ColumnPeter Buwalda

De Maas trad buiten haar oevers, we voeren in bootjes door de Kloosterstraat

null Beeld

Er staan hier zesduizend ruggen, ik kijk er de hele dag naar, het zijn net vogeltjes, zeg ik tegen Jet, ben maar blij dat we er niet voor in de struiken hoeven met een verrekijker en een ringbaard.

Een van de ruggen/vogeltjes is van Mario Puzo, niet The Godfather, die bezit ik niet, een omissie, ik weet het. Nee, ik bedoel Fools Die, een heel cool vogeltje is dat, vooralsnog vanwege de titel, lezen moet nog, maar die titel bevalt me, ik prevel hem soms hardop, in feite is het een two-word-story, en ook een zeer kort Chinees spreekwoord (een ZKCS).

Eigenlijk moet ik Fools Die maar eens ‘doen’, met voorrang lezen, bedoel ik, en er dan over berichten. Mario verdient het, een nagekomen recensie, hij is namelijk een tragisch geval wanneer het over boekverfilmingen gaat. Die lukken zelden, de boeken blijven doorgaans beter, behalve in Mario’s geval, die kwam te zitten met de meest bejubelde film aller tijden, geen sterveling die nog aan hem denkt bij The Godfather, natuurlijk.

*

Puzo zeggen, Puzo doen. Voorlopig blijf ik de titel nog even prevelen, ‘Fools die’, juist nog, toen ik vernam dat Limburg onderloopt. Ik leef mee, ik kom er vandaan, het hadden ook mijn boekenkasten kunnen zijn. Mijn ouders wonen er, mijn broers volgens mij ook. (Bij Mike, met wie ik ’s nachts uren over Hotz en andere vogeltjes bel, zie eerdere columns, ben ik nog nooit thuis geweest. Hij woont al vijftien jaar in Venlo. Maar klopt dat? Misschien belt hij uit India, uit een callcenter. Ik hoop het voor hem.)

‘Boeken droog?’, appte ik – geen antwoord. Toen ik op de lagere school zat, trad de Maas buiten haar oevers, de dorpskern van Blerick liep onder, met de klas hebben we er toen een krantje over gemaakt, we voeren in bootjes door de Kloosterstraat. Zullen ze blij mee zijn geweest, dertig gratis kleuters erbij.

‘Het is van alle tijden’, zei ik. ‘Nee,’ zei Jet, ‘het is van voortaan.’

‘Fools die…’, murmelde ik maar weer eens, piekerend over aanhoudende wolkbreuken, dagenlang, weken, nu was het Valkenburg, maar kon het morgen ook Amsterdam zijn?

‘Tuurlijk’, zei Jet.

Onze woonstee staat in een tobbe, het laagste punt van Amsterdam, zei Eus altijd, onze oude buurman, een veteraan. Hij is verhuisd, ’s nachts, zonder iets te zeggen, zo doen oud-commando’s dat, altijd on the move. Nu denk ik: Eus voelde de bui hangen. Op de gekste momenten begon hij over 1960, de watersnood in Tuindorp, grijnzend naar onze kasten.

En voort raasden mijn gedachten, naar een voormalige schoonvader, naam kwijt, jaren geleden verruilde hij Delft voor een Friese terp, hij zat graag tijdig ‘hoog en droog’. ‘Hai ies gék’, brulden we als we terug de kuip inreden, maar het gebrul is inmiddels verstomd. (‘Papa? U had gelijk. Het spijt me.’)

*

Naar Friesland? Vlug, voor het gaat stortregenen?

‘Nee’, zegt Jet. Ze haalt een gedicht aan, De tuinman en dood. Verzoen je ermee, wil ze zeggen, vluchten haalt niks uit, je boekjes worden toch wel papier-maché. Vroeger, bij L.J. Veen, ik deed er de stervensbegeleiding, hadden we Thomas Verbogt, die tussen verhuizingen in, misschien wel naar Friesland, moet ik navragen, zijn complete bibliotheek had laten opslaan in geventileerde containers. Juist toen zijn boeken in die containers zaten, brandden die containers af. Hieruit probeer ik al jaren lessen te trekken.

Meer over