De laatste grote uitdaging op de Zuidpool

De 35-jarige Noor Brge Ousland was de eerste die alleen en zonder hulp Antarctica overstak. Een afstand van 2840 kilometer, waarover hij 64 dagen deed....

ROELF RIDDERIKHOFF

ALSOF DE roemruchte dagen uit het begin van deze eeuw herleefden, de dagen dat de Noor Amundsen en de Engelsman Scott slag leverden om de Zuidpool. Vergelijkbaar was de situatie een jaar geleden. Drie poolreizigers maakten zich onafhankelijk van elkaar op voor de ultieme uitdaging die het onherbergzame continent te bieden heeft: alleen en zonder hulp van de ene kant naar de andere kant skiën.

Het idee voor een antarctische oversteek stamt uit de tijd van Amundsen en Scott, die respectievelijk in december 1911 en januari 1912 als eersten de geografische Zuidpool bereikten. De Brit Shackleton, die in 1909 de pool al tot op een paar honderd kilometer genaderd was, rustte in 1914 een expeditie uit voor een oversteek, leed schipbreuk op Elephant-eiland, maar bracht het er desondanks levend af.

Dit decennium is Shackletons plan door diverse expedities uitgevoerd. Gemotoriseerd, in groepsverband, met bevoorrading van buitenaf of door middel van tevoren aangelegde depots waagden tientallen de oversteek. Onder hen de Engelsman Ranulph Fiennes en de Zuid-Tiroolse bergbeklimmer Reinhold Messner. Beiden waren echter niet alleen. Hun verslagen zijn in Nederland uitgegeven onder de titels Taaier dan een husky (Fiennes) en Antarctica hemel en hel (Messner).

De Noor Brge Ousland (35) die onlangs in Nederland was,

stak eerst skiënd Groenland over, maakte tochten door Franz Josefland en naar de Noordpool, die hij in 1994 als eerste alleen en zonder hulp bereikte, en in 1995 naar de Zuidpool onder dezelfde voorwaarden. Daarmee werd hij de eerste die beide polen alleen en zonder hulp had bereikt.

Daarmee was zijn honger naar roem nog niet gestild. In de traditie van zijn landgenoten Fridtjof Nansen en Roald Amundsen zocht hij de ultieme uitdaging op het gebied van barre poolreizen. Ousland vond die uitdaging in de antarctische oversteek, in zijn eentje, zonder hulp.

Hij was echter niet de enige. Ook de in de adelstand verheven Fiennes en de Amerikaan Mark Kaminski hadden hetzelfde plan opgevat. Drie mannen dus die elkaar de laatste grote prijs die het continent te bieden had, zouden betwisten. Een jaar geleden begonnen ze onafhankelijk van elkaar aan hun lange, eenzame reis door het koude en witte niets. Ousland vertrok op 15 november vanaf de noordelijke kust van Berkner-eiland in de Weddell-zee. De anderen gingen respectievelijk één en twee dagen later.

Tijdens de voorbereidingen was het vooral zaak geweest het gewicht van de bagage, die ze op een slee moesten meezeulen, zoveel mogelijk te verminderen. Kaminski ging zelfs zover de doosjes waarin hij zijn filmrolletjes bewaarde, te vervangen door condooms, wat achttien gram scheelde. Ousland wist uiteindelijk zijn bagage tot 180 kilo terug te brengen, genoeg voor 88 dagen.

Allen wisten uit ervaring welke ontberingen en gevaren hen te wachten stonden. Naast de verschrikkelijke kou, pijn, gewichtsverlies, bevroren ledematen, zweren en sneeuwblindheid waren dat ook de overal op de loer liggende spleten in het ijs en de kans om gek te worden met als onvermijdelijk gevolg de dood.

In zijn nog te verschijnen boek Alone across Antarctica trekt Ousland de onvermijdelijke vergelijking tussen het Noordpoolgebied, de Arctis, en het Zuidpoolgebied, Antarctica. Het laatste noemt hij eindeloos en vlak, het eerste, uitsluitend pakijs, veel beweeglijker. 'Antarctica is daarom vooral mentaal moeilijker.'

Fiennes, al over de vijftig, beschikte nog over een extra motivatie: laat het niet weer een Noor zijn die hier met de eer gaat strijken, verzuchtte hij met een verwijzing naar de legendarische race tussen Amundsen en Scott. Nochtans moest hij als eerste na drie weken de strijd staken wegens een aanval van nierstenen.

Ousland hield na het bereiken van het plateau een tempo van tien uur skiën per dag aan, waarbij hij gemiddeld 6800 calorieën tot zich nam. Niet genoeg om op gewicht te blijven, maar voldoende om te overleven. Zijn enige ontmoeting met een levend wezen had hij vijfhonderd kilometer van de kust: een verdwaalde vogel.

Als richtpunt had hij het Thiel-gebergte, dat hij na zeven dagreizen in het vizier kreeg. Soms werd hij overvallen door sneeuwstormen. 'Dan was het of ik in een glas melk skiede.' Soms moest hij gebieden van een paar honderd kilometer oversteken, waar de sneeuw door de wind in een golvenpatroon was veranderd. 'Dat waren de moeilijkste delen. Steeds maar zeulen met die slee over die sneeuwrichels bij een kou van 35 graden onder nul.'

Het gevaarlijkste waren de spleten die, verborgen door sneeuwbruggen, overal op de loer konden liggen. 'Mijn zoontje had allerlei fantasiefiguren op mijn ski's geschilderd. Die hielpen me voortdurend aan mijn veiligheid te denken.'

Op het plateau is de natuur meester. Ousland ervoer de eenzijdigheid ervan echter niet als saai en eentonig, maar juist vol verrassingen omdat al die grillige vormen van sneeuw en ijs kunstwerken waren geworden.

De reis voerde hem natuurlijk naar de Amerikaanse basis op de Zuidpool zelf, die hij op 19 december bereikte. 'Maar ik had besloten niet naar binnen te gaan, want de gerieflijkheid zou als een val werken.' Hij bleef daarom buiten en vertrok weer na vijf uur oponthoud.

OMDAT DE winden altijd van de pool af waaien, kon hij voor het vervolg zijn zeilen gebruiken, een kleine en een grote met een oppervlak van 24 vierkante meter nog het meest lijkend op de parachute van een parasailer. 'Dit zeilend skiën met de slee is echter gevaarlijk omdat je makkelijk kunt vallen en een been breken.'

Maar er bleek nóg een gevaar in die handelwijze te schuilen. Kaminski, nog altijd in de race, werd tijdens het zeilen door een sneeuwstorm overvallen. De verbinding met zijn slee werd verbroken en hij moest zijn zeil laten wegwaaien, want zonder voorraden was hij ten dode opgeschreven. Het duurde uren voordat hij zijn slee weer had teruggevonden. Die tegenslag dwong hem uiteindelijk tot opgave.

Maar ook Ousland had het moeilijk. 'De temperatuur was gedaald tot 56 graden onder nul. Onder de vijftig graden wordt alles heel zwaar; zelfs je behoefte doen is een kwelling. Dat doe je dan ook tien keer vlugger dan normaal. Bovendien was een schoen kapot. Die te repareren was eigenlijk niet te doen.' Uiteindelijk lukte het hem toch.

Bij de Ross-zee had Ousland de keuze af te dalen over de Beardmore-gletsjer of de Axel Hyberg-gletsjer. Hij koos voor de eerste, bond een touw om de slede om te voorkomen dat die zou wegglijden en beleefde zijn angstigste momenten. 'Overal waren scheuren en spleten.'

Eenmaal op het ijs van de Ross-zee wachtte hem nog duizend kilometer naar zijn einddoel: Ross-eiland waarop de basis Mac Murdo is gevestigd, aan de voet van de vulkaan Erebus. 'Ik voelde me uitstekend', vertelde hij, 'was gewend aan de kou en kon prachtig zeilen over het ijs. M'n beste daggemiddelde was 226 kilometer.' Op 17 januari 1997 arriveerde hij op zijn bestemming, na een tocht van 2840 kilometer en 64 dagen. Weer had een Noor gezegevierd op de Zuidpool.

Meer over