ReportageBurn-out

De stijgende lijn van burn-outklachten loopt gelijk met die van de smartphone. Toeval?

Het percentage burn-outklachten blijft maar stijgen, en de komst van de smartphone heeft daar duidelijk een rol in gespeeld. Heb je tegenwoordig nog wel tijd voor jezelf?

Beeld Paul Faassen

‘Ik heb besloten om te stoppen met werken en om te stoppen met social media. Even tijd voor mezelf. Even offline. Wanneer ik precies terug kom kan ik op dit moment nog niet zeggen.’

Voor zijn volgers kwam deze Instagrampost van Stefan Jurriëns begin november als een donderslag. Jurriëns is bekend van You Tubekanaal StukTV, waarop drie keer per week een video verschijnt die door 2,3 miljoen abonnees wordt bekeken. Daarnaast heeft Jurriëns op Instagram 739.000 volgers, die allemaal meekijken met zijn dagelijkse updates, variërend van foto’s in privévliegtuigen tot selfies in bed.

Maar nu was het dus even uit met die online-activiteiten. ‘Ik heb gemerkt dat ik de laatste tijd niets meer echt meekrijg, voel of ervaar’, schreef Jurriëns. ‘Ik heb gemerkt dat ik me vaker slecht voelde dan goed. Ik heb gemerkt dat mijn leven op automatische piloot stond. En dat ik nergens meer echt zin in had. Niks voor mij! Dus tijd om daar iets aan te doen.’

Hoewel hij het woord niet letterlijk noemt, past Jurriëns bericht naadloos in de trend van ‘burn-outposts’ die de laatste tijd gaande is in socialemedialand: youtubers en influencers laten hun volgers weten dat het constant delen van hun leven ze even te veel wordt. ‘Na negen jaar elke week twee video’s uploaden heb ik een beetje een break nodig’, kondigde beautyvlogger Vera Camilla (282.000 abonnees op YouTube; 227.000 volgers op Instagram) bijvoorbeeld aan in december 2018. Influencer Rianne Meijer (443.000 volgers op Instagram) werd ‘leip van het de hele tijd aanstaan’, zei ze afgelopen juli in haar vlog, en laste daarom een socialemediastop in. De bekendste burn-outpost is vermoedelijk die van Oh Oh Cherso-deelnemer annex vlogger Bibi Breijman (450.000 volgers op Instagram; 233.000 YouTube-abonnees). ‘Ik moet even pauze nemen’, zei een huilende Breijman eind 2017 in de camera, ‘om daarna goed door te kunnen gaan en uit te zoeken waar ik heen wil in het leven.’ Breijman besloot: ‘Ik moet nu de camera echt uitzetten.’

Ze zijn niet alleen, die influencers, al lijkt dat wel zo, als je ze zo in hun kamer ziet huilen, met alleen hun telefoon of vlogcamera als gezelschap. Youtubers en influencers zijn niet de enigen die zich afhankelijk hebben gemaakt van de onlineversie van zichzelf en daar vervolgens gefrustreerd en gestrest van zijn geworden. De jaren tien zou je best het decennium van de digitale burn-out kunnen noemen. Het decennium waarin we collectief verslaafd raakten aan onze smartphone en de digitale optimalisatie van onszelf, om daar vervolgens collectief uitgeput van te raken.

Hoewel artsen en onderzoekers doorgaans liever niet spreken over een ‘burn-outepidemie’ (want wat is precies een burn-out, hoe betrouwbaar zijn de cijfers, en hoort stress en vermoeidheid niet gewoon bij het leven?) kent vrijwel iedereen inmiddels iemand die een burn-out heeft, heeft gehad, of op het randje van opbranden staat. Of heeft er zelf een. In de huisartsenrichtlijn worden burn-outklachten omschreven als overspanning, uitputting en mentale vermoeidheid. Er is sprake van verminderde geheugencapaciteit en een kortere aandachtsspanne. Of, zoals Stefan Jurriëns het in zijn Instagrampost omschrijft: je ervaart niets meer, je voelt je vaker slecht dan goed, je staat op de automatische piloot.

Constant aan

In 2017 gaf 16 procent van de Nederlandse werknemers bij het CBS aan burn-outklachten te hebben. In 2014 was dat nog 14 procent, in 2010 13 procent en in 2007 11 procent. Het kan eigenlijk geen toeval zijn dat deze stijgende lijn gelijkloopt met de toenemende populariteit van de smartphone. In 2007 werd de iPhone gelanceerd en gedurende de jaren tien is die samen met zijn Androidfamilie onmisbaar geworden in ons leven. Met de smartphone kwam het vermogen altijd en overal je mail te kunnen checken. Met de smartphone kwam Instagram, Google Calendar, de stappenteller, de app die bijhoudt hoe lang je geslapen hebt. De whatsappgroep met je collega’s. En die met je zeilclub. En die met je vriendinnen van studie.

Dat ‘constante aanstaan’ waar influencer Rianne Meijer het over had kennen we allemaal wel. Uit onderzoek van TNO blijkt dat steeds meer werknemers een gebrek aan autonomie ervaren: in 2017 heeft ruim 45 procent daar last van, een stijging van bijna 7 procentpunt ten opzichte van tien jaar eerder. De oorzaak laat zich raden: het appje van je baas om 10 uur ’s avonds; die vervelende mail die binnenkomt tijdens het partijtje van je dochter.

Het zijn vermoedelijk niet alleen die appjes en mailtjes die ons de laatste jaren opjutten richting hoofdpijn en hartkloppingen. Met de smartphone ontstond ook het digitale panopticum waarin je jezelf constant kunt vergelijken met anderen. In zijn boek Intimiteit beschrijft Paul Verhaeghe hoe met de komst van de ‘digitale Ander’ een nieuwe vorm van ‘pleonexia’ is ontstaan, de neiging altijd meer te willen hebben dan de rest. In het tijdperk vóór de smartphone vergeleek je je eigen leven met dat van de mensen om je heen: je mat je succes met dat van vrienden en familie of vergeleek je vakantie met die van collega’s.

Tijdens de jaren tien zijn de vergelijkingsmogelijkheden exponentieel toegenomen: op onze smartphone kunnen we onszelf constant en met iedereen vergelijken. Jij dacht dat je een leuke vakantie had gehad op de camping in Frankrijk? Kijk deze influencers eens, die een maand naar Bali waren. Jij dacht dat je gezond bezig was omdat je twee keer per week naar de sportschool gaat? Hier, deze fitgirl staat elke ochtend om 7 uur touwtje te springen in het park.

In het digitale tijdperk zijn we terechtgekomen in een strijd met die ‘digitale Ander’. We willen constant meer online-erkenning – meer likes, meer volgers, of anders meer erkenning in de groepsapp met collega’s of een snellere tijd op de hardloopapp. Die hang naar digitale bevestiging is vergelijkbaar met een gok-, game- of drugsverslaving, schrijft Verhaeghe. Het is een eindeloze herhaling van steeds dezelfde handelingen, die opwinding opwekken zonder natuurlijke ontlading. Immers: als je eenmaal die volgers hebt verzameld, of die snelle hardlooptijd op je scherm ziet staan, is er altijd wel weer iemand met meer volgers, of een nóg snellere tijd.

Door ons huwelijk met de smartphone zijn we anders naar onszelf gaan kijken – of beter gezegd: op meer verschillende manieren. Parallel aan ons ‘echte’ leven lopen nu de levens die we online leiden: op Facebook, op Instagram, op de Telegramchat van werk. In haar boek Trick Mirror beschrijft The New Yorker-journalist Jia Tolentino aan de hand van socioloog Erving Goffman hoe de menselijke identiteit voor een groot deel wordt gevormd door het spelen van rollen, het aannemen van bepaalde houdingen in sociale situaties. Of het nou de rol van liefhebbende echtgenoot is, die van strenge baas of goede vriend: ons zelfbeeld wordt gevormd door toneelstukjes die we opvoeren.

Met de opkomst van de smartphone is de mogelijkheid om rollen te spelen enorm toegenomen. Niet langer voelen we alleen bij de koffieautomaat op werk de dagelijkse druk om leuk en gevat te zijn, die druk voelen we nu ook in groepsapps, of op Twitter.

Tijd voor jezelf

Voor een authentieke identiteitsontwikkeling moet ook sprake zijn van een ‘backstage’, schrijft Tolentino: situaties waarin je geen rol hoeft te spelen, en simpelweg ‘jezelf kan zijn’. Als je alleen thuis bent bijvoorbeeld. Maar die backstage is de laatste jaren steeds kleiner geworden, als die überhaupt nog bestaat. De moderne mens staat constant op het toneel: als je geen selfie aan het maken bent, maakt iemand anders misschien wel een Instagramstory over jou. Als je niet zelf aan het Twitteren bent over het congres dat je bezoekt, doet je collega het wel – met een tag erin naar jouw profiel.

Vandaar misschien dat we zeggen dat we ‘tijd voor onszelf’ nodig hebben op het moment dat dat digitale verkeer ons even te veel wordt: we hebben tijd nodig waarin we ons niet verhouden tot een publiek, waarin we onszelf kunnen zijn zonder een rol te spelen. Zoals Bibi Breijman het zegt: soms moeten we echt even die camera uitzetten.

Tamelijk ongemerkt zijn we de afgelopen jaren min of meer gaan leven voor onze smartphone: we zijn ons gedrag gaan aanpassen aan wat dat kleine schermpje van ons vraagt, of het nou een rondje wandelen is om de stappenteller tevreden te houden of dwangmatig foodpics delen van een ontbijt dat we eigenlijk alleen voor de likes hebben gemaakt. Vind je het gek dat we – zoals vlogger Vera Camilla – af en toe een break nodig hebben?

Gelukkig wordt die break ons in tijden van digitalisering net zo makkelijk aangereikt als het nieuwe mode-dieet, in de vorm van de burn-out. Het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten geeft als mogelijke oorzaak voor de toename in het aantal burn-outs van de afgelopen tien jaar de ‘stijging in bewustwording’. Die bewustwording kan op de werkvloer ontstaan zijn – wie collega’s ziet uitvallen, zal zich eerder zorgen gaan maken om zichzelf – maar evengoed online. Wie net een artikel voorbij heeft zien komen over ‘10 tekenen dat jij tegen een burn-out aan zit’, zal een gevoel van vermoeidheid eerder als burn-out verklaren. Wie zo’n post ziet als die van Stefan Jurriëns, zal eerder denken: misschien heb ik ook even tijd voor mezelf nodig.

Het digitale panopticum dat ons eerst gek maakte met optimalisatie-apps en de oneindige mogelijkheid tot vergelijken, biedt ons in de vorm van de burn-out net zo enthousiast een uitweg.

En het mooie van die uitweg is dat die vaak weer leidt langs nieuwe vormen van optimalisatie, evengoed voortkomend uit onze smartphone. Met apps als Headspace en Calm proberen we weer een beetje zen en mindful te worden; we proberen ons stresslevel naar beneden te krijgen met een app als Pocket Energy. We mediteren met Spotifyplaylists als ‘Waves on the beach’ en ‘Loneliness time’. We willen minder mailen en appen, maar leggen wel onze iPhone op onze buik zodat die via de app BellyBio kan voelen of we rustig ademhalen. Op Facebook zoeken we praatgroepen op met gelijkgestemden. Of we sluiten onze sociale media af, maar gaan wel op dat ene yogaretreat dat we zo vaak op Instagram voorbij hebben zien komen.

‘Hoi, welkom bij mijn eerste video na heel veel maanden’, zegt Vera Camilla in haar post-burn-outvideo. Ze legt uit dat ze ‘totaal opgebrand’ is geweest en ‘ontzettend moe’, maar dat het nu, zeven maanden later, weer beter gaat. Goed genoeg in elk geval om weer te vloggen.

Ook met Bibi Breijman gaat het na een paar maanden uit de digitale running weer goed genoeg om op YouTube te verschijnen. ‘Er was geen lijn meer tussen wat ik deed voor mijn eigen geluk en wat ik deed om jullie te pleasen’, zegt ze in haar ‘ik ben terug’-video. Inmiddels heeft Breijman zichzelf ‘soort van teruggevonden’, dus was het weer tijd om een vlog op te nemen. ‘Het voelt zo goed om weer terug te zijn.’

‘Ik heb heel lang niet meer gevlogd, het is alweer een maand geleden, ik moet er echt weer even aan wennen’, zegt Rianne Meijer na de socialemediabreak. ‘Maar ik heb er zin in’, besluit ze. ‘Het wordt leuk.’ Dat moet ook wel: Meijers vlog is getiteld ‘DROOMvakantie in Jamaica’. In de video verblijven zij en haar vriend in een luxe hotel en maken ze uitstapjes, variërend van kanoën tot dronevliegen, allemaal even gesponsord.

Leuk, zo’n socialemediabreak, maar influencers moeten vroeg of laat toch weer voor de camera verschijnen, om de adverteerders én hun volgers tevreden te houden. Vera Camilla heeft in haar ‘comeback’-video meerdere commercials opgenomen. Breijman maakt in haar ‘ik ben terug’-vlog reclame voor de Bibi Breijman-schoolagenda die op dat moment in de winkels ligt. ‘Ik ga er ook een give away mee doen op mijn Instagramkanaal’, belooft ze.

Het is lastig geen ongemakkelijk gevoel te krijgen bij het zien van deze youtubers, die na hun burn-out en socialemediabreak vooral heel blij lijken te zijn dat ze weer meedoen in de onlinewereld. Zijn ze dan vergeten dat het precies deze camera, deze volgers, deze likes en adverteerders waren die ze zo gestrest hebben gemaakt?

Misschien gaat het bij de rest van ons wel net zo. Vroeg of laat worden we genezen verklaard van onze burn-out, en is het tijd om ons weer te mengen in het digitale verkeer waar we eerder zo opgefokt van raakten. We besluiten dat we er weer klaar voor zijn. Klaar om weer appjes te krijgen van de baas om 10 uur ’s avonds; klaar om weer te bedelen om likes op Facebook. Genezen zijn van een burn-out betekent vooral dat je weer in staat bent om mee te draaien in de door onze smartphone aangedreven ratrace.

Startschot van die ratrace geven we het liefst zelf, in de vorm van een Instagrampost waarin we vertellen dat het een tijdje niet zo goed ging, maar dat we er nu weer bovenop zijn. Of anders in de vorm van een appje in de groep met collega’s, om te laten weten dat je vanaf nu weer back in action bent – en heeft iemand misschien zin in een borrel op vrijdag?

En dan begint het weer. Waarom zijn er maar twaalf mensen die jouw selfie leuk vinden? Waarom reageert geen van je collega’s op je bericht? Sinds wanneer is dit nieuwe agendasysteem op je werk geïnstalleerd en hoe komt het dat daar nog meer afspraken in lijken te passen dan voorheen?

Op het moment dat dit magazine naar de drukker ging, was er nog geen teken van leven van Stefan Jurriëns, op Instagram noch YouTube. Wie weet besluit Jurriëns wel om helemaal niet meer mee te doen aan het onlinemeetsysteem, om zich te onttrekken aan die gekmakende, digitale doping. Mogelijk wordt hij de eerste influencer die de smartphone helemaal de rug toekeert en daarmee een voorbeeld zal zijn voor ons allemaal.

Waarschijnlijker is dat we binnenkort alsnog de ‘ik ben terug’-post kunnen verwachten. En misschien moeten we die dan maar gewoon leuk vinden met z’n allen, en hopen dat Jurriëns daaruit genoeg digitale bevestiging haalt om weer een tijd te kunnen meedraaien in het onlineverkeer. Meer kunnen we niet doen.

Meer over