laat het stoppen

De pannekoekenplanten hebben bezit van mij genomen

Frank Heinen Beeld
Frank Heinen

Niet alle moderne verschijnselen hoeven we goed te keuren. Er zijn zaken waar we ons tegen ­kunnen, nee móéten verzetten. Deze week: de p-plant

Daar staan ze, vlak voor me, in het gelid. Zestien potten en potjes, in ieder ervan dezelfde plant. En iedere plant in een andere pot. In het begin stelde ik me tevreden met de goedkoopste terracottapotten van het tuincentrum, maar in een vergeefse poging tot subtiele variatie op hetzelfde thema zijn de potten steeds uitbundiger geworden, net als hun prijzen.

De planten en de potten op mijn werkkamer drommen steeds dichter om me heen. Inmiddels benemen ze me het zicht. Niet alleen letterlijk: als ik wil, kan ik mezelf de hele dag van mijn werk houden met het wegknippen van dooie stengels, het verpotten van uit hun terracottajas barstende knoeperds en het stekken van ongevraagd opgedoken partyanimals. En dórst dat ze hebben, een jaarclub na een workshop beschuitfluiten is er niks bij. Na ieder rondje van het huis door het huis, is de pot die je als eerst begieterde alweer zo droog als gort op een zomerse dag.

In andere kamers is de situatie vergelijkbaar.

Dit is waar de Mannen van de Radio (zoek op: ‘Ondankbare plant’) destijds voor waarschuwden.

Dit is een gijzeling.

Hoe het begon? Tja, hoe beginnen drama’s. Vaak met iets onbenulligs.

Ik wilde iets met planten. Iedereen wilde iets met planten. Voor een feestje in mijn nieuwe huis vroeg ik daarom ‘planten’. Aan die wens gaven de meeste genodigden geen gehoor. Zij vermoedden een flauwiteit en gaven een boek, of niks, net als anders. De nieuwe buurvrouw (goedbeschouwd was zij oud, en ik nieuw, maar goed) schonk me een plant.

‘Hoe heet dit?’ informeerde ik, terwijl ik in stilte wegzonk in de vraag of ik haar nu nóg eens drie zoenen moest geven, of dat het wel goed was zo.

‘Een pannekoekenplant.’

‘Haha. En als ik ’m wil googelen?’

‘Pannekoekenplant.’

Zou je altijd zien. Vond je eindelijk iets voor jezelf, midden in de stad, betaalbaar, rustig; woonde er een halvegare naast je.

De volgende ochtend zette ik mijn ‘pannekoekenplant’ in de vensterbank, en staarde er een tijdje eerbiedig naar.

Nee, mooi was-ie niet.

Wel lelijk.

Drie dunne stengels, met elk een klein, rond hoedje op. Bij mijn eerste plant had ik me wat anders voorgesteld. Wat, ja, plantigers. Was dit wel een plant? Het zag er meer uit als een door een leger Chinese handen gemassaproduceerd visioen van een ayahuascatrippende ontwerper van de Action. Soms trok ik even aan een van de hoedjes, krachtig, zoals een kind aan de baard van Sinterklaas trekt om te controleren of-ie echt is. Maar nee: geen plastic. Was het maar plastic geweest. Dan was het niet zo uit de hand gelopen. Dan had ik gewoon één plastic rommeltje méér gehad dan nu. Maar de pannekoekenplant van de buurvrouw bestond volledig uit pannekoekenplant. En hij groeide. Groeide. Hij groeide als een zwelbast, snel en groen en afschrikwekkend.

‘Je moet hem verpotten’, meldde mijn moeder.

‘Je moet hem stekken’, zei een vriend. Slechtste Advies Ooit.

Ik stekken. Potten kopen. Nog meer stekken. De jaren verstreken, de stelen werden stengels, de stengels werden stammen. Overal in huis dook de plant op. Ik begon ze weg te geven. Eerst drie aan die stek-vriend, daarna aan collega’s, buren en vage bekenden. Op het laatst kregen ook aanbellende pakketbezorgers er een mee. Desondanks vergroende de huiskamer zienderogen. Soms genoot ik ervan. Stockholmsyndroom. Op andere momenten, als ik even niet door groene joekels omringd wilde zijn, vluchtte ik naar een winkel of café. Wéér die dingen, waar je maar keek. Bij bekenden kon ik niet meer aankloppen: die stonden zelf inmiddels tot aan hun knieën in mijn cadeau.

Ergens onderweg was ik bezit van mijn bezit geworden.

En tuurlijk, ik had ook gewoon niet kunnen beginnen met stekken. Maar wie dat suggereert, heeft nog nooit een jong pannekoekenplantje, slap nog, in vochtige bedjes gezien. Niet-stekken zou hetzelfde zijn geweest als een nest eitjes bij het gft smijten. En bovendien: een stek is in potentie een gratis plant. Weggooien kan altijd nog.

Af en toe passeer ik een huis waar één exemplaar vrolijk staat te floreren. Stop, wil ik dan zeggen. Hou je in. Neem niet alles over. Punt gemaakt. Met je rare hoedje.

En de pannekoekenplant? Die houdt zich doof, en woekert voort.

Meer over