interviewpsychiater Glenn Helberg

‘Dit is mijn boodschap, het leven: je ervaart iets, gaat erdoorheen en daarna ben je in orde’

Glenn Helberg. Beeld Eva Roefs
Glenn Helberg.Beeld Eva Roefs

Als psychiater Glenn Helberg (66) één ding leerde in zijn carrière, dan is het wel dat de westerse gedachten over neutraliteit en objectiviteit ‘het raam uit kunnen’. Daartegenover zette hij, succesvol, de transculturele therapie.

De werkelijkheid is een kwestie van interpretatie, aldus psychiater Glenn Helberg. Na een wat stroef gesprek over racisme met presentator Janine Abbring concludeert hij tijdens zijn optreden als Zomergast in 2017 allerbeminnelijkst: ‘Janine, wat voor jou een negen lijkt, kan voor mij een zes zijn.’

Het typeert Helberg (66). Immer voorkomend, welbespraakt en zorgvuldig formulerend. Maar ook: onverzettelijk. Of het nu gaat om lhbti’ers, migranten, Nederlanders van kleur, zwarte vaders, gay vaders of zijn patiënten: Helberg zet zich in voor hun positie in de maatschappij. ‘Ik geloof in het recht op zelfverwezenlijking voor ieder mens, jezelf kunnen en mogen zijn. Afwijken van de norm kan niet zonder strijd.’

Die ‘strijd’ bereikte ook zijn praktijk als psychiater: zijn spreekkamer is bewust ‘allesbehalve neutraal’ ingericht. Tijdens zijn opleiding in de jaren zeventig leerde Helberg – steevast de enige zwarte en homoseksuele arts in de kamer – dat hij moest streven naar ‘neutraliteit’. ‘De patiënt diende niets over ons te weten, dan pas zou hij vrij kunnen associëren’, zegt de psychiater met de blik van iemand die zojuist een bijzonder onaangename geur heeft geroken.

Over die ‘vermeende neutraliteit’ kon en kan hij zich flink opwinden. Want werkelijk niets aan zijn geliefde vakgebied was objectief of waardenvrij. ‘We hebben het over een tijd waarin werd gedacht dat zwarte mensen vanwege hun mindere denkvermorgen geen depressie konden ontwikkelen.’

Korte stilte, weer zo’n blik. Dan, met een knikje van zijn hoofd: ‘Dus ik besloot: het raam uit met jullie neutraliteit.’

En dus staan de koffiekopjes op Surinaamse onderzetters, wandel je bij binnenkomst tot aan de sofa langs Afrikaanse kralenkettingen, voorwerpen die bij sjamanistische rituelen in de Cariben worden gebruikt (veren, een kalebas, schelpen), een joodse kandelaar, foto’s van boeddhistische monniken en een boekenkast die vertelt dat de psychiater van dienst zich heeft verdiept in meer dan louter wetenschappelijke literatuur.

Helberg houdt van symboliek: zijn kennis haalt hij waar ook zijn genen vandaan komen: uit alle windstreken.

De op Curaçao geboren en getogen Helberg is kind van Surinaamse ouders (met inheemse, Afrikaanse, Europese en Aziatische voorouders). Moeder was kleuterjuf, vader werkte als lasser bij Shell. Op zijn 17de vertrok Helberg voor de studie geneeskunde naar ‘het moederland’, zoals Nederland in de overzeese gebiedsdelen heette, waar hij tot op heden woont.

De psychiater in ruste serveert een Antilliaanse klassieker: bolo pretu, een tamelijk massief alcohol- en vruchtentaartje. Sinds vorig jaar is hij officieel met pensioen, officieus biedt hij nog altijd hulp als mensen hem benaderen. Zijn gang naar de keuken in zijn direct naast de praktijk gelegen woning aan een kade in Amsterdam gaat op bescheiden tempo, vanwege een kapotte knie. Buiten loopt hij met wandelstok. Assistentie wimpelt hij af. Opgewekt: ‘Ik moet mijn stappen halen.’

Bijna veertig jaar werkte Helberg als kinder- en jeugdpsychiater, bij diverse instellingen en in zijn eigen praktijk. Als uitvloeisel van zijn pleidooi voor een scherper oog voor patiënten met een andere culturele achtergrond richtte hij een expertisecentrum op voor transculturele therapie.

Over die noodzaak én over zijn credo ‘ik ben, omdat wij zijn’ (de kern van ubuntu, een humanistische filosofie uit het zuiden van Afrika) schreef hij met ontwikkelingssocioloog en schrijver Irene Zwaan Als ik luister. Hij breekt daarin een lans voor medemenselijkheid en verbinding met de mensen om je heen, maar ook met ‘alles wat in jezelf leeft’. Want, zegt Helberg, kalm en kaarsrecht gezeten, de benen over elkaar geslagen, ‘de mens is fundamenteel relationeel’.

Glenn Helberg en Irene Zwaan: Als ik luister – Persoonlijke reflecties over de complexiteit en diversiteit van ons bestaan. Nijgh & Van Ditmar; 272 pagina; € 22,50.

Glenn Helberg Beeld Eva Roefs
Glenn HelbergBeeld Eva Roefs

U draagt uw boek op aan uw ‘vader in de psychiatrie’, de inmiddels overleden Antilliaanse arts Percy Werners. Waarom heeft hij een belangrijk invloed op u gehad?

‘Hij leerde me dat iedere patiënt ‘anders’ ziek is, dat de culturele context een belangrijke rol speelt. Witte artsen op Curaçao begrepen bijvoorbeeld niet dat een depressief persoon nog kon lachen of dansen. Dat een Antilliaan altijd gedoucht en op zijn paasbest naar de dokter gaat en daar zijn beste beentje voorzet.

‘Hij leerde me verder te kijken dan de lijst met symptomen, dan dat wat de westerse psychiatrie beschreef. Betrek, als de persoon zelf geen antwoorden geeft, zijn omgeving erbij. Vraag de partner wat er anders is in het gedrag. Zo leerde ik, naast het observeren van de patiënt zelf, het hele leven van de patiënt langs te gaan, samen met de familie.’

U geeft in uw boek het voorbeeld van een vrouw met een psychose die het hoofd van een familielid meent waar te nemen in een kei voor haar raam. Een paar dagen later blijkt haar zus plotseling overleden te zijn. Toeval, zeiden uw Nederlandse collega’s.

‘Vanwege de grote angst van de vrouw werd er gesproken over het aanpassen van de medicatie. Ik liet de steen weghalen. Na het overlijden van haar zus voerde ik een gesprek met haar waarin ik haar ‘weten’ bevestigde, ik gaf ruimte aan haar verdriet en verhaal, en toonde mededogen. Dokter Werners leerde me dat psychiatrie zo veel meer is dan medicatie. Dat je dus niet alleen moet noteren: ‘mevrouw hallucineert’. Je moet de wanen deconstrueren, proberen te begrijpen. Een waan bevat veel informatie over de patiënt, over context. Wat is belangrijk voor deze persoon? Waar komt hij vandaan? Wie waren de opvoeders? Dat was in die tijd in Nederland revolutionair.’

U kreeg als psychiater diverse labels binnen uw beroepsgroep: te emotioneel, exotisch, alternatief.

Met frons: ‘O, denken ze er zo over, dacht ik als ik het vernam. Ik deed wat ik dacht dat de patiënt nodig had. Medicijnen zijn al geprobeerd, ik krijg die klacht niet weg, misschien hebben we acupunctuur nodig. Er kwam eens een mevrouw binnen die naar een helderziende wilde. ‘Dokter, dat vindt u vast vreemd.’ ‘Nee hoor’, zei ik, ‘ga en vertel mij erover.’ Het ging mij om de relatie tussen mij als arts en de patiënt. Dan kom ik niet met een oordeel of uitroep over kwakzalverij.’

U beschrijft in uw boek dat uw vermogen om buiten de wetenschappelijke paden te treden te maken heeft met waar u vandaan komt. Dat het voor u als kind heel normaal was wanneer uw moeder voorspelde dat er iets akeligs stond te gebeuren als er een schilderij van de muur viel. Dat niemand zei: ‘Het haakje zat gewoon los.’

‘In het geval van het schilderij kregen we een paar uur later het bericht dat een tante was overleden. Dat bevroeg je niet, dat was gewoon zo. Pas later in mijn leven kwam ik mensen tegen die zeiden dat zoiets niet kan.’

U begint uw boek met uw geboorte in 1955. Het was een moeizame bevalling. Uw moeder bleek niet één, maar drie ‘grote objecten’ in haar buik te hebben.

‘Het verhaal gaat dat mijn mama zo ongelooflijk schreeuwde dat het medisch team zei dat ze hysterisch was. Ze heeft helse pijnen doorstaan. Achteraf bleek dat ze naast mij twee tumoren in haar buik had, niercysten. Je nieren zijn normaal zo groot als een vuist, die van haar waren vijf keer zo groot. De cysten maken de nieren kapot. Ik heb dezelfde ziekte, maar ik heb een niertransplantatie gehad.

‘Mijn moeder overleed toen ik 13 was. Ze was niet bang om dood te gaan. Ze wist dat ze niet oud zou worden met haar ziekte en bereidde ons voor op haar dood. Ze werkte keihard, pas in de vakanties viel ze om. Desondanks herinner ik me een blije jeugd, er was vaak muziek, we dansten in de woonkamer. Ik was het nakomertje, mijn broers zijn 6 en 8 jaar ouder. In veel van mijn jeugdherinneringen ben ik alleen met mijn ouders, we waren een drie-eenheid. Mijn ouders wikkelden mij in liefde.’

Hoe herinnert u zich haar sterven?

‘Ik herinner me de laatste reis naar het ziekenhuis, ik zat achter in de auto, mijn ouders voorin. Mijn moeder zei: ‘Ik ga naar huis.’ Waarop mijn vader zei: ‘Natuurlijk kom je weer thuis.’ Maar ze zei: ‘Nee, ik gá naar huis.’ Ze wist dat ze dood zou gaan.

‘Een paar dagen later was het Koninginnedag, ik was bij mijn tante Friede toen een ander familielid me kwam halen: ‘Je moet naar het ziekenhuis.’ Ik moest meteen huilen. In het ziekenhuis hebben we tot de volgende ochtend bij mijn moeder gezeten, mijn broers, mijn vader en ik, terwijl ze langzaam overleed. Ik herinner me de enorme stilte in de kamer. Het was verdrietig, maar we hadden het niet beter kunnen doen.’

null Beeld Eva Roefs
Beeld Eva Roefs

U was een moederskindje, schrijft u. Hoe was het na haar dood?

‘Ik heb me wel in de steek gelaten gevoeld. Dat gevoel kan ik nog ervaren. Verdriet zit opgeslagen in je lichaam. Rouw gaat niet in één keer. Het zijn steeds laagjes die je los moet laten. Ik hoorde net weer die stilte, was even op dat moment, dat zit allemaal in mijn lichaam verborgen. Daarom is de boodschap in mijn boek ook: je kunt lichaam en geest niet scheiden, of verstand en gevoel.’

Een paar jaar later vertrok u naar Nederland, om uw moeders droom waar te maken: arts worden. Hoe vond u het in Nederland?

‘Koud.’ Lachend: ‘Terwijl het augustus was.’ Dan ernstiger: ‘Wij op Curaçao leerden op subtiele wijze: het werkelijke leven vindt elders plaats. Het onderwijs was volledig gericht op Nederland. Wij leerden over sneeuw, puntdaken, veengrond en de hoofdsteden van de provincies, zaken die we niet in onze omgeving zagen. Dat wat we wel zagen, het Afrikaanse, de muziek, de lichamelijkheid, de rituelen, daar leerden we op school niets over, alsof het niet bestond.

‘Als kind had ik het beeld: je gaat studeren in Nederland en dan kom je terug met een witte vrouw aan je arm en heb je het gemaakt. Toen ik hier kwam, zag ik een samenleving waarin de witte man zelf zijn tuin aan het schoffelen was. Bij ons deden zwarte mensen dat. Zo werd het eerste zaadje van mijn gelijkwaardigheid geplant.

‘Tegelijkertijd bejegenden mensen me vreemd, als een exotische diersoort. Wonen jullie in bomen? Waarom kun jij piano spelen? Mijn haar aanraken, vragen of de kleur eraf kan. Altijd weer moeten uitleggen: wij zijn hier omdat jullie daar waren.

‘Een nicht die hier studeerde, wist iets in me te veranderen. Ze zei: ‘Glenn, je hoeft geen last te hebben van discriminatie, wij zijn niet afhankelijk van deze mensen.’ Mensen konden wel proberen me klein te maken, maar ik had mijn intelligentie: ik studeerde medicijnen, ik had een beurs van de Antilliaanse overheid en kon mijn eigen kamer huren. Ik was niet afhankelijk van deze samenleving. Ik begon mezelf erin te trainen het buiten mezelf te houden. Ik liet de pijn niet meer binnen komen.’

Kun je dat beslissen? Woorden doen toch gewoon pijn?

‘Dat kost tijd. En oefening. Het gaat niet vanzelf. Het was ook de tijd van het groter wordende zwarte bewustzijn, de burgerrechtenbeweging in de VS, ik las de boeken van James Baldwin, dat gaf kracht. Ik herinner me mijn studietijd vooral als een prachtige tijd. Eindelijk kon ik mijn identiteit op seksueel vlak ontdekken. Zonder de strakke kaders van de bekrompen ideeën over homoseksualiteit of man-zijn van mijn eiland.’

Het was uw broer die aan uw vader vertelde dat u op mannen valt. Waarom deed u dat niet zelf?

‘Ik wilde terugkeren naar Curaçao, mijn studie daar afmaken, maar als mijn vader zou zeggen: ‘Ik verdraag dat niet’, zou ik in Nederland blijven. Dus ik vroeg mijn oudste broer of hij het papa wilde vertellen. Ik wilde mijn vader zonder mijn nabijheid de ruimte geven om het te verwerken. Het is een eiland waar het machismo heerst.

‘Mijn vader heeft vijf dagen niet gegeten en geslapen. Daarna zei hij: ‘Het is mijn zoon, laat hem komen.’

‘Ik vond het indrukwekkend dat mijn vader zijn rouw had doorgemaakt van het beeld dat-ie van mij had en dat hij terug kon komen bij: het is mijn kind. Hij had emoties, ging ermee aan de slag en er kwam een uitkomst. Nou, dat is mijn boek, mijn boodschap, het leven. Je ervaart iets, gaat erdoorheen en daarna ben je in orde.

‘Na mijn aankomst hebben we nog een gesprek gevoerd. Hij wilde begrijpen hoe dat voelt. Wat voel je dan bij een man?’ ‘Hetzelfde als wat jij bij een vrouw voelt, papa.’ Toen zei hij: ‘Breng een goede jongen thuis.’ En dat was dat.’

Gay-vaderschap

Glenn Helberg heeft twee zonen (geboren in 1986 en 1990). In zijn boek noemt hij het gay-vaderschap ‘een bijna politieke daad’. ‘Als klein jongetje wist ik al dat ik later vader wilde zijn. Zodra ik mijn homoseksualiteit kon omarmen dacht ik ook meteen: niemand gaat me zeggen dat je als homo geen kinderen kunt krijgen. Ik kreeg mijn zonen met een lesbisch koppel. We woonden als gezin in een woning, waren een voorbeeldverhaal in de queer gemeenschap, alle bladen wilden langskomen. Maar dat wilden we niet.’

Meer over