De vrome leugens van de Hollandse hulp

Debat Internationale solidariteit is opgeslokt door de charimarkt, de strijd om het donorgeld door hulporganisaties en Bekende Nederlanders. Voor de geëngageerde clubs en activisten is dat om gek van te worden, vindt Theo Ruyter....

Op de dag dat mijn minderjarige zoon door een koppelbaas naar ’t Gooi was gebracht om daar, huis aan huis gaande, rijke mensen het lidmaatschap van de Novib aan te smeren voor een dagloon van 12,50 euro, sloegen bij mij de stoppen door. Het boegbeeld van een ooit zo trotse sociale beweging, die internationale solidariteit op de politieke agenda zette, is opgeslokt door de charimarkt, waar goededoelenhandelaren elkaar beconcurreren om een zo groot mogelijk deel van de nationale welvaart af te romen.

De Goede Doelen Winkel in de naaste omgeving van het zenuwcentrum van de Haagse politiek was me niet ontgaan en tijdens het Dunya-festival eind mei in Rotterdam had ik ook de vrachtwagen van die winkel mogen bewonderen, waarmee de parafernalia van vooral grote handelaren het hele land kunnen bereiken. Maar dat er simpele, door allerlei bonussen en padvinderijpraktijken verhulde, kinderarbeid aan te pas kwam, was nog niet tot me doorgedrongen.

Is dit de bekroning van het werk van de reclamejongens, die zich – in de jaren zeventig, zo omstreeks de tijd dat het kabinet-Den Uyl ten onder ging – warm liepen in de Haagse Amaliastraat om zonder slag of stoot de Novib naar hun hand te zetten?

‘Vroeger hoorde je nog wel eens dat ontwikkelingshulp structureel moest zijn en niet ad hoc’, schreef een columnist afgelopen zomer in de Volkskrant naar aanleiding van het bericht dat onze kroonprins zich met zijn gezin had geschaard onder de rijken der aarde die in Mozambique hun eigentijdse Rivièra gevonden hebben.

Inderdaad, ’t kan verkeren, de wereld draait door, je kunt de klok niet terugdraaien... Maar het aanroepen van de tijdgeest is al te gemakkelijk, flauw en uiteindelijk altijd onbevredigend. Wel lijkt het tijd om wonden te likken, dingen te begrijpen en te aanvaarden, uit te huilen en opnieuw te beginnen. Hoe kon het zo ver komen? Hoe kon iets dat mooi leek en vol beloften was zo ontsporen en zelfs ontaarden?

Menselijke hoogmoed

Menselijke hoogmoed
Als je de ontwikkelingshulp als hedendaags sociaal en politiek verschijnsel zou afpellen en uitbenen, zou je tot de conclusie kunnen komen dat het gaat om de zoveelste oefening in menselijke hoogmoed. We dachten weer eens dat we over onze eigen schaduw heen konden springen. We hadden het in die jaren zeventig over een nieuwe internationale economische orde en dat sloeg vooral op ons voornemen een werkelijk gelijkwaardige plaats onder onze zon in te ruimen voor de in een recent verleden ‘onafhankelijk’ verklaarde kolonies en andere landen die zich in materieel opzicht niet met ons konden meten. Maar we hadden weer eens buiten de waard gerekend en die waard waren we zelf.

Menselijke hoogmoed
Solidariteit met naamloze mensen aan het andere eind van de wereld druist in tegen de aard van de mens, zeggen sommige wetenschappers al sinds jaar en dag. Dat hebben we ook in dit geval geweten, voor zover we dat – collectief gezien – tenminste hebben willen weten. Want daar wringt tot op de dag van vandaag de schoen: we schatten onszelf in ethisch opzicht graag hoger in dan ons handelen in de praktijk rechtvaardigt en weigeren de beperkingen van onze met de mond beleden solidariteit te erkennen.

Menselijke hoogmoed
De geschiedenis van de ontwikkelingshulp vertoont van het begin af aan een spanning tussen het belang van Nederland en de belangen van het andere land. Aanvankelijk was het bedrijfsleven, vanuit een welbegrepen eigenbelang, een belangrijke pleitbezorger van de hulp. Dat geluid werd al gauw, in de jaren vijftig toen ook de Novib het licht zag, overstemd door degenen die de wereld als een persoonlijke opdracht zagen en zich daarvoor de nodige offers wilden getroosten.

Menselijke hoogmoed
Deze laatste categorie werd heftig op de proef gesteld, toen in het begin van de jaren tachtig het neoliberale virus van Angelsaksische oorsprong landde in deze nabije en bij uitstek toegankelijke polder. In een aantal, steeds kleiner wordende, kringen bleef internationale solidariteit wel overeind, maar de politieke elite ging al mee in de globalisering voordat ze dat woord had leren kennen.

Menselijke hoogmoed
Op het vlak van de ontwikkelingshulp betekende dat onder meer dat de politiek correcte benaming ‘ontwikkelingssamenwerking’ als dekmantel werd gehandhaafd, maar dat ‘verzakelijking’ het leidend beginsel werd in de dagelijkse praktijk. Voor het eerst leverde de VVD een minister voor ontwikkelingssamenwerking, maar ook zonder haar waren er voldoende garanties dat het korte termijn eigenbelang van het koninkrijk niet op het spel zou worden gezet.

Menselijke hoogmoed
In het maatschappelijk middenveld ontstond, in nauwe samenwerking met de overheid, een hulpindustrie die ‘professionalisering’ hoog in het vaandel had en zich – met de buitenlandse collega’s – opstelde als de broodnodige leidsman van de halve wereldbevolking. Dus geen gezeur meer over die stakkers een hengel geven in plaats van vis, maar gewoon zorgen dat ze het wel uit hun hoofd zouden laten de professionals uit het beloofde land naar huis te sturen en hun eigen gang te gaan.

Menselijke hoogmoed
De protagonisten van de verzakelijking zorgden er ook voor dat de ouderwetse filantropie een nieuw leven kreeg. Wat was immers meer aantrekkelijk dan de boodschap dat je andere mensen van de honger– en wat voor andere dood dan ook – kon redden, zonder zelf een centje pijn te lijden? Liefdadigheid sloot ook naadloos aan bij het rijtje liberalisering, privatisering en deregulering, waarmee in het kader van de prediking van het neoliberale evangelie eerst volop werd geëxperimenteerd in de voormalige kolonies en wij wat later – in de overwinningsroes na het einde van de Koude Oorlog – werden opgezadeld. Ga maar na wanneer de eerste voedselbanken hier de kop opstaken.

Menselijke hoogmoed
De expansie van de charimarkt, volgens het laatste Geven in Nederland-onderzoek (2005) goed voor meer dan vijf miljard euro op jaarbasis, is gepaard gegaan met gigantische propaganda, waarbij zowel de overheid als grote hulporganisaties zich niet onbetuigd lieten. De overheid beschikte niet alleen over haar eigen pr-afdelingen, maar ook over een afzonderlijke ‘draagvlakorganisatie’ (met de verwarrende naam Nationale Commissie voor internationale samenwerking en Duurzame Ontwikkeling, NCDO), die al jaren elke discussie over de schadelijke kanten van de hulp blokkeert. De particuliere organisaties blonken vooral uit in de manier waarop ze allerlei BN’ers voor hun karretjes wisten te spannen.

Goede doelen religie

Goede doelen religie
Het resultaat van al die reclame is geweest dat ‘goede doelen’ in het algemeen en met name goede doelen die met o zo arme mensen in o zo arme landen te maken hebben nu een absoluut, religieus getint, vertrouwen genieten. Ze roepen geen discussie meer op, laat staan dat mensen weten wat erachter schuilgaat en het kaf van het koren kunnen scheiden.

Goede doelen religie
Tegelijkertijd – en dat weegt voor mij nog veel zwaarder – is de indruk deels gewekt dat wij als een speciale mensensoort in dit deel van de wereld het verschil moeten en kunnen maken, als het gaat om allerlei zaken die mensen in andere landen voor elkaar proberen te krijgen. Dat komt mij tenminste misleidend voor en ik schaam me in vele gevallen ook kapot, omdat zo onze directe verantwoordelijkheid voor levensgrote problemen in diezelfde landen buiten beeld blijft.

Goede doelen religie
Geen wonder dat de afgelopen jaren vele duizenden mensen op het idee gekomen zijn dat op allerlei plekken in de wereld mensen op hen zitten te wachten en dat zij hoogstpersoonlijk de rol van reddende engel kunnen gaan spelen. Wat die Bekende Nederlander kan, kan ik ook, en die grote organisaties hebben er al die jaren niks van gebakken, dus laat mij maar eens mijn gang gaan. Geen strobreed werd en wordt hun in de weg gelegd.

Goede doelen religie
Genoemde draagvlakorganisatie of een andere royaal gesubsidieerde club wil je best een kaartje voor het vliegtuig bezorgen (wat klimaatcrisis?), zodat jij je project regelmatig kunt bezoeken en tegen je donateurs kunt zeggen dat er niks aan de strijkstok blijft hangen.

Goede doelen religie
Onderaan de vliegtuigtrap staat altijd wel een comité van welkom, dat je dankbaar de hand schudt en nog een vrolijk dansje voor je wil uitvoeren ook. Ze hebben van jongs af aan, generaties lang, geleerd hoe ze zich aan ons moeten voordoen om van ons cadeautjes te krijgen. Ze weten beter dan wij zelf dat onze helpzucht geen grenzen kent en vragen zich maar even niet af waar die zucht vandaan komt, want binnen is binnen. Waar dat in extremis toe kan leiden, heeft Linda Polman onlangs pijnlijk trefzeker beschreven in De crisiskaravaan.

Goede doelen religie
En onze overheid? Die strooit met subsidies en belastingfaciliteiten en gelooft het verder wel, tenzij ze vermoedt dat het draagvlak van haar buitenlands beleid wordt ondermijnd. De charimarkt wordt in Nederland vanouds met rust gelaten. Zelfregulering is het devies en die heeft niet veel meer opgeleverd dan het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF), dat een keurmerk afgeeft aan organisaties die daarvoor willen betalen en waarvan het toch al beperkte toezicht op zwart gaat bij de Nederlandse grens. Als je dan nagaat wat een op papier wèl zeer bevoegde toezichthouder als de Autoriteit Financiële Markten (AFM) de afgelopen jaren, in de aanloop naar de huidige crisis, heeft klaargespeeld of – beter gezegd – heeft verzuimd, is er voorlopig voor de charimarkt geen vuiltje aan de lucht.

Meer over