De luxe van een leunstoel. Consumptiemaatschappij heeft wortels in de zeventiende eeuw

HOE GOEDKOPER de hotelkamer, hoe hoger het tv-toestel. Dat schijnt ook voor interieurs van privé-woningen op te gaan. De arbeider zet zijn venster op de wereld bij voorkeur halverwege het plafond en niet zelden nog hoger....

Dit voorbeeld is een illustratie van de thematiek die aan bod komt in de bundel Aards geluk. In deze bundel wordt geprobeerd voor een breder publiek duidelijk te maken hoezeer gegevens over 'de Nederlanders en hun spullen' het zicht kunnen openen op de ontwikkeling van allerlei collectieve mentaliteiten in de vroegmoderne tijd (1550-1850). Materieel bezit bevordert gewoonten en geeft sociale status aan, maar berust niet zomaar op vrije keuzen van een groeiend potentieel aan massaconsumenten. Want is het niet zo dat steeds meer artikelen aan steeds meer mensen worden opgedrongen onder de verzekering dat ze niet langer zonder kunnen?

Zulk consumentisme is niet van alle tijden, maar barst pas goed los in de zeventiende eeuw, om eerst in de loop van de negentiende eeuw een werkelijk massaal karakter aan te nemen. De bundel is erop uit te laten zien hoezeer het bewaarde bronnenmateriaal in staat stelt deze materiële cultuur te volgen naar tijd, milieu en streek. En zo komen we niet alleen meer te weten over mentaliteiten, maar ook over de zich ontwikkelende smaak, leefstijlen en het dagelijkse leven in het algemeen.

Volgens de samenstellers van Aards geluk zijn wij in Nederland heel goed in dit soort geschiedschrijving. Jammer genoeg moeten ze constateren dat een wat breder publiek hier nauwelijks weet van heeft. Daarom is een tiental bijdragen van prominente auteurs uit dit vakgebied bijeengebracht. Op één na zijn deze al eerder gepubliceerd. Hun kwaliteit wordt dermate hoog geacht dat ze nu ook buitenstaanders goed zouden kunnen informeren over wat er allemaal speelt op het terrein van de materiële geschiedenis.

Hoezeer ook de ambitie om zich eens in wat breder dimensies te bewegen, te begrijpen valt en hoe eminent de bijeengebrachte getuigenissen van deze vakbeoefening ook mogen zijn, van enige toegankelijkheid voor niet-direct betrokkenen kan nauwelijks sprake zijn. Het is in dit licht bijna ontroerend dat de redactie meent in het bijzonder een brug in deze richting te kunnen slaan door alle voetnoten en literatuuropgaven weg te laten bij de negen al eerder gepubliceerde artikelen.

Het reiken naar een breder publiek vereist echter aanzienlijk meer dan het trimmen van de verwijzingen. Daarvan is geen spoor te bekennen. Alles is en blijft gericht op de eigen vakbeoefening in engere zin, terwijl ook het inleidende artikel van de Wageningse historicus Anton Schuurman eerder uit is op wetenschappelijke verantwoordingen van de gevolgde methoden en van de discipline in het algemeen dan op het wekken van belangstelling bij een algemener publiek.

Dat neemt niet weg dat alle bijdragen zeer gedegen overkomen, helder geschreven zijn, duidelijk de uitkomsten aangeven en zich oprecht tonen in het zichtbaar maken van de beperkingen. Maar tegelijkertijd leveren ze niet meer dan bouwstenen voor het soort werk waarmee men dit terrein toegankelijker had kunnen maken.

Wat kunnen wij weten over Nederlanders en hun spullen in de periode vanaf de Middeleeuwen tot in de eerste eeuw van de industriële revolutie? Hoe is het opbouwen van materieel bezit te verbinden met stad en platteland, diverse milieus, leeftijdsgroepen, regio's en ook de grotere bewegingen in de sociaal-economische geschiedenis van Europa?

Het voornaamste houvast wordt gevormd door boedelbeschrijvingen, die in het kader van het erfrecht vanaf de zestiende eeuw bij duizenden zijn bewaard. In principe worden daarin alle materiële bezittingen opgesomd van een huishouden. En die zeggen het nodige over verwarming, verlichting, meubilair, versiering, schoonmaken, koken, eten, kleding, sieraden en gereedschap.

De interpretatie daarvan, onderlinge vergelijkingen en het nagaan van verschijnen en verdwijnen van allerlei voorwerpen bieden bijkans onbeperkte mogelijkheden tot het ontwerpen van een eindeloze reeks van tabellen die de verspreiding van goederen en huisraad naar tijd, streek en milieu in kaart brengen.

En dan? De vermaarde econoom-historicus Jan de Vries uit Berkeley plaatst dergelijke gegevens in het debat over de 'consumenten-revolutie': wanneer zijn mensen op enige schaal begonnen met het aanschaffen van spullen? En hoe verhoudt het praktisch nut daarvan zich tot de behoeften om een zekere status uit te dragen? En vooral: kweekt de groeiende vraag een markt of is het eerder omgekeerd?

De Vries beweegt zich als een vis in het water bij zulke vragen. Daarbij vestigt hij de aandacht in het bijzonder op de zogenoemde 'revolutie van de vlijt'. Die zou zijn begonnen in boerenhuishoudingen, waar men zich allengs ging specialiseren in producten (vooral eetwaar) die op de markt te gelde konden worden gemaakt. Tevens werden grond, arbeidskracht en kapitaal efficiënter benut, waarbij het geknutsel aan en om het eigen huis werd ingeruild voor meer verkoopbare activiteiten.

Hiermee in de pas loopt het vermeerderen van het aantal werkdagen. Hield men in de vijftiende eeuw door het hoge aantal (semi-)kerkelijke feestdagen slechts een 250-tal werkdagen over, in de loop van de zeventiende eeuw werden dit er meer dan driehonderd. Ten slotte nam het arbeidstempo ook aanzienlijk toe. Engelse boeren oogstten in het begin van de negentiende eeuw liefst viermaal zoveel als hun middeleeuwse collega's, hoewel de technieken elkaar maar weinig ontliepen.

Dit principiële betoog is echter rijkelijk abstract en geheel ingebed in een vakwetenschappelijke geleerdendiscussie op wereldformaat, zodat de meer onbevangen lezer zich voortdurend buitenspel geplaatst voelt. En dat moet zelfs gelden voor (cultuur)historici uit verwante disciplines.

Daarom blijft het een intrigerende vraag waarom men niet heeft geprobeerd een paar oorspronkelijke bijdragen te krijgen die laten zien tot welke aanstekelijke inzichtelijkheid het blootleggen van de materiële cultuur kan leiden voor de nationale beschavingsgeschiedenis. Daarbij zou het accent moeten liggen op wat de Amsterdamse volkskundige in ruste J.J. Voskuil heel direct durft vast te stellen: de geschiedenis van 'onze' voorwerpen biedt ruim zicht op de ontwikkeling van collectieve mentaliteiten.

Nu krijgt de lezer niet veel meer dan het wel zeer globale perspectief dat in Schuurmans inleiding wordt aangereikt. In de loop van de zeventiende eeuw komen er nieuwe genotmiddelen zoals thee, koffie, chocola, suiker en tabak, tezamen met nieuwe huisraad als spiegels, klokken en horloges. Maar in niet-elitaire huishoudens blijft het beddengoed tot ver in de negentiende eeuw het voornaamste bezit.

Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw worden verwarming en verlichting belangrijk, nieuwe meubels en eetgerei voor de meer uitgebreide maaltijden. Aparte keukens, slaapkamers en woonvertrekken zijn mede gestimuleerd door de ontwikkeling van de kachel, terwijl elektriciteit en waterleiding de grote veranderingen van de twintigste eeuw hebben gestuurd. 'Als men de veranderingen in woonstijlen vanaf de vroegmoderne periode met een enkel woord zou willen benoemen, kan men de veranderingen in de zeventiende en achttiende eeuw betitelen als een toename van sociabiliteit, die van de achttiende en negentiende eeuw als een toename van huiselijkheid en die van de twintigste eeuw als de opkomst van mechanisatie en efficiency.'

Helaas moet het blijven bij dit enkele woord. Waarom krijgen we nu juist hiervan zo weinig voorbeelden? De lezer moet zelf maar wat bijeensprokkelen uit het woud aan tabellen en al dat omstandige getheoretiseer. En de volhouder voelt steeds meer de behoefte aan de ordenende en vooral verbeeldende hand van iemand die de geest durft te laten bewegen en de pen weet te voeren.

0 EEM NU de geschiedenis van de leunstoel, die Voskuil verleidt tot zo'n terzijde. Lange tijd was de leun- of armstoel voorbehouden aan de vader des huizes, immers hoofd van het gezin wiens gezag onder meer in die particuliere leunstoel tot uiting kwam. De stoel was absoluut aan hem voorbehouden; anderen mochten er niet in gaan zitten, tenzij nadrukkelijk daartoe uitgenodigd.

De aanschaf van een tweede stoel van dit type, nu voor de vrouw, blijkt in het laatste kwart van de negentiende eeuw op te komen in de hoogste inkomensgroepen. Daaruit is af te leiden dat de positie van de vrouw in het gezin aanmerkelijk aan het veranderen is: zij begint haar rechten op te eisen. Op enige afstand volgen de lagere inkomens.

Maar bij de boeren ligt dat anders. Zij schaffen leunstoelen niet aan om erin te zitten en dus in de woonkamer een hiërarchie uit te drukken, maar als statussymbool voor de pronkkamer. De verhoudingen in een boerenhuishouding liggen namelijk anders: de man als baas in huis hoort alleen bij burgers in de stad. Tot ver in de vroegmoderne tijd zijn man en vrouw gelijkwaardig in de taakverdeling op het platteland. Pas de mechanisatie van de landbouw zal de taak van de vrouw uithollen, waardoor dat evenwicht verstoord raakt en het boerenhuwelijk in een verburgerlijkingsproces belandt.

Het ironische is dat Voskuil bij uitstek de persoon is om te schrijven over zulke verbindingen tussen spullen en mentaliteit. Maar juist hij laat in zijn begonnen reeks romans over het P.J. Meertens-Instituut (Het Bureau) zijn alter ego Maarten Koning verklaren dat zulke arbeid volstrekt zinloos is. En Koning doet precies in die romans wat zijn schepper Voskuil in deze bundel in een andere hoedanigheid laat zien.

Zinloos werk? Het is in dit licht opmerkelijk dat de bijdragen in de bundel zo weinig ambitie en durf tonen in het demonstreren van het zinvolle van deze materiële geschiedschrijving. Want nergens blijkt dat Voskuils collega's geen belang zouden hechten aan de mogelijkheden om langs deze weg meer inzicht te krijgen in de groei en het afsterven van collectieve gedragingen, denkbeelden en ideologieën.

Zo lopen er lijnen van de ontwikkeling van de petroleumlamp naar een toenemende individualisering. Zo gauw zulke lampen geperfectioneerd worden, in een zekere massaproductie komen en dus goedkoper kunnen zijn, betekent dat allereerst dat de perioden van natuurlijke duisternis talrijke nieuwe mogelijkheden openen voor activiteiten die eerst strikt gebonden waren aan het daglicht.

Bovendien kan men zich nu ook terugtrekken in diverse ruimten binnenshuis, die alle afzonderlijk verlicht kunnen worden. Dat betekent tevens ingrijpende gedragsverandering en de groei van daarmee samenhangende mentaliteiten. Niet langer zit men na het vallen van de duisternis nog even gezamenlijk rond een open vuur, dat tegelijkertijd dient voor de voedselbereiding en fungeert als warmte- en lichtbron.

Naast licht kan ook de warmte op transport door de fabricage van betaalbare haarden, waarvan de meeste mensen zich er nu meer dan één in huis en boerderij kunnen veroorloven. Daardoor wordt niet alleen een blijvende overwinning behaald op de duisternis, maar ook op de klamme herfst, de strenge winter en het kille voorjaar.

Uitvinding en serieproductie van petroleumlamp en haard bevorderen de individualisering en het bijbehorende gedachtenleven. Maar telkens hoort daarbij de vraag of die drang om zich terug te trekken uit de massa en zich te onderscheiden - een lange lijn in de geschiedenis - niet juist de ontwikkeling van zulke massaproducten heeft bevorderd.

0 EN ANDERE complicatie is dat er naar tijdsverloop ongetwijfeld variatie naar milieu moet zijn. Waren open vuren en brandende toortsen in diverse vertrekken niet al veel langer verworvenheden van de aristocratie? En moet dat niet betekenen dat hooggeplaatsten al veel langer - of zelfs altijd - in de uitzonderingspositie hebben geleefd van de mogelijkheid tot persoonlijke verbijzondering? Dan zijn petroleumlamp en haard eerder exponenten van de voortschrijdende democratisering van het individu, waarbij de vraag blijft of er niet vooral sprake is van een wisselwerking.

In een van de bijdragen van Schuurman komt een terzijde voor over zo'n petroleumlamp, waarin zulke mentale dimensies worden overwogen. Maar aan de rest wenst niemand zich te branden. Dat blijft een fundamenteel gemis in deze verder naar vakwetenschappelijke maatstaven zo voortreffelijke bundel, die nu vergeefs probeert te reiken naar dat bredere publiek.

Nog uitdagender en bijna voor het opscheppen liggen dergelijke kansen bij het geboden inzicht in de schilderijen- en afbeeldingenproductie van de zeventiende en achttiende eeuw. Zo komt de Wageningse hoogleraar in de agrarische geschiedenis Ad van der Woude op grond van vernuftige berekeningen volgens verschillende invalshoeken tot de conclusie dat er in de zeventiende eeuw liefst tussen de vijf en tien miljoen schilderijen vervaardigd moeten zijn, en dan nog eerder tegen de tien miljoen dan tegen de vijf.

Uit de bijdragen van de Leidse hoogleraar in de kunstgeschiedenis Willemijn Fock en de Wageningse kunsthistoricus Gabriël Pastoor blijkt hoeveel er te weten valt over de diverse typen schilderijen, zowel naar formaat als naar voorstelling, en evenzeer op grond van die enorme berg aan boedelbeschrijvingen.

Onze voorouders uit de Gouden Eeuw bedolven elkaar onder een beeldlawine, want in geen huis of boerderij ontbraken schilderijen en prenten aan de muur. Mochten wij ooit menen dat de visuele massacultuur pas met het televisietijdperk haar intree heeft gedaan, dan volstaat één blik op het hier vergaarde materiaal om ervan overtuigd te raken dat beelden ook al eerder de dienst uitmaakten.

Wellicht is het abstracte lezen niet meer dan een pauzenummer van enkele eeuwen tussen het primair verzwelgen van grote hoeveelheden kijkmateriaal van eerst stilstaande en nu bewegende plaatjes. Men las zeker in de zeventiende eeuw (en in afnemende mate daarvoor), maar men keek vooral. Dat moet verregaande invloeden gehad hebben op wat men toen dacht, voelde en ambieerde. Maar waarom moeten we steeds op Simon Schama's wachten die zulke verbanden in de meest weidse contexten durven te plaatsen?

Herman Pleij

Anton Schuurman, Jan de Vries & Ad van der Woude (redactie): Aards geluk - De Nederlanders en hun spullen, 1550-1850.

Balans; 347 pagina's; ¿ 65,-.

ISBN 90 5018 350 6.

Meer over