EENZAME UITVAART

De man die op die vrijdag in februari voor de metro stapte, wilde niemand meer zijn

null Beeld Merel Corduwener
Beeld Merel Corduwener

Niemand weet wie hij is, de man die een einde aan zijn leven maakte door bij Duivendrecht voor de metro te stappen. Zou hij eveneens omwille van de liefde tot zijn daad zijn gekomen? Hij heeft niemand meer willen zijn.

Japi sprong niet van de Waalbrug, hij stapte. Het was op een zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam, aldus Nescio in De Uitvreter (1911). ‘Maak je niet druk, ouwe jongen,’ zei Japi tegen de wachter die hem te laat in de gaten kreeg.

De onbekende met wie ik 110 jaar later te maken krijg sprong evenmin, ook hij stapte. Niet van een brug bij Nijmegen maar op het metrospoor bij Duivendrecht, waar vroeger de weilanden lagen waar Nescio graag wandelde.

Schrijver Joris van Casteren doet in een reekspublicaties in de Volkskrant verslag van zijn wederwaardigheden als coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Daarbij leest een dichter, aangesloten bij de zogenoemde Poule des Doods, een gedicht voor de gestorvene voor.

Het was op een winteravond om half zeven, toen de zon prachtig onderging. Het is niet bekend of hij nog iets heeft gezegd tegen de bestuurder van lijn 53 richting Gaasperplas die hem te laat in de gaten kreeg.

Koekebakker, Nescio’s alter ego, wist Japi’s achternaam niet. Daar had ’i via zijn schilderende vriend Bavink makkelijk achter kunnen komen want ‘Japi’s ouwe lui die het Nieuws van den Dag lazen’ woonden in Amsterdam.

Van de onbekende man weet ik niets. Een maand lang heeft de recherche intensief gespeurd. De onbekende had niks bij zich, geen portemonnee, geen telefoon, geen sleutelbos. Zijn dna komt niet voor in de systemen.

In Japi’s kamer hingen briefjes aan de muur met ‘G.v.d.’ en ‘Ziezoo’ er op. Hij had Koekebakker een kaartje gestuurd waar op stond dat Jeanne op wie hij verliefd was geweest aan haar borstkwaal was gestorven.

Misschien heeft de onbekende man ook een kamer waar briefjes hangen. Zou hij eveneens omwille van de liefde tot zijn verdrietige daad zijn gekomen? Hij heeft niemand meer willen zijn, zijn naam uit schaamte of woede uitgevlakt.

Het gebeurde op vrijdag 5 februari, in de bocht tussen de haltes Van der Madeweg en Venserpolder. Pittoresk als het zicht vanaf de Waalbrug is het hier niet, al geruime tijd dringt een plaatselijke werkgroep bij de gemeente Ouder-Amstel aan op renovatie van dit stuk niemandsland.

Het gebied, aldus de plaatselijke werkgroep, wordt als gevolg van slecht onderhoud en nalatig beheer door reizigers en omwonenden ervaren als ‘een van de meest deprimerende locaties in Duivendrecht’. Beton, staal, plukjes groen, dat is het wel zo’n beetje.

Duizenden liters spuitverf en latex zijn hier in de loop der jaren tegen de muren gegaan. De onbekende was geen onoplettende graffiti-artiest, verongelukt aan de voet van een onvoltooide schildering. Dat scenario is onderzocht en verworpen. Geen camera registreerde hem, vermoedelijk is hij ergens over een hek geklommen.

De onbekende heeft zich moed ingedronken, de hulpdiensten roken het meteen, bij de schouw in het forensisch laboratorium is het bevestigd. Blank, 1 meter 80, noteerde de patholoog. Tussen de veertig en zestig jaar oud. Ietwat kalend, geen littekens of tatoeages. Twee schroeven in het kuitbeen van een oude operatie.

Hij droeg een wielershirt, het leek een aanknopingspunt. Wit, blauw en rood, met de naam van een sponsor. Via de sponsor, het Nederlands Inkoop Centrum (NIC), kwamen de rechercheurs uit bij een fietsvereniging uit Arnhem.

De voorzitter verklaarde dat het shirt tijdens een eenmalig evenement was verspreid, in een beperkte oplage. Van zijn club werd in ieder geval niemand vermist, hij was het even nagegaan. Het evenement had jaren geleden plaatsgevonden, exemplaren kunnen in kringloopwinkels terecht zijn gekomen.

Afgezien van het shirt zag de onbekende er niet uit als een wielrenner, in zijn buurt is ook geen racefiets aangetroffen. Over het shirt droeg hij een dikke trui met capuchon. Kultivate staat er op, in lelijke letters.

De onbekende droeg een spijkerbroek van Blue Blood, een merk dat in 2009 failliet is gegaan. Werkschoenen met stalen neuzen, maat 43. Van Caterpillar, een Amerikaans bedrijf dat ook walsen en graafmachines produceert en eind 19de eeuw de rupsband uitvond.

Hij zag er verzorgd uit, vertelt de rechercheur. Geen corona-kapsel, gladde kaken: waarschijnlijk heeft hij zich ’s ochtends nog geschoren. In een lokaal opsporingsprogramma zijn foto’s van de kleding vertoond, niet één tip kwam er binnen, ongekend.

De politie heeft met omwonenden gesproken, niemand sloeg aan op het signalement. Daklozenorganisaties en buurtcentra zijn benaderd, evenmin met resultaat.

Die middag, 4 maart, sturen ze een foto met zijaanzicht van het gelaat naar het opsporingsprogramma. ‘In z’n geheel is het helaas niet toonbaar,’ zegt de rechercheur. Het is een laatste poging, de uitvaart staat al ingepland.

Het zijaanzicht bezorgt me de schrik van mijn leven, de onbekende lijkt sprekend op Mark, een Amerikaanse vriend, woonachtig in Amsterdam, die ik al een tijd niet heb gesproken.

Mark zondert zich af, hij wil beeldend kunstenaar zijn maar verdient zijn geld vooral met klussen. Hij is melancholisch, drinkt soms best wel wat. Aan wielrennen doet hij niet, toch bel ik hem meteen.

Hij neemt op, een pak van mijn hart. Ik zeg natuurlijk niet waarom ik bel (‘omdat ik dacht dat je een onbekende dode was’), wil zogenaamd gewoon zijn stem weer eens horen. We hebben elkaar veel te lang niet gesproken, die rot-corona ook. Binnenkort maken we een wandeling, hij wil graag weer eens tequila met me drinken.

Ik denk aan de metrobestuurder. In 2017 werkte ik aan een Een botsing op het spoor, een literairjournalistieke reconstructie van een dubbele zelfmoord (moeder en dochter) met hun vijf honden bij Nijmegen.

Ik sprak onder meer met de machinist, een sympathieke man die naar de boekpresentatie kwam, onderdeel van een Nijmeegs literatuurfestival. Daar was ook de enige overlevende van het drama aanwezig: een van de honden, met haar nieuwe eigenaren. Ik zag hoe de machinist het grommende hondje aaide.

De gesprekken met de machinist staan in mijn geheugen gegrift, enigszins meen ik me te kunnen verplaatsen in wat de metrobestuurder heeft doorstaan. Bij wijze van kennisgeving, het hoeft niet te worden opgevat als uitnodiging, geef ik het tijdstip van de uitvaart door aan de leidinggevende, die waardeert het zeer.

Dinsdag 9 maart, begraafplaats Sint Barbara, Amsterdam-West. Ik ben gekomen met twee weduwen: Vrouwkje Tuinman en Femke van der Laan.

Tuinman heeft op mijn verzoek het gedicht voor de onbekende man geschreven. Om inspiratie op te doen heeft ze vorige week lijn 53 genomen. Het valt haar zwaar, voor het eerst sinds het overlijden van F. Starik (1958-2018), mijn voorganger, is ze in de aula. Stariks graf, hij verpoost op Sint Barbara onder Belgisch hardsteen, bezoekt ze regelmatig.

Op het graf groeit een rozemarijnstruik waar ze takjes van afknipt om thuis gerechten mee te kruiden. Stekjes van de struik schenkt ze aan vrienden en bekenden, er moeten zoveel mogelijk Starik-plantjes groeien. Op haar volkstuin, vertelt ze, heeft ze zelf ook ‘een kind van die struik’ staan.

Van der Laan is de nieuwe voorzitter van stichting De Eenzame Uitvaart, ze wil graag eens zien hoe het gaat, zo’n eenzame uitvaart. Bij het overlijden van echtgenoot Eberhard van der Laan (1955-2017), was heel Nederland betrokken, nogal een contrast met de onbekende metroman.

De oud-minister en burgemeester van Amsterdam rust niet hier maar op begraafplaats De Nieuwe Ooster. Femke van der Laan komt er regelmatig maar laat er geen kruidenplantjes groeien.

Om kwart voor twaalf arriveert de rouwwagen, een mooie Cadillac van Uitvaartcentrum Zuid. Stapvoets glijdt het voertuig over het voorplein. Ervoor de uitvaartleider op hoge hakken, zij geeft het tempo aan. Vier dragers aan weerszijden.

Voor ons komt de stoet tot halt, de achterklep gaat automatisch open. De chauffeur helpt met de kist, die moet op de rolbaar. Waar is dat ding? De dragers halen hem vlug tevoorschijn uit de hal. De rouwwagen staat niet op de handrem, de chauffeur duikt weer achter het stuur.

In de kist van eikenprint met bloemstuk ligt de onbekende man, hij zweeft ons geruisloos voorbij. De dragers zetten hem netjes neer, tussen de kaarsen. We wachten tot het twaalf uur is, misschien komt er iemand. Het gebeurt nooit, toch blijf je hopen.

De onbekende wordt niet in het wielershirt begraven, zijn kleren worden voor het onderzoek bewaard. Gewikkeld in een deken is hij van het gerechtelijk mortuarium aan de De Boelelaan overgebracht naar Uitvaartcentrum Zuid, daar trok men hem een wade aan.

Twaalf uur, de weduwen en ik nemen plaats op de eerste rij. Muziek van Charles Ives (1874-1954): The South Wind, door Tuinman uitgekozen. Een lied over de lente, die altijd weer komt, als verlosser van de dode winter. De uitvaartleider houdt een praatje. We zijn bijeengekomen voor een onbekende man. We weten zijn naam niet, we weten niet wanneer hij is geboren. Had hij kinderen? Zou er ergens nog familie zijn?

Na Tuinmans gedicht opnieuw muziek. Het laatste stuk is het door een onbekende geschreven Schotse lied Remember me my dear, vertolkt door het Hilliard Ensemble. Op de klanken daarvan lopen we achter de kist aan naar buiten.

Onderweg naar het graf gebeurt er iets vreemds. Een spichtige mevrouw met roodgeverfd haar maakt foto’s van onze bescheiden staatsie. Aan het graf, voor het zakken van de kist, gebeurt het opnieuw: de roodharige is ons gevolgd, ze gluurt door de heg en richt opnieuw haar telefoon, watervlug.

Het ritueel is verstoord, na afloop zoeken we de vrouw, ze is nergens te vinden. We speculeren er op los. Iemand die de onbekende kende? Geen rechercheur in ieder geval, ook niet de metrobestuurder. Ik houd het op een ramptoerist.

Daags na de uitvaart laat de rechercheur weten dat het vertonen van de foto met zij-aanzicht van het gelaat in het opsporingsprogramma ook geen tips heeft opgeleverd, niet eerder maakte hij dat mee. Hij denkt ook dat de fotograferende vrouw een ramptoerist is geweest, mogelijk trok ‘de verschijning van mevrouw Van der Laan’ haar aandacht.

De rechercheur vermoedt dat de onbekende uit het buitenland afkomstig is. Het DNA-materiaal zal met hulp van Interpol door de diverse buitenlandse databanken worden gehaald, een proces van jaren.

Ruime marge

Het kan dus nog: jezelf vrijwel onzichtbaar maken. Je zo bewegen
dat je de camera’s ontwijkt, de lampen je niet vangen,
je er pas bent tijdens de klap – en dan meteen weer weg.

Voor die tijd kamde je de restanten van je haar, schoor je kaken,
alles om niet op te vallen. Je leegde de zakken van je broek,
je hoodie, derdehands en onherleidbaar. Net zoals je dna.

Er is iemand die in jou een Mark herkent, maar nee,
dat ben jij niet want Mark neemt op. Maar het had gekund.
Je kunt werkelijk iedereen zijn. Veertig jaar of zestig en

je lengte – men neemt een ruime marge. Was dit het doel?
Zo gemiddeld mogelijk vertrekken zodat niemand
specifiek je kan gedenken? Breek ik in met dit gedicht

of ben je juist opgelucht dat ik mijn muziek opdring,
je een gezicht krijgt dat ons afleidt van het jouwe,
schone kleren en een bordje zonder naam.

Vrouwkje Tuinman

Heeft u zelfmoordgedachten? Bel gratis met 113 of chat via 113.nl.

Wie werd aangereden door een metro tussen Venserpolder en Van der Madeweg?