100 jaar

Dina Kruijer (100 jaar): ‘Ik ben van de periode dat dames geen betaald werk deden. Vrijwilligerswerk was de enige optie’

Dina Kruijer is evenals de Volkskrant 100 jaar. Hoe kijkt deze geridderde vrijwilliger aan tegen de eeuw die achter haar ligt, en wat vindt zij van het huidige tijdsgewricht?

Marjon Bolwijn
Dina Kruijer: ‘Mijn ouders hadden een boerderijtje met vijf koeien en een geit. De koeienmelk werd verkocht, de geitenmelk dronken we zelf.’ Beeld Aurélie Geurts
Dina Kruijer: ‘Mijn ouders hadden een boerderijtje met vijf koeien en een geit. De koeienmelk werd verkocht, de geitenmelk dronken we zelf.’Beeld Aurélie Geurts

Dina Kruijer is een ‘lichtstraal’ die haar hele leven in een dorp in Oost-Groningen heeft gewoond. Over de armoede van destijds praat ze liever niet. Ze woont nog zelfstandig in een aanleunwoning in Noordbroek, maar zelf koken lukt niet meer. Haar handen verliezen aan kracht. Ze eet met de pot mee in het naastgelegen verzorgingshuis. Het culinaire hoogtepunt van haar week is donderdag, als haar 70-jarige zoon lievelingskostjes komt bereiden, zoals gebakken lever met uien, of bloedworst.

Hoe heeft u zo oud kunnen worden, denkt u?

‘Vaak krijg ik de vraag: wat is uw geheim? Ik probeer zo gezond mogelijk te eten, kijk maar naar mijn volle fruitschaal. Elke ochtend eet ik een banaan en een kiwi, die zijn voedzaam. Je moet je niet ergeren, de dingen nemen zoals ze zijn. Ik hoor vaak dat ik zo vrolijk ben, een lichtstraaltje. Dat is mij door de natuur gegeven. Ik ben heel tevreden met mijn leven, ik had het niet beter kunnen treffen.’

Welke gebeurtenis in uw 100-jarige leven komt het vaakst naar boven?

‘De oorlog in 1940-1945. Dat komt door mijn krant, Het Dagblad van het Noorden, dat volstaat met berichten over Oekraïne. Ik kom uit een gezin met drie broers. Mijn jongere broer Henk werd in 1943 opgepakt, tijdens de ceremonie op zijn huwelijksdag. We waren met een klein gezelschap van alleen familie in een zaaltje van het dorpshuis. Hij had bijna niemand verteld dat hij die dag met Betje ging trouwen. Hij moet toch verraden zijn. De Grüne Polizei kwam binnen en arresteerde hem. Mijn oudste broer riep nog: ‘Neem mij mee, dan kan hij bij zijn vrouw blijven.’ Betje was zwanger. Maar nee, ze moesten Henk hebben, omdat hij niet was teruggekeerd van zijn verlof als dwangarbeider in Duitsland. Hij was ondergedoken. Henk mocht nog even zijn bruid naar huis brengen en is toen meegenomen. Via Kamp Vught werd hij naar Duisburg overgebracht, waar hij omkwam bij een bombardement. Het was april 1945, een maand voor de bevrijding.’

Hoe is het met Betje afgelopen?

‘Ze trouwde snel met een neef van ons, en kreeg een zoon, die noemde ze Henk.’

In wat voor gezin bent u opgegroeid?

‘We woonden in ’t Zandt, een dorp vlak bij de Eemshaven. Mijn ouders hadden een klein boerderijtje met vijf koeien en een geit. De melk van de koe werd verkocht, de geitenmelk dronken we zelf. Mijn vader werkte voor verschillende boeren. Moeder en wij kinderen hielpen vaak mee, zoals geoogste bieten schrapen. Mijn vader en moeder waren altijd aan het werk, ook in huis moest veel meer gebeuren dan nu, want er waren nog geen huishoudelijke apparaten. Kleren werden zelf gemaakt. In mijn tijd werd je als kind niet aangehaald, zoals ouders tegenwoordig wel doen. Ouders gingen anders met hun kinderen om. Er was meer afstand.’

Kreeg u de vrijheid uw eigen pad te kiezen?

‘Mijn broers en ik mochten allevier doorleren. Ik wilde graag verpleegster worden en een opleiding volgen in het Diaconessenhuis in Nijmegen. Maar mijn moeder wilde mij liever thuishouden. Dat begreep ik wel, het was oorlog en mijn oudste broer was ze al kwijt, die diende als soldaat in het leger. Na de lagere school had ik al een paar jaar gewerkt, bij een drogisterij, op een boerderij en ik heb een tijdje gezorgd voor een vrouw die astmatisch was. Toen ik daarmee wilde stoppen, zei mijn moeder dat ik coupeuse moest worden. Ze maakte haar kamertje in huis vrij voor mij om te werken en klanten te ontvangen.’

Heeft u later geprobeerd alsnog uw droombaan te verwezenlijken?

‘Daar kwam het niet meer van. Toen ik na de oorlog met Jelte trouwde, ging ik met hem op een turfschip wonen en werken. We voeren naar het veen in Drenthe om turf op te halen, die we weer terug in de haven van Noordbroek losten. Later kwam de ‘zwarte brand’ erbij, dat waren eierkolen, cokes en antraciet. In het begin bezorgden we de brandstof met paard en wagen bij onze klanten, later met een vrachtwagen. Onze twee kinderen zijn geboren op het turfschip. In 1970 kwam het gas en moesten we stoppen met onze handel. We woonden inmiddels al in een huis aan de wal, precies op de plek van deze aanleunwoning. In de stoel waar ik nu in zit, was onze voorkamer. Gelukkig konden we uitgekocht worden door de overheid en kregen we een maandelijkse uitkering. Dat was niet genoeg om van te leven, dus deden we er klussen bij boeren bij, en later het beheer van een zeilvereniging.’

Familiefoto van Dina Kruijer met haar man Jelte (voorste rij) en hun dochter en zoon (boven midden), geflankeerd door hun echtgenoten. Beeld Aurélie Geurts
Familiefoto van Dina Kruijer met haar man Jelte (voorste rij) en hun dochter en zoon (boven midden), geflankeerd door hun echtgenoten.Beeld Aurélie Geurts

U heeft altijd in een dorp gewoond. Hoe heeft u het dorpsleven zien veranderen?

‘De zandpaden zijn straten van asfalt geworden. De arbeidershuisjes zijn vervangen door mooie, grotere woningen. Over de armoede van toen praat ik liever niet. Er is ook achteruitgang, want wat verdwenen is, is de burenplicht. Buren trokken vroeger veel met elkaar op, dronken samen koffie en kletsten buiten op straat. De mensen waren na het werk altijd thuis, dus voor gezelschap trok je naar je buren toe. Nu heeft bijna iedereen een auto en gaat eropuit. De buren kennen ze soms amper. Kinderen speelden veel buiten, met een bal, een hoepel en knikkers. Van buitenspelen word je zelfstandig en sociaal. Nu zitten kinderen veel binnen, en zijn in de weer met apparaten. Ik gun ze hun telefoontjes, maar ook dat ze meer buiten zijn.’

Na een paar uur honderduit vertellen in haar Groningse tongval, pakt Dina Kruijer een blauw koffertje met zilverkleurige spansluitingen, dat al die tijd op de rollator naast haar lag te wachten op aandacht. Ze klikt het deksel open en toont een fonkelende onderscheiding: ‘Ik ben geridderd voor ruim dertig jaar vrijwilligerswerk.’ In de koffer ligt ook een lijst met meer dan twintig uiteenlopende onbezoldigde functies die ze heeft bekleed: oprichter van de korfbalvereniging, lid van de kerkeraad, president van de vrouwenvereniging in Zuidbroek en Noordbroek, regisseur van de kinderoperette, beheerder van het dorpshuis, en ook gaf ze ehbo-cursussen op basisscholen.

Haar zoon Jelte, die op afstand meeluistert, herinnert zich uit zijn jeugd dat er ‘elke avond’ een vergadering was in huis.

Dina: ‘Dan werd in het dorp een gymnastiekvereniging opgericht en ging ik uit nieuwsgierigheid naar de eerste vergadering. ‘Als je maar niet thuiskomt met weer een bestuursfunctie’, zei mijn man voor vertrek. Dat was mijn bedoeling ook niet, maar aan het slot van de avond was ik de voorzitter, haha. Mijn man was geduldig en vond het uiteindelijk altijd goed.’

Het is nu moeilijk om vrijwilligers te vinden, hoe komt dat denkt u?

‘Veel vrouwen hebben een betaalde baan. En mensen houden zich tegenwoordig met andere dingen bezig, hebben andere belangen. Toen ik stopte met de knutselclub, was er een meneer die het wel van mij wilde overnemen, maar alleen tegen betaling. En dat lukte hem. Ik heb nooit één cent gekregen voor al mijn vrijwilligerswerk.’

Had u niet liever een betaalde baan gewild, met uw organisatorische talent?

‘Ik ben van de periode dat dames geen betaald werk deden. Jongelui van tegenwoordig leren allemaal door. In mijn tijd konden de meeste meisjes dat niet. Vrijwilligerswerk was de enige optie en dat heb ik altijd met veel plezier gedaan. In het dorp zagen ze mijn inzet en dan dacht de volgende organisatie: dat gaat wel leuk met dat mens, laten we haar ook eens vragen. En zo rolde ik van het een in het ander.’

Is er iets waarvan u achteraf denkt: dat had ik anders moeten doen?

‘Toen mijn man in 1998 stierf, besloot ik voor mezelf te kiezen en een punt te zetten achter het verenigingsleven. Ik wilde graag bridgen en stopte daarom als president van de twee vrouwenverenigingen. Ik dacht: een ander neemt mijn taken wel over. Achteraf vraag ik mij af: had ik dat wel moeten doen? De ene vereniging werd opgeheven omdat niemand het stokje wilde overnemen en de andere kwam al gauw in moeilijkheden omdat mijn opvolger er na een half jaar mee stopte, ze vond het te veel werk. Dus ergens heb ik wel spijt van die bridgeclub, maar ja, ik had mij al twintig jaar ingezet voor deze verenigingen. Wat ben ik voor een mens dat ik zoiets wel kan en een ander niet?’

En, wat bent u voor mens?

‘Een organisator die goed met mensen kan omgaan, en volhoudt.’

Er komt nog een herinnering naar boven, aan een moment 24 jaar geleden dat ze tot op de dag van vandaag zou willen terugdraaien. ‘Mijn man lag in het ziekenhuis. Het bezoekuur was om en ik wilde opstappen. ‘Je gaat toch niet weg hè’, vroeg hij. Goed, ik blijf nog een halfuurtje, antwoordde ik. Om half 9 vertrok ik en zei: ‘Morgenvroeg ben ik er weer.’ Die avond om 11 uur kreeg ik een telefoontje: mijn man was overleden. Ik voel nog spijt dat ik die avond niet bij hem ben gebleven, dan had hij niet alleen hoeven sterven.’

Hoe bent u met tegenslagen omgegaan?

‘Door rustig te blijven. Ook tegenslagen horen erbij. Momenteel verbaas ik mij erover dat ik zo vaak iets uit mijn handen laat vallen. Dan pak ik het weer op, en dat valt het weer. Ik word dan niet boos op mezelf, maar buk opnieuw om het ding op te rapen.’

Dina Kruijer

Geboren: 14 juli 1921 in ’t Zandt

Woont: zelfstandig, in Noordbroek

Familie: twee kinderen, vier kleinkinderen, zeven achterkleinkinderen

Weduwe: sinds 1998

Meer over