Betere buurt

De ontwikkelbuurt is nu slechts een passage, de kunstenaar vaak een passant

Claire voor de broedplaats Lely in Amsterdam-Slotervaart. Beeld Jimena Gauna
Claire voor de broedplaats Lely in Amsterdam-Slotervaart.Beeld Jimena Gauna

Hoe is het om je vertrouwde wijk te zien gentrificeren? Karima Aissaoui heeft 25 jaar in de Amsterdamse wijk Slotervaart/Overtoomse Veld gewoond. Ze beschrijft in deze reeks, samen met de bewoners, hoe de golf van buurtverbetering over ze heen slaat, met alle gevolgen van dien. Daarbij zijn broedplaatsen voor kunstenaars soms onderdeel van het probleem.

Karima Aissaoui

‘Wat goed dat jullie hier zitten. Zo wordt de buurt aantrekkelijker en komt er een ander soort bewoners op af.’ Het is 2017 als Claire van der Mee (29) een rondleiding geeft aan een gemeenteraadslid. Hij maakt een opmerking die haar nog lang bezighoudt. Van der Mee is beeldend kunstenaar en heeft een driejarig wooncontract in broedplaats Lely in Amsterdam-Nieuw-West, een atelierverzamelgebouw voor beginnende kunstenaars en creatieven. Lely is gevestigd in het oude Calvijn College tegenover station Lelylaan. Volgens de website van de gemeente zijn er ongeveer zestig broedplaatsen in Amsterdam.

‘Na deze opmerking begon er iets aan mij te knagen. Ik realiseerde me op dat moment ineens hoe kunstenaars als middel worden gebruikt voor een gemeentelijk doel. Je bent als kunstenaar met een laag inkomen afhankelijk van dit soort woningen, maar draagt daardoor bij aan het proces van gentrificatie.’

Wereldwijd laten onderzoeken een verband zien tussen de komst van kunstenaars en gentrificatie. Waar kunstenaars al vaak naar stadsdelen met betaalbare huren trekken, worden zij nu ook actief naar deze stadsdelen gelokt. De aanwezigheid van kunstenaars zorgt voor een interessant imago dat vastgoedbeleggers en inwoners uit hogere inkomensklassen trekt. In bepaalde gevallen moet de strategische plaatsing van straatkunst zelfs afleiden van sloop- en renovatiewerkzaamheden. ‘Van de bezoekers van een kunstcentrum in de broedplaats kreeg ik geregeld de vraag wanneer dat zou terugverhuizen naar het centrum van de stad.

‘Toen ik net in de broedplaats woonde, hield ik me nog niet zo bezig met het beleid erachter, maar na verloop van tijd en door dit soort ervaringen voelde ik die behoefte steeds meer.’

Schipluidenlaan, Christelijke Scholengemeenschap Pascal, 6 september 1971 Beeld Stadsarchief Amsterdam
Schipluidenlaan, Christelijke Scholengemeenschap Pascal, 6 september 1971Beeld Stadsarchief Amsterdam

Als kwartiermaker gaat Van der Mee over het beheer en de verhuur van de publieke ruimte van het gebouw. ‘Het was de bedoeling dat deze ruimte aan externe partijen zou worden verhuurd, zodat de al aanwezige huurders niet meer hoefden te betalen.’ Ook probeert ze de andere huurders te stimuleren om met culturele projecten bezoekers te trekken naar het pand. In ruil voor de publieke functie mogen de huurders drie jaar in de broedplaats wonen. ‘Ik merkte dat de huurders zich niet geroepen voelden om projecten te organiseren. Ook voelden de bewoners uit de omgeving weinig verbondenheid met de projecten die wél plaatsvonden in het gebouw.’

Voor haar master Arts and Society aan de Universiteit Utrecht besloot Van der Mee hier haar scriptieonderzoek naar te doen. Ze ging op zoek naar antwoorden op de vraag wat de bijdrage van kunstenaars is aan een omgeving waarvan zij maar tijdelijk onderdeel mogen zijn.

‘De gemeente heeft een systeem gecreëerd waarin kunstenaars geforceerd een gemeenschapsfunctie moeten vervullen in buurten waarmee ze weinig tot geen binding hebben. De bewoners krijgen op hun beurt te maken met culturele projecten waarin ze zich niet herkennen of waarbij ze niet worden betrokken.’

Van der Mee ontvangt me in haar werkplek op het NDSM-terrein aan het IJ in Amsterdam-Noord, waar ze in een zeefdrukkerij werkt. De knus verlichte keuken waarin we van een warm kopje thee nippen voelt mijlenver van het woest winderige terrein aan het koude water vandaan. Ze had destijds een tijdelijke woonplek toen ze naar broedplaats Lely kon verhuizen. ‘Deze kans kwam als geroepen, maar toen ik een tijdje de relatie tussen de broedplaats en de buurt had verkend, ging het bij mij steeds meer wringen. Ik vroeg me af wat wij als kunstenaars eigenlijk bijdroegen aan Nieuw-West. Het viel me verder op hoe weinig toegankelijk de broedplaats was.’

Van der Mee vertelt over een moment dat haar duidelijk nog dwarszit. ‘Toen een buurtbewoner die Nederlandse les gaf aan vluchtelingen mij om een ruimte vroeg, kon ik hem die niet bieden. Alles was al verhuurd en moest geld opbrengen. De enige tijdelijk verhuurbare ruimte was de aula. De man werd boos om het feit dat wij een heel gebouw innamen, maar niets teruggaven aan de buurt. Ik begreep wat hij bedoelde.’

Van der Mee bracht voor haar scriptieonderzoek verschillende culturele organisaties in Nieuw-West in kaart. Ze bezocht en observeerde de organisaties en ging in gesprek met betrokkenen. Daarnaast interviewde ze de kunstenaars en culturele partijen die in haar broedplaats actief waren.

Uit haar onderzoek blijkt dat de tijdelijkheid en onzekerheid waarin kunstenaars en initiatieven in broedplaatsen verkeren ertoe leiden dat de projecten moeilijk van substantiële en duurzame waarde kunnen zijn voor een gemeenschap. ‘Er zijn ontzettend veel culturele organisaties in Amsterdam-Nieuw-West. Daarom besloot ik projecten te ontwikkelen die de bestaande organisaties moesten versterken.’ Zo richtte ze met haar reizende Kunstkar een mobiel museum op; een zelfgebouwde trekkar waar buurtbewoners persoonlijke kunstobjecten konden afgeven. ‘Een schilderij van een koe, een surrealistische tekening, een kunstwerkje van zelfgeverfde wol. Ik maakte een praatje en deelde informatie uit over lokale culturele organisaties.’

Terwijl ik naar Van der Mees verhaal luister, bedenk ik dat ze alweer een jaar weg is uit Nieuw-West. Mede door de tijdelijke aard van haar wooncontract in broedplaats Lely is ze verhuisd naar een woongroep in een tuindershuisje in Amsterdam-Oost, waar ze langer kan blijven wonen. Nog voor haar project in Nieuw-West vruchten kon afwerpen, woonde ze alweer aan de andere kant van de stad.

Ik besef hoe weinig het uitmaakt wat de intenties van kunstenaars in broedplaatsen zijn. Het rigide broedplaatsenbeleid is gebaseerd op tijdelijkheid en biedt zo geen ruimte voor substantiële maatschappelijke uitkomsten voor de gemeenschap in de directe omgeving. Deze uitkomsten kunnen namelijk niet vooraf worden bepaald. Door dit wel te doen, wordt de ruimte weggenomen voor leden van een gemeenschap en kunnen bewoners niet zelf beslissen wat zij betekenisvol en nodig vinden.

Organisaties die geïnteresseerd zijn in het ontwikkelen van een gemeenschap kunnen daarom beginnen met het bieden van ruimte aan deze gemeenschap – en dan ruimte in de breedste zin van het woord. De broedplaats is nu slechts een passage, de kunstenaar vaak een passant. Van der Mee schrijft in haar scriptie: ‘Moeten kunstenaars bewust worden ingezet als instrumenten van stedelijke ontwikkeling, vooral wanneer deze stedelijke ontwikkeling leidt tot de verdrijving van een groot aantal inwoners?’ En vrij naar de beroemde Amerikaanse schrijver Audre Lorde: als schuld en afweer bakstenen zijn in een ondoordringbare muur, wat zijn dan de bouwstenen die onze beider toekomst dienen?

Meer over