandende zon kunt laten doorsloffen. Dat er in dat hele traject geen moment van gêne, twijfel, verlegenheid of ongemak ontstaat – ik ben er diep, diep jaloers op.

Ik sta al van verre te wuiven van no, no, no thank you, goodbye, vóórdat ik de moeite heb genomen om te kijken wat er nu eigenlijk aangeboden wordt. Dat is een verkrampte, defensieve reactie die niet erg respectvol is naar de verkoper. Ik heb gedurende de lockdown veel tijd gehad om na te denken, en dit jaar wil ik een voorbeeld nemen aan de toerist die ik altijd zo bewonderd heb. De toerist die weet: het is vakantie, ik accepteer mezelf, de ander, alles wat er op me afkomt, en als iets me niet aanstaat laat ik het meteen weer los. Die voelt zich niet verantwoordelijk voor het geluk van anderen. Die loopt zonder enige stress langs een restaurant waarbij een wanhopige gastheer staat die hello-hello, yes please, come come naar zijn hoofd gooit, in de hoop hem te enthousiasmeren voor een bord slappe patat.

Die toerist zegt gewoon netjes hello terug, blijft staan, en gaat rustig de kaart bekijken, gewoon waar de hello-hello-meneer bij staat. Waarom niet? Het is vakantie. Die is niet bang om te zeggen: even goede vrienden, maar ik ga eerst eens bij alle vijfhonderd andere restaurants hiernaast al die menukaarten bestuderen die identiek zijn aan de jouwe, om te zien of er niet eentje bij zit die me een piepklein beetje meer aanstaat. Maar misschien neem ik wel genoegen met jouw restaurant, wie zal het zeggen, en in dat geval ben ik zo terug. Die toerist is niet bang de plaatselijke bevolking die maar twee maanden heeft om een jaarsalaris bij elkaar te scharrelen teleur te stellen: het is vakantie.

Zelf durfde ik, als ik eenmaal in een restaurant had gegeten, geen andere zaak meer uit te kiezen, hoe vies het er ook was. Stavros / Miguèl / Lorenzo was immers een vriend voor het leven geworden. Sterker nog: hij had me een glaasje zoete nagellakremover van het huis aangeboden. Het zou zijn hart breken als ik bij zijn buurman ging eten. Dit jaar zeg ik: Fuck hem en al zijn veertien kinderen. Het is vakantie.

Meer over