De tandarts leert doorbijten

Bijna een miljoen Nederlanders zijn zo bang voor de tandarts dat ze er helemaal niet meer heengaan. Ook veel nog jonge kinderen zijn vanwege hun panische angst onhandelbaar in de stoel....

IN DE DEUROPENING van de behandelkamer staat de bijna vierjarige Henry. Het hem bekende wit van doktersjassen en instrumentkasten straalt hem van alle kanten tegemoet. Hij houdt zijn kaken stijf op elkaar en kijkt heel boos. Volgens zijn moeder, die hem mee naar binnen voert en op schoot neemt, is het een temperamentvol baasje. Henry is doodsbang voor alles in een wit schort, zegt zijn moeder.

Tandarts Jaap Veerkamp, op een klein krukje op gelijke hoogte met Henry gezeten, wil na wat praten toch graag eventjes in zijn mond kijken. Henry vertikt het. Geen denken aan. Hij zit te draaien op zijn moeders been. 'Eerst mama', zegt hij. 'Oké', zegt de tandarts, 'eerst mama.' Mama spert bereidwillig haar mond open. 'Dáár zit een kies, en daar nog een, en daar een tand', zegt de dokter, die zich vervolgens weer tot Henry wendt: 'Nu jij.'

En zowaar: niet alleen gaat de mond nu enthousiast open, het ventje krijgt er zelfs schik in. Lacht bijna, terwijl de dokter zonder instrumenten de schade opneemt. Snel en zakelijk, maar op dezelfde vriendelijke toon, meldt hij alles aan zijn assistente: 'De 1,2 kan niet behouden blijven, de 1,3 ook niet, de 3,3 en 3,4 gevuld', et cetera, tot de deplorabele staat van het melkgebitje is opgenomen.

Henry mag weer weg zonder dat er iets aan behandeling is gedaan. Zes weken later zal hij onder narcose in het ziekenhuis worden gesaneerd. Zijn moeder: 'Ik sta verbaasd dat hij zo rustig is gebleven.' Veerkamp: 'Ach, de ene witte jas is de andere niet.'

Op de afdeling angstbegeleiding en gehandicaptenzorg van de Stichting Bijzondere Tandheelkunde (SBT) in Amsterdam, waar Veerkamp werkt, kunnen elk jaar duizend patiënten in behandeling worden genomen. Daarmee is het waarschijnlijk de grootste hierin gespecialiseerde instelling ter wereld.

Er bestaan serieuze plannen voor het opzetten van een postdoctorale opleiding voor tandartsen die extreem bange mensen behandelen. De opleiding, die drie jaar moet gaan duren, zou in 1998 in Amsterdam kunnen beginnen.

Behalve in Amsterdam zijn er nog circa twintig kleinere centra, en een aantal vrij gevestigde tandartsen in Nederland die zich richten op bange mensen. Hoewel duizenden mensen helemaal niet komen, kunnen ze met de mensen die de stap wel wagen de vraag al nauwelijks aan. Bij de SBT, waar twaalf tandartsen werken, geldt voor angstige volwassenen een wachttijd van een maand of vijf. In de Rotterdamse Bijter, een soortgelijke kliniek, is dat zelfs een jaar. Weinig stimulerend voor mensen die soms jaren moed hebben verzameld voor ze iets aan hun angst durfden te doen.

Dr. Jaap Veerkamp (42), coördinator van de afdeling, denkt niet dat mensen nu banger zijn voor de tandarts dan vroeger. 'De toeloop zal ook te maken hebben met het bekender worden van de angsttandartsen. Het probleem wordt nu erkend. Aan de andere kant kun je verwachten dat met het grotere geduld van de huidige generatie tandartsen de verwijzingen zouden afnemen. Dat is niet het geval.'

Veerkamp vreest een grotere toestroom voor de SBT de komende jaren. Er wordt in Nederland een tekort aan tandartsen verwacht. 'Dat betekent meer druk op de gewone tandarts, die minder tijd heeft voor een geduldige aanpak bij angstige mensen. We houden ons hart vast.'

Van de duizend jaarlijkse patiënten bij de SBT zijn er circa driehonderd angstige volwassenen en tweehonderd verstandelijk gehandicapten. De rest bestaat uit kinderen die zich in de reguliere tandartspraktijk niet meer laten behandelen.

'Dat juist die tandheelkundige behandeling zo belastend is, heeft te maken met de gevoeligheid van je mond', zegt Veerkamp. 'Als je kinderen laat kiezen tussen een spuitje in hun mond of in hun hand, willen ze altijd het laatste. Zo ver mogelijk weg van al hun zintuigen, van hun hoofd en hun mond, waar alles zo extra gevoelig lijkt. En waar je alles mee doet, ademen, praten, eten, proeven.'

Voor mensen die buitengewoon angstig zijn voor de tandarts is daar nog wat bijgekomen. Vaak een vervelende ervaring in hun jeugd. 'Dat een tandarts net even langer doorging terwijl hij had beloofd te stoppen', zegt Veerkamp. 'Of iets dat heel erg pijn deed, of een tandarts die kwaad werd omdat je moest huilen. Dan kan de drempel voor de tandarts snel hoger worden.' Maar bij veel patiënten is ook sprake van een combinatie met andere fobieën, zoals pleinvrees, of met dwangmatige neigingen. Van de kinderen in de SBT-praktijken, zijn er veel die speciaal onderwijs volgen.

In veel verhalen gold vroeger de schooltandarts als boeman. Grote mannen met strenge assistentes, die je vastbonden als je niet stil lag. Alleen al die grote bus die je vanuit de klas kon zien staan, boezemde angst in. Iedereen wist dat zo'n bus een luikje had, waardoor kinderen die de behandeling niet overleefden, werden afgevoerd.

'Vroeger was het voor kinderen stikken of slikken bij de tandarts. Als het op slikken aankwam, zo van: het is vervelend, maar het moet nu eenmaal, leert zo iemand in de meeste gevallen met het tandartsbezoek en de angst ervoor omgaan. Maar zo niet, dan kan het leiden tot ernstig vermijdingsgedrag', zegt Veerkamp.

Nu is de gemiddelde tandarts geduldiger met kinderen dan vroeger, maar het afbreken van grote angst kost vaak zo veel moeite dat de gewone huistandarts er geen tijd voor heeft. Of neemt, want hij krijgt per verrichting vergoed, en niet per uur. Als het dan vier uur kost voor het eerste tandje kan worden geboord, is het een dure middag. Voor angsttandartsen geldt daarom een uurtarief.

In de praktijk in Nellestein, Amsterdam-Zuidoost, heeft Marcel plaatsgenomen in de stoel bij angsttandarts Ad de Jongh. Marcel is dertig, werkt bij een verzekeringsbedrijf, en schaamt zich rot dat hij hier is. Behalve zijn vrouw weet niemand ervan. Hij is heel bang voor de tandarts. Het gekke is: pas de laatste jaren. Daarvoor was hij ook wel bang, maar een jaar of drie geleden, in een hele drukke periode met zijn werk, knapte er iets. Hij durfde ineens helemaal niet meer. Zijn tandarts verwees hem door. De spanning werd beiden te groot. 'Die pijn kan ik wel aan. Wat ik zo erg vind, is dat helemaal overgeleverd zijn aan anderen.'

De laatste maanden wordt hij geplaagd door een droom, die hij toeschrijft aan een traumatische jeugdervaring. Hij ziet dan een angstig achtjarig kind, dat door de schooltandarts, een grote, oudere man, wordt vastgehouden.

De Jongh 'Je hoeft je hier op geen enkele manier weerloos te voelen, dat spreken we af. Je kunt precies zeggen wat je prettig vindt. Nou ja, misschien is dat laatste niet zo gelukkig uitgedrukt in dit verband.'

Ruim tachtig procent van alle mensen is bang pijn te zullen voelen in de tandartsstoel, blijkt uit onderzoek. Eenvijfde van alle mensen heeft last van heftige angst voor de tandarts, en bij naar schatting 5 tot 7 procent kunnen we werkelijk spreken van een tandartsfobie. Volgens dr. Ad de Jongh (39), behalve angsttandarts ook psycholoog en onderzoeker op de vakgroep Sociale Tandheelkunde, wordt deze ten onrechte geschaard onder het kopje bloed-letselangst. 'Mensen met zo'n fobie vallen flauw bij het zien van bloed of open wonden. Mensen die bang zijn voor de tandarts zijn juist zeer geconcentreerd en hypergespannen.'

Met andere fobieën is soms redelijk te leven door de stimulus te mijden. Iemand met hoogtevrees hóéft niet een toren op te gaan. 'Maar het mijden van de tandarts heeft altijd rampzalige gevolgen voor je gebit, hetgeen weer een extra reden vormt om weg te blijven', zegt De Jongh.

Zo geraken mensen in een neerwaartse spiraal. Komen soms tientallen jaren niet meer bij de tandarts. De Jongh heeft eens iemand in zijn praktijk gehad die vijftig jaar niet meer was geweest. 'Daar was ik ook zo mee klaar, want die had niet meer dan een paar wortelrestjes over.'

D

E 29-JARIGE Maarten is nu al zes keer vanuit Lanaken, Belgisch Limburg, naar Amsterdam gekomen om zich door De Jongh te laten saneren. Daarvoor bezocht hij ruim tien jaar lang geen tandarts. Na het overlijden van zijn moeder, was er niemand meer die er achterheen zat dat hij, ondanks zijn grote angst, toch ging. 'Ik heb er in die jaren vreemd genoeg nauwelijks pijn aan gehad, en niemand zag er ook iets van, want alleen wat kiezen vielen uit. Maar op een gegeven moment had ik een groot gat in een hoektand. Ik was als de dood dat die zou afbreken, want dan zou je het gaan zien. En ik werk in een winkel, dus dat kan niet. En ik bedacht: stel dat ik straks een vriendin krijg, en we gaan zoenen en ze voelt dat er allemaal gaten in mijn gebit zitten. Dat wilde ik niet. Het gekke is, de schaamte, dat mensenschuwe wat ik lang heb gehad, is nu ook veel minder geworden. Ik durf weer veel meer.'

'Je moet de gevolgen van langdurig niet naar de tandarts gaan niet onderschatten', zegt De Jongh. 'Velen komen in een sociaal isolement terecht. Trekken zich terug. Mensen die uit schaamte voor hun gebit bij een feestje alleen maar hapjes aan het maken zijn in de keuken. Nooit openlijk durven lachen, hoogstens achter hun hand. Niet in een spiegel kijken. Veel mannen kweken om deze reden een snor.'

Sommigen worden onder druk gezet door hun partner: je gaat er nu wat aan doen, of ik houd het voor gezien. Maar dan nog: 'Ik hoorde van een man dat hij jarenlang elk half jaar deed of hij naar de tandarts ging. Dan ging hij iets anders doen en zei tegen zijn vrouw na afloop: weer geen gaatjes.'

De Jongh promoveerde in 1995 op een cognitieve aanpak van tandartsangst. 'Mensen zien vaak allerlei rampen voor zich. Meestal gebaseerd op onwetendheid. Ze weten bijvoorbeeld zeker dat de boor zal uitschieten, in hun tong gaat boren en dat ze zullen stikken in hun eigen bloed. Dan ga ik vragen hoe ze dat zo zeker weten. Zo zoek ik steeds verder naar het bewijs voor hun angst, en probeer dat met uitleg en tegenargumenten onderuit te halen. Zo kun je een aanzienlijk deel van de angst aanpakken.'

De dertigjarige Marcel ligt stijf verkrampt in de stoel. Het zweet breekt hem uit. De Jongh is voor het eerst weer met boren begonnen. Hoewel in de kies geen zenuw meer zit, heeft hij wel verdoofd. Hij heeft nog even het geluid van de boor laten horen, naast de stoel, en boort nu steeds in mini-etappes van een seconde. Als Marcels verkramping niet vermindert, zegt De Jongh: 'Je kunt eigenlijk niets voelen. Wanneer geloof je dat er geen pijn meer komt? Als ik vijf seconden achtereen boor en je voelt niets?' Dat wordt afgesproken. Ook nu knijpt Marcel verstijfd de ogen dicht, maar hij moet later toegeven geen pijn gevoeld te hebben.

Het terugkrijgen van vertrouwen, daar draait het allemaal om. Daarom moet de behandeling weer stapje voor stapje worden opgebouwd. Uiteindelijk moeten ze het tandartsbezoek weer min of meer normaal gaan vinden, althans, moet hun angst zo zijn teruggebracht dat ze wel weer gaan. Bij het eerste bezoek wordt alleen gekeken. De tweede keer kunnen ze meestal wennen aan een apparaat in hun mond dat geen pijn doet, en wordt het gebit gepolijst. Vóór het vierde bezoek wordt niet geboord.

Bij veel van de jonge kinderen die Veerkamp in zijn praktijk krijgt, wordt zuigflescariës geconstateerd. 'Kinderen die 's nachts met een fles zoet in bed worden gelegd omdat hun ouders er niet tegen kunnen als het kind huilt. Het is direct zichtbaar aan het patroon van het tandbederf: de voortanden zijn slecht, en de eerste kiezen aan weerszijden. Zulke ouders moet je dus weer opvoeden.'

Een heilige regel is, bij kinderen én volwassenen: nooit meer doen dan aangekondigd. 'Die mensen hebben zich ergens op ingesteld', zegt Veerkamp. 'Steeds maak je de afspraak: de volgende keer doen we dit en dit, verder niets. Het moeilijke voor hen is: elke keer als ze zich zelf hebben overwonnen, gaan we als beloning een stap verder, doen we dus iets waar ze nóg banger voor zijn.'

De Jongh: 'Vanochtend kon ik voor het eerst boren bij een vrouw. Daar zijn vele afspraken overheen gegaan. Eerst een keer het geluid van de boor laten horen en daaraan wennen zonder in paniek te raken. De volgende bijeenkomst het geluid van de boor met de mond open. Dan met de boor aan in de mond, maar nog zónder te boren. Vanochtend kon ik voor het eerst voorzichtig boren. En dan blíjft het spannend.'

Tom is tien en bloednerveus. Hij is superbeweeglijk; zijn hoofd, handen en ogen zijn geen moment in rust. Hij zal onder lachgas behandeld worden. Droomlucht, noemt Veerkamp het. 'Daarmee kun je aan allemaal leuke dingen denken. Maar je gaat er niet van slapen, dus je kunt altijd weglopen.'

'Wéglopen?' vraagt Tom.

'Ja, uit je stoel. Als je het niet leuk meer vindt.'

Veerkamp zegt zijn minstens zo nerveuze moeder dat ze, als in principe iedere ouder, beter niet bij de behandeling kan zijn. 'We doen dat omdat hij de neiging zal hebben zich te verschuilen achter degeen die hij het beste kent. Dat bent u. Hij moet iets met ons opbouwen. Dat we tegen hem kunnen zeggen: joh, rot, maar we moeten er samen even doorheen.'

Gewone tandartsen lossen angstproblemen niet altijd goed op, zegt De Jongh. 'Ze reageren net te geïrriteerd op grote angst bij mensen, of drukken iets te ver door. Dat kan funest zijn voor het vertrouwen van iemand die bang is. Zeker als hij al op het randje zit van niet meer durven.'

In de opleiding tot tandarts is er weinig tijd voor ingeruimd. In het eerste jaar worden vijf halve dagen besteed aan de omgang met patiënten in het algemeen, en in het vierde jaar acht halve dagen aan de behandeling van specifieke groepen, waaronder bange mensen. 'Veel eerstejaars zijn nog enthousiast en idealistisch. Hebben ideeën over omgaan met angst. Maar drie jaar later willen ze snel kunnen werken en moet die patiënt rustig zijn. Ze leren technisch denken. Ik hoor maar al te vaak studenten zeggen: ''Hé, daar loopt mijn brug'' of: ''Daar heb je mijn frameprothese.'' Dan hebben ze het over mensen.'

Anders dan zijn SBT-collega's werkt De Jongh niet in het wit. 'De witte jas geldt om onduidelijke redenen als ijzeren wet. Nooit is bewezen dat het hygiënischer is dan werken in gewone, schone kleren. En bloedspetters zie je er beter op, wat bij sommigen leidt tot juist meer angst.' Volgens Jaap Veerkamp zit het hem niet in die witte jas. Het gaat er juist om dat je met je behandeling laat zien dat een aardige en pijnloze tandarts heel goed kan, ondanks zijn smetteloze outfit. 'Want nadat ze hier zijn geweest, moeten ze in principe terug naar een gewone tandarts. Terwijl die drempel zo laag mogelijk moet blijven.'

Hij is nog hoog genoeg. Ondanks al het geïnvesteerde geduld is de uitval erg groot. Uit onderzoek blijkt dat het aantal mensen dat na behandeling toch afhaakt voor een reguliere tandarts nog tussen de 40 en 50 procent ligt. Ze durven niet naar een nieuwe arts, schenken hem niet het vertrouwen. 'De angst is in zulke gevallen kennelijk heel hardnekkig. Onze behandeling heeft er nieuwe ervaringen overheen gelegd, maar de oude eronder niet verwijderd.'

(De namen van de meeste patiënten zijn gefingeerd).

Meer over