Deskundigen vinden langdurige ondertoezichtstelling niet wenselijk 'Kind moet weten wie opvoeders zijn'

Vrijwel vanaf zijn geboorte woont Fred in een pleeggezin. Als hij twee is, duikt zijn moeder weer op en wil hem terug....

Van onze verslaggeefster

AMSTERDAM

De hulpverlening is er tot dan toe op gericht geweest Fred in het pleeggezin te laten opgroeien tot hij volwassen is. Maar de rechter beslist dat de contacten tussen moeder en Fred uitgebreid moeten worden, zodat overgang naar het gezin van de moeder mogelijk wordt.

'Een langdurige ondertoezichtstelling is niet in het belang van een kind', meent C. van de Weg-Muller, werkzaam bij de Voorziening voor Pleegzorg Friesland. Van de Weg sprak onlangs op een studiedag over ondertoezichtstelling, waar door verschillende hulpverleners en juristen werd gepleit voor een korter durende ots. Het voorbeeld van Fred moet deze mening illustreren.

Ots is een maatregel van de kinderbescherming die het meest wordt gebruikt: ruim 17 duizend kinderen stonden vorig jaar onder ots, tegenover nog geen tweeduizend kinderen wier ouders uit de ouderlijke macht waren gezet. Eenvijfde van de ots-kinderen woont in een pleeggezin en bij de helft duurt de ots twee tot tien jaar.

Bij die langdurige gevallen wordt ieder jaar eerst geprobeerd of het kind weer thuis kan komen wonen. Is dat niet het geval, dan vraagt de gezinsvoogd om verlenging van ots en spreekt hij van een 'perspectief gevende' plaatsing in het pleeggezin: het kind kan daar opgroeien.

In het verleden werd dan ontheffing van ouderlijk gezag gevraagd. Maar de Hoge Raad heeft de laatste tien jaar in een aantal uitspraken duidelijk gemaakt dat het beter is voor een kind als de ouders het gezag houden, mits zij zich neerleggen bij uithuisplaatsing. Het voelt voor een kind altijd beter als het met instemming van zijn ouders elders woont.

Probleem is echter dat slechts weinig ouders spontaan instemmen met uithuisplaatsing. Het is eerder omgekeerd: ouders gaan akkoord omdat ze dan het gezag kunnen houden. Want ouders die zich verzetten, worden ontheven van hun ouderschap. Na een paar jaar gaan veel ouders toch aan hun kind trekken, wat bij kind en pleegouders vaak veel onrust teweegbrengt.

Want zekerheid dat het kind bij de pleegouders blijft, biedt ots niet. De gezinsvoogd kan wel jaarlijks in zijn rapport schrijven: Fred blijft tot volwassenheid in het pleeggezin. En de rechter kan de ots ieder jaar verlengen, maar soms zit er ineens een andere rechter. Of de gezinsvoogd vertrekt en zijn collega heeft een andere visie. Of de advocaat van de moeder ziet nieuwe kansen.

Voor het kind, het pleeggezin en de ouders kan de onzekerheid tot in lengte van jaren voortduren. Veel hulpverleners en juristen vinden dat dat anders moet. Als duidelijk is dat de plaatsing blijvend is, moet de ouder het gezag worden ontnomen. Dan komt er meer zekerheid en kunnen kind en pleegouders zich beter aan elkaar hechten.

Pedagoge E. Singer pleitte al eerder voor 'bestaanszekerheid' van het pleegkind. Een kind moet weten wie zijn opvoeders zijn, wie voor hem zorgen, wie naar hem luisteren, voor hem opkomen en wie hem helpen bij het volwassen worden. Zolang de ots blijft voortbestaan, ligt het gezag bij een instantie en hebben pleegouders geen enkele zeggenschap.

Volgens A. Veldkamp van het Landelijk Bureau van de Kinderbescherming is het huidige beleid vooral in belang van de ouders en niet van het kind. Ouders die niet tegenwerken, worden beloond met behoud van ouderlijk gezag. Volgens Veldkamp is dat het gevolg van verouderde wettelijke gronden voor ontheffing en ontzetting.

Die vragen om diskwalificatie van de ouders. Er moet worden aangetoond dat ze tekortschieten. Dat is niet meer van deze tijd, vindt Veldkamp. Ouders die het niet aankunnen, zijn geen ontaarde wezens, maar hebben hulp nodig. Hulpverleners kunnen zich beter richten op samenwerking met de ouders. De kinderbescherming moet draaien om wat het kind tekortkomt, vindt Veldkamp, niet om wat de ouders verkeerd doen.

Meer over