‘Dit is zo groot, dit is niet te herstellen’

Jochem Sprenger ontdekte onlangs dat hij afstamt van een familie die tot aan hun nek in de slavenhandel zat. Hij ziet het nu als zijn plicht om openheid te geven over die familiegeschiedenis, maar mensen in zijn omgeving zien dat anders.

Ianthe SahadatElsbeth Stoker en Fleur de Weerd
Jochem Sprenger Beeld Desiré van den Berg
Jochem SprengerBeeld Desiré van den Berg

Als telg uit een Zeeuws patriciërsgeslacht vermoedde Jochem Sprenger (38) wel dat zijn voorouders ‘iets’ met slavenhandel en slavernij van doen hadden gehad. Maar dat ze meerdere plantages in bezit hadden, Afrikaanse mensen verkochten en ook nog hypotheekverstrekker waren voor tientallen plantages, viel hem twee jaar geleden toch rauw op zijn dak.

Op een zondag in mei 2020 hoorde Jochem in radioprogramma OVT over een podcast: De plantage van onze voorouders van Maartje Duin en Peggy Bouva. De omschrijving ‘Maartje Duin onderzoekt sporen van het slavernijverleden in haar familiegeschiedenis’ maakte nieuwsgierig. Na het luisteren dacht Jochem: weet je wat, ik tik onze naam eens in bij Google. Zo was journalist Duin, ook een nazaat van Zeeuwse patriciërs (een verzamelterm voor prominente bestuurdersfamilies, soms van adel, maar niet altijd), haar zoektocht naar het slavernijverleden van haar familie immers ook begonnen.

Jochems zoektermen? ‘Sprenger’ en ‘slavernij’. Hij lacht er wat ongemakkelijk bij. Om vervolgens besmuikt en geestdriftig tegelijk uit te roepen: ‘Nou, toen schrok ik toch wel van de enorme omvang. Een van de vijf belangrijkste hypotheekverstrekkers voor plantages, slavenhandel – tjónge. Binnen een week vond ik de eerste drie plantages die in familiebezit waren geweest: Dordrecht, Domburg en Moerkerke. Maartje Duins betbetovergrootmoeder bezat 1/72ste aandeel in een plantage. In ons geval was het niet zo van: o, ik kan ook ergens wat vinden… Ik kon zó veel vinden, het was alsof er een hele boekenkast op me afkwam.’

Jochem werkt als ambtenaar bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Met zijn vrouw en twee jonge kinderen woont hij in een herenhuis uit de jaren dertig in een rustige, groene wijk in Den Haag, niet ver van zee. Zijn woning is geen villa, geen paleis en ook geen grachtenpand.

Op tafel: een zelfgebakken notencake die grotendeels wordt opgepeuzeld door de bakker zelf – ‘ik ben een enorme zoetekauw’ – en vellen papier van A3-formaat met volledig uitgewerkte stambomen, alle data compleet, tot diep in de 16de eeuw. Jochem praat snel en veel. Ook lacht hij vaak, ineens, zomaar tussendoor.

Tijdens zijn studie geschiedenis in Utrecht, bijna twintig jaar geleden, hoorde Jochem ‘best veel’ over het Nederlandse slavernijverleden. Maar het ging vooral over de zakelijke kant, de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC), niet over de maatschappelijke en menselijke aspecten. En juist over de personen achter de instanties, over de voorouders die in de 18de eeuw zelf actief waren in de handel in mensen alsof het producten betrof, wil Jochem alles weten.

Ongemakkelijke vermoedens

Jochem blijkt niet de enige in zijn familie met ‘ongemakkelijke vermoedens’. Tijdens een doorwaakte nacht in mei 2020 ontdekte ook tante Elly (73), de zus van zijn vader, de podcast. Ze stuurde meteen een berichtje in de familie-app: ‘Luister allemaal de podcast van Maartje Duin. Dit speelt ook in onze familie.’

Jochem en tante Elly – ze stemde PSP, woonde in een woongroep en was actief in de vrouwenbeweging – raken hierop in gesprek en besluiten samen verder onderzoek te doen.

De rest van de familie reageert nauwelijks op het bericht, al zal later blijken dat een hoop familieleden de podcast wel degelijk hebben beluisterd. Jochems vader reageert wel. ‘Die zei meteen: maar dat wisten we toch al.’ Hij had eigen onderzoek gedaan en een jaar of tien geleden een presentatie op de jaarlijkse familiedag gegeven. Jochem: ‘Wat ik me van dat verhaal herinner, was dat hij het heel zakelijk had aangepakt. Het ging over de firma Spoors & Sprenger en over de bestuursfuncties die onze voorouders hadden in de Middelburgsche Commercie Compagnie.’

‘Volgens mijn vader zat het er wel expliciet in, maar dat we zo actief in de slavenhandel zaten, is bij mijn weten niet uit die presentatie gekomen. En ook niet dat dat dus een keuze was, ook indertijd al. Als iemand had willen beslissen om te stoppen met de slavenhandel, was daar alle kans toe geweest.’

Het Zeeuwse slavernijverleden

Jochem heeft de tijd mee: steeds meer archieven zijn of worden gedigitaliseerd. Waar het familiearchief van de Sprengers een kleine eeuw terug stond te verstoffen op de zolder van het riante familiehuis Duinenburg te Domburg, worden de vele meters momenteel door het Zeeuws Archief volledig gedigitaliseerd. Over een klein jaar zijn ze voor iedereen toegankelijk.

Er vindt in Zeeland sowieso veel onderzoek naar het eigen slavernijverleden plaats. Middelburg heeft sinds 2005 een monument, er is een slavernijwandelroute, Omroep Zeeland zond een 6-delige serie over ‘het zwarte verleden’ uit en er verschenen boeken, zoals Walcherse ketens van historicus Gerhard de Kok, die verbonden is aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis.

De Kok focust zich in zijn onderzoek op de hoogtijdagen van de Zeeuwse slavenhandel, tussen pakweg 1730 en 1780, toen ongeveer 70 procent van de Nederlandse slavenhandel in Zeeuwse handen was. In die periode vertrokken zo’n vijfhonderd schepen uit Middelburg en Vlissingen, volgeladen met waardevolle exportgoederen – buskruit, geweren, messen, glaskralen en textiel – naar West-Afrika om de waren te ruilen voor mensen. Het boek toont aan dat ook veel ‘gewone’ inwoners van de regio nauw verweven waren met de handel in mensen.

Dominees als grootaandeelhouder, marktkooplui en bierbrouwers die levensmiddelen leverden aan de schepen, bemanningsleden – vrijwel iedereen was economisch verbonden aan de slavenhandel. De Kok constateert bovendien dat tijdgenoten amper kritisch waren. Van de Zeeuwse dominee Smytegelt – die vaak genoemd wordt omdat hij vroegtijdig (hij stierf in 1739) ageerde tegen slavernij – is slechts één preek bewaard gebleven waarin hij kritisch is op de slavenhandel.

Jochem Sprenger las het boek van De Kok. Hij vond het ‘reuze-interessant’. En lovenswaardig dat De Kok niet geneigd is om het gebeurde te camoufleren met ‘maar dat was toen heel normaal’-achtige observaties. Want ja, slavernij is eeuwenoud, maar hoe normaal was het, die overzeese handel in mensen? Het is dan ook een van de zaken die Jochem zich afvraagt, zonder anachronistisch te willen klinken: hadden zijn voorvaderen zelf weleens morele twijfels?

Jochem reageerde op een oproep van de Volkskrant om zijn verhaal en dat van zijn voorouders te vertellen. Toch stond hij gedurende het proces meermaals op het punt zich terug te trekken. Bang voor reacties is hij niet. ‘Ik weet waar ik sta: moreel keur ik de daden van mijn voorouders af, die vind ik verwerpelijk, maar ik ben er niet verantwoordelijk voor.’

Mensen in zijn omgeving zagen dat anders. Die maakten zich zorgen, praatten op hem in. Er was een oudoom met twijfels, een oom die het ‘niet zo nodig’ vond. ‘Je naam verbinden aan slavernij, als dader, ja, dat is nogal wat.’

Jochem ziet het juist bijna als zijn plicht of taak om op zoek te gaan naar dit verleden. ‘Het is ontzettend wrang dat nazaten van tot slaaf gemaakte mensen afhankelijk zijn van de archieven van nazaten van slavenhandelaren.’ Openheid als een vorm van wiedergutmachung, zo voelt hij het.

Waar Duin in haar podcast vrij snel het plan opvat om een nazaat te zoeken van de tot slaaf gemaakte mensen die leefden op de plantage waarvan haar voormoeder een stukje aandeel bezat, ziet Jochem niet hoe hij een vergelijkbare stap zou kunnen zetten. ‘Dan kan ik wel een voetbalstadion afhuren.’

Jochem: ‘Mijn voorouders waren reder én verkoper, vele duizenden mensen hebben ze verscheept. Ze waren veilingmeester op de slavenmarkt van Curaçao. En dan staken ze ook nog aan de lopende band geld in plantages.’ Na een korte stilte: ‘En ik kan me eerlijk gezegd ook niet voorstellen dat de nazaten van de tot slaaf gemaakte mensen zitten te wachten op een ontmoeting met mij. Maar ik vind het wel belangrijk dat de waarheid naar buiten komt.’

Spoors & Sprenger

De geschiedenis van de Sprengers begint met Jean Valentin Sprenger, omstreeks 1700, in het in die tijd net door Frankrijk veroverde Valenciennes. Jean Valentin is een koopman die de pech heeft het ‘verkeerde’ geloof aan te hangen. Al twee eeuwen woedt er een vanuit het Franse koningshuis aangevoerde bloedige strijd tussen de katholieken en de protestantse minderheid, waartoe ook Sprenger behoort. Vanuit het credo un roi, une loi, une foi (één koning, één wet, één geloof) zijn protestanten (ook wel hugenoten genaamd) vogelvrij verklaard: wie openlijk zijn geloof belijdt, loopt het risico op onteigening van bezit.

Jean Valentin kiest eieren voor zijn geld en vlucht met vrouw en vijf kinderen noordwaarts, waar zijn geloof wel geaccepteerd is. Via Maastricht belanden de Sprengers halverwege de 18de eeuw op het Zeeuwse Walcheren, waar de naam Jean in Johan verandert en een zoon van de gevluchte koopman als predikant in de Waalse Kerk te Veere aan de slag gaat.

Hij trouwt met ene Jacoba de Kokelaer, het enige kind van de ‘opperboekhouder’ van de VOC in Zeeland, en komt zo in de betere Zeeuwse kringen terecht. Zij krijgen samen een zoon met de naam Johan Valentijn Sprenger.

Ook Johan Valentijn Sprenger trouwt slim, met Johanna Spoors. Zij is geboren en getogen aan de andere kant van de oceaan, in de Nederlandse kolonie Essequebo, in het huidige Guyana, en kwam rond haar 18de naar Nederland. Johanna is een dochter van Adriaan Spoors, een welgestelde koopman en de belangrijkste afgevaardigde van de West-Indische Compagnie en de Middelburgsche Commercie Compagnie (MCC) in Essequebo.

Met zijn schoonvader zet Johan Valentijn vervolgens de firma Spoors & Sprenger op, deels een rederij voor grote slaventransporten en deels een bank die voornamelijk hypotheken verstrekt aan plantage-eigenaren in Suriname en Essequebo.

Adriaan Spoors is op dat moment ‘een sleutelfiguur in de trans-Atlantische slavenhandel’, zoals Jochem het verwoordt. ‘Hij vervulde zelfs de rol van veilingmeester op de slavenmarkt in Curaçao. Dus vanaf die verbintenis, met de dochter van Spoors, zit Johan Valentijn tot aan zijn nek in de slavenhandel.’

Johan Valentijn is verantwoordelijk voor de handel vanuit Nederland. Hij is degene die geld verzamelt, schepen uitrust en opdrachten verleent. Zijn schoonvader reist heen en weer tussen Curaçao, Essequebo en Suriname, en is verantwoordelijk voor de aankomst van de schepen en de verkoop van de tot slaaf gemaakte mensen.

Jochem: ‘Op een gegeven moment hadden ze wel zes schepen die de driehoek bevoeren: van Zeeland naar West-Afrika, door naar de Cariben en dan weer naar Zeeland.’ De totale reis kon tot wel 18 maanden in beslag nemen. ‘Als de slavenprijs niet hoog genoeg was, verkocht Adriaan Spoors ze niet. Dan liet hij die mensen rustig twee maanden creperen aan boord van een schip.’

Hoewel Spoors’ dochter Johanna jong – op haar 24ste – overlijdt, en Johan Valentijn al snel met een dochter van een andere vermogende bestuurder trouwt, blijft hij wel zakendoen met zijn voormalige schoonvader.

Ook de nieuwe verbintenis pakt lucratief uit voor Johan Valentijn: via zijn nieuwe schoonvader, Johan Schorer, verwerft hij allerlei prominente bestuursfuncties in Zeeland, zoals gedeputeerde in de provincie en burgemeester van Middelburg. ‘Hij begint dus lekker bestuursfuncties aan elkaar te rijgen. Zijn zoon Johan Jacob neemt die functies weer over en wordt ook directeur van de MCC. Zo deden een paar Zeeuwse families dat: ze bleven onderling de beste baantjes verdelen. En dat duurt voort tot begin 20ste eeuw.’

Familiedag

Na tante Elly’s appje over de podcast blijven zij en Jochem met elkaar afspreken om het over verder onderzoek te hebben. Meteen vatten ze het plan op de eerstvolgende familiedag de rest van de familie te vertellen dat ze samen op zoek willen gaan naar het slavernijverleden van de Sprengers.

‘We hadden de familiedag van Maartje Duin in gedachten’, zegt Jochem. Hij kijkt er schalks bij, alsof hij zich met enig genoegen reeds schrap had gezet om een sputterend of bagatelliserend familielid van repliek te dienen. Wanneer Duin haar zoektocht naar het slavernijverleden van de familie aankondigt, rept een achteroom over een wapenschild waar ‘twee moorkopjes’ op staan. En over hoe ‘volkomen accepté’ het was om indertijd slaven te bezitten, daar pronkte je zelfs mee.

Zulke geluiden zijn op de familiedag van de Sprengers te Bodegraven afwezig. Sterker nog: iedereen vindt het die zomerdag in 2021 ‘een prima idee’ dat Jochem en Elly zich verder in de familiegeschiedenis gaan verdiepen.

Wat ze die dag vertellen? ‘Dat we afstammen van Johan Valentijn Sprenger en zijn zoon Johan Jacob en dat we willen uitzoeken hoe diep we in de slavenhandel zaten. Wat hebben ze gedaan, wat hebben ze geweten, waarom deden ze wat ze deden? Al is het natuurlijk de vraag wat we daarvan kunnen achterhalen in de bronnen.’

De reacties zijn in zijn herinnering tam, ‘niet erg uitgesproken’. Ook de vraag van tante Elly – ‘En wat doet dit met jullie?’ – maakt geen grote emoties of discussies los. Jochem: ‘Ik meende wel enige verbazing te zien, maar geen grote schok. Of ongeloof.’

Er was ‘interesse’, formuleert Jochem na enig peinzen. ‘Misschien was dat nog wel het opvallendst. Dat er weinig frictie was. Kijk, als het ongemakkelijk wordt, weet je in elk geval dat je mensen raakt. Ik weet natuurlijk niet precies wat mijn familie dacht, maar dat leek nu niet heel erg zo.’

Bedrijvendokters

Jochem probeert door het lezen van de oude correspondentie van zijn voorvaderen Johan Valentijn Sprenger en diens zoon Johan Jacob Sprenger enigszins in hun hoofden te kruipen. In die correspondentie vindt hij vooralsnog geen aanwijzingen voor enige morele dilemma’s over hun ‘nogal onbarmhartige business’.

‘Johan Valentijn was wat je nu een bedrijvendokter zou kunnen noemen, met plantages’, zegt Jochem. ‘Opkopen, saneren en weer door. Dat deed hij natuurlijk niet zelf, daar had-ie weer mensen ter plaatse voor, contacten van Adriaan Spoors vermoedelijk. Maar nergens gaat het in de brieven over de vraag: goh, misschien is dit toch niet helemaal in de haak.’

Adriaan Spoors beschrijft geregeld hoe mooi het is in Essequebo, zegt Jochem. ‘En het gaat een keer over malaria, maar verder blijkt er in de correspondentie geen interesse in het reilen en zeilen van een plantage of hoe het de mensen vergaat die er gedwongen worden te werken.’

De overige documenten die Jochem tot op heden heeft ingezien zijn van zakelijke aard. Aankoop- en verkoopbewijzen van plantages, de vrachtlijsten van de schepen bij vertrek uit Zeeland. In de scheepsjournalen is terug te vinden hoeveel er werd betaald werd voor een mens. Zo werd een Afrikaanse jongen geruild tegen een geweer, 20 pond buskruit, een kist likeurflessen, een lap blauwe textiel en 10 pond tabaksbladeren, met een totale waarde van 42 gulden.

Curaçao fungeerde vanaf de 17de eeuw als belangrijkste slavenmarkt van Midden- en Zuid-Amerika. De meeste schepen die tot slaaf gemaakte Afrikanen vervoerden kwamen daar aan. En het was de schoonvader van Jochems voorvader die daar als veilingmeester de scepter zwaaide. Jochem probeert zich in te beelden wat dat precies inhield. ‘Ik vermoed dat hij met name de administratie deed: hoeveel slaven, voor welke prijs, welk geld mag ik opstrijken? Maar misschien stond hij ook zelf op de veiling om mensen aan te prijzen – dat heb ik nog niet kunnen ontdekken. Ik denk dat hij vooral spreadsheets bijhield: als er te veel slaven tegelijk op de markt kwamen, daalde de prijs natuurlijk. Hij maakte de planning.’

Als een plantage verlies draaide en de eigenaar zijn schuld niet meer kon betalen, kwam zo’n plantage in het bezit van Spoors & Sprenger, ontdekte Jochem. ‘Vaak verkochten ze die binnen een paar jaar weer door.’ Dan, na een korte denkpauze: ‘Ik krijg al pijn in mijn buik als ik bedenk hoe een dergelijke efficiencyslag er in die tijd moet hebben uitgezien, wat dat betekende voor de mensen die daar moesten werken.’

Zeeuwse notabelen

‘Potsierlijk rijk’ werden zijn voorouders niet van hun slavenhandel, zegt Jochem. ‘Integendeel, Johan Valentijn heeft zelfs uitstel van betaling moeten aanvragen voor de firma Spoors & Sprenger. En een van zijn nazaten heeft de taak gehad de Middelburgsche Commercie Compagnie te liquideren. Ze verdienden hun geld voornamelijk door de baantjes die zij verkregen binnen het bestuur van Zeeland.’ Maar het groepje Zeeuwse notabelen hield het geld dát verdiend werd wel goed bij elkaar, door onderling te huwen en baantjes te rouleren.

Dat zijn familie een beetje anders is dan andere families, realiseert Jochem zich al jong. Het woord patriciër kent hij dan nog niet, maar hij ziet wel dat de meeste van zijn klas- en buurtgenoten in Rotterdam, waar hij opgroeit, geen landgoed in de familie hebben, geen overgrootmoeder met tafelzilver, geen zegelringen en ook geen familiewapen.

De zoektocht naar het familieverleden gaat voor Jochem hand in hand met het onderzoeken van zijn privileges. Zelf staat hij er net een generatie te ver van af om echt te zijn grootgebracht met ‘de code’, zoals hij het noemt: de geschreven en vooral ongeschreven regels die van generatie op generatie worden doorgegeven. Jochem: ‘Zorgen dat je op stand blijft, onderling trouwen, maar ook: noblesse oblige en daar vooral niet over praten.’

Het is de generatie van zijn opa en oma die breekt met dit voorname, maar ook beknellende Zeeuwse verleden. Deels bewust, maar ook vanwege de Tweede Wereldoorlog, die in de woorden van Jochem ‘nogal een streep trok door zaken die nu eenmaal gingen zoals ze gingen’.

Tante Elly herinnert zich nog het kinderbal in het Badpaviljoen in Domburg, georganiseerd door haar tante die dan een ‘tafzijden japon’ droeg, waar zij gekleed in een smokjurkje mocht dansen in de tuin. Daar kwamen dan alle kleinkinderen van de Walcherse patriciërs en adel bijeen. ‘Zodat ze later onderling zouden trouwen. Maar dat gebeurde toen al niet meer, hoor’, zegt Jochem. ‘Dat was op het eiland wel heel lang gedaan en daardoor had je relatief veel inteelt en doodgeboren kinderen.’

‘Mijn grootouders en hun kinderen, dus mijn tante Elly en mijn vader, leefden na de oorlog in een wereld waarin de status van het patriciaat al was afgebroken, sterker nog: ze waren er bij mijn weten wars van, zetten zich ertegen af. Als het over mijn opa ging, werd er altijd gezegd: die is geëmigreerd. Dan bedoelden ze dat hij Walcheren had verlaten en naar Brabant was vertrokken.’

Zijn eigen privileges ervoer Jochem vaak als keurslijf, als een druk. Zo voelde het voor hem bijvoorbeeld ‘bijna als een verplichting’ dat hij naar een categoraal gymnasium zou gaan. ‘Ik had het gevoel dat ik niet anders kon.’ Jochem kon prima leren, maar het tempo op het zelfstandige gymnasium lag voor hem toch wat hoog. Jochem stapte over naar een scholengemeenschap met ‘een gewoon vwo’. Daarover zegt hij: ‘Ik denk dat dat de eerste keer was dat ik afweek van de vooraf uitgestippelde route.’

Om daarna weer keurig terug te keren. Want natúúrlijk ging hij studeren, net als zijn twee jongere broers, en natúúrlijk gingen ze bij het corps. ‘Ik mocht bij elke vereniging, maar koos het corps, waarop mijn moeder zei: zoals ik had verwacht.’ Jochem studeerde in Utrecht, de stad waar zowel zijn vader als oma studeerde. Hij zat bij hetzelfde studentencorps waar eerder zijn vader lid was.

Hij vraagt zich af hoe hij het zelf zal aanpakken met zijn kinderen, die nu nog klein zijn. Jochem denkt na. ‘Ik zeg tegen hen: mbo is ook goed, je kunt ook bakker worden, maar stiekem vraag ik me dan af: vind ik dit nou echt? Het zit zó in mij.’

Schuld

Onder een zoektocht als die van Jochem naar het problematische verleden van je voorouders hangen tal van subvragen: kun je een erfzonde aflossen? Is er überhaupt sprake van zoiets als een erfzonde? Hoe verhoud je je tot historisch daderschap? Hoe geef je rekenschap? En heb ik eigenlijk last van een schuldgevoel?

Tante Elly sprak de afgelopen twee jaar geregeld met vriendinnen over haar voorvaderen die geld verdienden met de slavenhandel. ‘Goh, dan schaam je je zeker wel?’, vroegen die soms. Ze schudt haar hoofd. Nee, ze schaamt zich niet.

Wel zit ze regelmatig te rillen achter haar computer over ‘alle narigheid’. Met ontstelde blik leest ze een passage voor die ze op haar telefoon heeft bewaard, uit het dagboek van de chirurgijn die meereisde op de Eenigheid, een van de slavenschepen in het bezit van de Middelburgsche Commercie Compagnie, waarvan de voorouders van Jochem en Elly bestuurders waren. De arts beschrijft een ‘vrouslaaf’ die onderweg sterk vermagert en ‘altoos scheen te treuren’. De vrouw is verkocht zonder haar kind, denkt de arts, ze mist haar kind. Hij probeert haar te ‘genezen’ met ‘antihijstrica’-druppels, maar het mag niet baten. De vrouw overlijdt aan boord op 30 mei 1762, aan ‘melancolij’.

Elly studeerde theologie. Volgens de Bijbel worden zonden verrekend tot aan het derde, vierde geslacht of zelfs zevende geslacht. Maar christelijke verjaring of niet, Elly voelt een andere verantwoordelijkheid: ‘De verantwoordelijkheid om erover te vertellen.’

Jochem is iemand die op een meer gedistantieerde, beschouwende toon over het verleden van zijn voorouders praat. Hij is een goede verteller, die zich bedient van modern bedrijfsjargon: bedrijvendokter, saneren, steady cashflow, efficiencyslag, spreadsheets.

Waar zijn tante zichtbaar gruwelt bij de daden van hun voorouders, lijkt Jochem minder aangedaan. ‘Wat voel ik hierbij? Kijk, ik vind het moreel verwerpelijk, dus ik ben vooral nieuwsgierig naar hoe het is gegaan, hoe gesprekken zijn gevoerd en brieven zijn geschreven – hoe het was. En of ze dan echt geen ethische bezwaren hadden.’

Ook hij vindt dat hij de morele taak heeft om ‘het verhaal te vertellen’. Maar op de vraag of hij ook iets zou willen ‘goedmaken’ of ‘herstellen’, zoals Duin zegt in haar podcast, schudt hij zijn hoofd. Met een armgebaar over de documenten die verspreid op tafel liggen, zegt hij: ‘Dit is zo groot, dit is niet te herstellen. Mijn voorouders zaten hier zo diep in... Ik zou niet weten waar ik moet beginnen. Stel dat er nog geld zou zijn, dan zouden we dat aan een goed doel kunnen geven. Maar er is geen kapitaal meer, dus dat klinkt eigenlijk heel gratuit. Ik zou namelijk werkelijk niet weten wat een faire genoegdoening is.’

Om te voorkomen dat mensen dit verhaal vergeten, bezint Jochem zich op tastbare en duurzame bewijzen van het pijnlijke familieverleden. Hij denkt bijvoorbeeld aan informatiebordjes bij de huizen waar de opdrachtgevers van de slavernij hebben gewoond. ‘Zodat toevallige passanten zien hoe diepgeworteld de Nederlandse rol hierin is geweest.’

Het verleden blootleggen

Jochem Sprenger en Maartje Duin zijn generatiegenoten die besloten het zoeklicht ter hand te nemen en ervoor kozen hun ‘schaamtevolle’ familieverleden bloot te leggen. Bij hen allebei was het slavernijverhaal uit het collectieve familiegeheugen verdwenen. En de kloof tussen zij die er actief bij betrokken waren en de nu speurende nazaten is veelzeggend. ‘Vergeten’ is een keuze, zegt publicist Stephan Sanders in de podcast van Duin. ‘Onverschilligheid kan ook een wapen zijn hè, het niet willen weten van de dingen.’ Sanders noemt het ‘zelfs een vorm van bedrog’.

Net als in de Nederlandse samenleving zijn er ook in de familie van Jochem en Elly mensen die zaken als door burgemeesters of andere gezagsdragers uitgesproken excuses, herdenkingen of monumenten maar ‘onzin’ vinden. Het bevragen van herkomst en privileges doet niet iedereen in zijn familie ‘even intensief’, zegt Jochem na enig aandringen.

Het is de eerste keer dat Jochem om woorden verlegen zit. ‘Kijk, anders dan de nazaten van tot slaaf gemaakte mensen word ik niet dagelijks geconfronteerd met mijn afkomst, en mijn kinderen ook niet. Wij moeten bewust op zoek blijven. Het idee dat er over tien jaar weer iemand in de familie komt met een opmerking als: goh, wisten jullie dat we vroeger in de slavenhandel zaten?’

Jochem schudt zijn hoofd. ‘Dat wil ik dus niet. En het raakt me ook dat er ontzettend veel Nederlanders zijn die hun schouders erover ophalen.’

Jochem hoopt dat hij een deel van de mensen die vinden dat het allemaal wel meevalt met zaken als ongelijkheid of racisme kan aanspreken. ‘Dit is dan toevallig mijn familiegeschiedenis, maar het had ook jouw geschiedenis kunnen zijn. Er gebeurde daar heel veel, maar dat werd hier besloten, hier zat men aan de knoppen en hier werd het geld bijeengebracht.’

Hij vindt eigenlijk dat de omvang van de slavenhandel, en wat dat voor Nederland heeft betekend, buiten academische kring en die van de nazaten van de slachtoffers nog ‘te onzichtbaar is’. ‘Hoe krijg je de mensen mee, hoe komen we af van die neiging tot bagatelliseren?’ Daarom vindt hij het belangrijk om het ‘in die tijd was het heel normaal’-argument onderuit te halen. ‘Het is altijd een keuze.’

Dat is in ieder geval wel wat hij tegen zijn kinderen zal zeggen als hij over hun overoveroverbetopa gaat vertellen. ‘Dat slavernij niet een soort natuurlijk verschijnsel was, dat het niet vanzelf ging, maar dat het mensen waren die actief iets vreselijks deden.’

Met dank aan

Dit verhaal is mede tot stand gekomen met hulp van Rien Sprenger, oudoom van Jochem. Dank is verschuldigd aan Maartje Duin en Peggy Bouva van de podcast De plantage van onze voorouders, stichting Tout Lui Faut, het Zeeuws Archief en de makers van de serie Het zwarte verleden van Zeeland van Omroep Zeeland.

Workshops van het Nationaal Archief en de Volkskrant

Benieuwd naar uw voorouders in Suriname of op de Antillen? Of bent u al bezig met onderzoek en loopt u vast?Meld u dan aan voor een van de workshopdagen van het Nationaal Archief en de Volkskrant op 14, 21 en 28 mei. Op deze dagen krijgt u workshops van (stamboom)onderzoekers en gaat u zelf aan de slag met uw familieonderzoek. Voor meer informatie: www.nationaalarchief.nl/workshop.

Meer over