De macht van de dienaar

In 1957 werd mgr. prof. dr. Ferdinand Léon Rudolph Sassen (1894-1971) geschilderd door Theo Luns. Hij zit er in zijn kleding van ereprelaat van de paus, een zwarte toog met paarse knoopjes en brede paarse sjerp, een rood boek in de hand....

Het portret staat in zijn volle ijdelheid op de omslag van een boek over zijn leven en werk. Meteen op de eerste pagina daarvan staat de tekst van het bidprentje dat Sassen zelf opstelde. Geen functie, geen onderscheiding heeft hij vergeten: het geschilderde portret in woorden.

Toch heette hij bescheiden. Daarmee zal op zijn dienstbaarheid zijn gedoeld. Hij is een dienstknecht geweest van kerk en wetenschap. Te grote nederigheid moet men zich daarbij ook niet voorstellen. Sassen was ook alomtegenwoordig. Uit dienstbaarheid sloeg hij geen enkele leidende functie af; hij had macht. Dienstbaarheid uit zich ook altijd in een zeer grote werkkracht. Sassen is 35 jaar hoogleraar in de wijsbegeerte geweest, in Nijmegen en in Leiden; hij heeft ontzagwekkend veel gepubliceerd, en dat ook in kranten en weekbladen, katholieke uiteraard.

De boeken waarin hij de geschiedenis van de wijsbegeerte van de grote perioden van het westerse denken beschreef, waren heel lang verplichte studiewerken. En dat is te begrijpen: ze zijn bijna onpersoonlijk, ook van taal, misschien zou je ze ambtelijk kunnen noemen. Zijn Geschiedenis der Patristische en Middeleeuwsche Wijsbegeerte heb ik zo'n halve eeuw geleden gelezen. Ik werd er niet door aan het denken gezet, maar was wel geïmponeerd.

En toch. Binnen het toenmalige katholicisme, of misschien moet je zeggen in de katholieke wetenschappelijke wereld, had hij iets bevrijdends. Het hele wijsgerig onderwijs - en ook het denken dus - was in handen van priesters en vooral van ordegeestelijken. En die waren doorgaans niet ruimdenkend, behoedzaam eerder, en hun denken was afgebakend of ingeperkt door het thomisme. Sassen was als wetenschapper objectief en ruim, zeker in zijn belangstelling voor en vooral waardering van andere grote denkers. Hij verdedigde de autonomie van het denken. Dat leidde tot conflicten met de kerkelijke overheid, tot terechtwijzingen van godgeleerden en misschien vooral dominicaner filosofen (en die monopoliseerden toch enigszins het katholieke denken in Nederland, in elk geval aan de Katholieke Universiteit Nijmegen). Sassen werd zelfs onder censuur gesteld. Dat hij nog ereprelaat van de paus is geworden, kan verwonderen. Onder de tegenwerking heeft hij niet geleden, de echte dienaar is ook onverstoorbaar. Hij werd, buiten de katholieke kring, ruim gewaardeerd. Zonder die wetenschappelijke objectiviteit zou hij nooit in Leiden zijn benoemd.

In zijn achtdelige werk Wijsgerig leven in Nederland, België en Luxemburg heeft C.E.M. Struyker Boudier in het zevende deel over Sassen geschreven; hij heeft ook afzonderlijke publicaties aan hem gewijd. Nu heeft hij een uitgebreid werk over hem geschreven. Een man van de geest heet het. De ondertitel is Hoofdstukken over leven en werken van Ferdinand Sassen (Valkhof Pers, Nijmegen; ¿ 45,-). Voor het biografische deel kon hij mede gebruik maken van de ongepubliceerd gebleven Herinneringen van Sassen zelf. Schokkend of zelfs boeiend is dat leven niet. De carrière ontvouwt zich met de precisie en bijna vanzelfsprekendheid van een waaier. Dat is niet in de geest van Sassen zelf. Hij zag de Voorzienigheid bijna altijd aan het werk, zeker op de keerpunten van zijn leven.

En toch is dat leven in één opzicht zeer boeiend: door Sassens centrale plaats en altijd vrij centrale functies, ook buiten de universiteiten, wordt in zijn biografie de geschiedenis van katholiek Nederland heel goed zichtbaar, zeker van de periode van het interbellum. Na de oorlog gaat zijn leven op in de meer algemene geschiedenis, en dat kan voor de veranderingen in dit land tekenend zijn. En toch. Ik las zijn sterfjaar: 1971. Zesentwintig jaar geleden. Ik dacht dat hij veel langer dood was. En dat komt misschien hierdoor: hij representeert toch vooral dat vooroorlogse katholicisme.

Dat wordt nog hierdoor versterkt: alle figuren die in zijn wetenschappelijke leven en conflicten een rol hebben gespeeld, worden in de noten van beknopte biografische gegevens voorzien. Alle vergeten en vooral kloosterlijke en priesterlijke coryfeeën van eens staan erin. Ik las op bladzijde 40 het woord 'Doodkorte-adept'. De auteur laat het woord zonder verklaring passeren. Maar ik rook bij die naam ineens de geur van bibliotheekboeken; ze waren geschreven door de dominicaan Doodkorte, voor de oorlog een bekende hardnekkige apologeet. Hij komt nog enkele keren in het boek voor en in de noten bij het vierde hoofdstuk vond ik tot mijn vreugde zijn biografische gegevens. Hij bleek al in 1938 gestorven.

De eerste twee hoofdstukken gaan over het leven en ik vind die het boeiendst. De hoofdstukken 3 en 4 gaan over het werk en die zijn soms wat plichtmatig, maar voor de geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland - een klein denkraam overigens in dat grote huis van de filosofie - onmisbaar. Het laatste hoofdstuk is evaluerend en dat vooral voorzichtig: de geschiedschrijver komt centraal te staan. Maar men mag concluderen dat de schrijver over het denken zelf geen groot denker was. Hij was een nadenker. Eigenlijk was Sassen, denk ik, in hoge mate saai, want vooral degelijk.

Misschien zijn deze zinnen een mooie samenvatting van zijn leven en werk. Sassen schreef ze in het voorwoord bij de genoemde Herinneringen: 'Als er een morale de la fable uit deze herinneringen getrokken moet worden, dan is het deze, dat het leven heel anders verloopt dan men het zich in zijn jeugd gedacht heeft. In dit alles is de leiding van de goddelijke voorzienigheid zichtbaar, die zich uiteraard van menselijk ingrijpen en menselijke beslissingen bedient.'

God heeft de hand in alles, maar de mens helpt hem een handje. Het is een gedachte waar ik niet duizelig van word, maar voor een dienaar een geruststellende. En de hoogste onderscheiding krijgt hij na zijn dood.

Meer over