De kinderen van Samarina

Over de oorsprong van de Vlachen wordt nog altijd getwist. In ieder geval is de geschiedenis van dit blonde bergvolk uit Griekenland zeker tweeduizend jaar oud....

JAN VAN DER PUTTEN

gfsfc,80,0,0,00 AT MOETEN toch al die Nederlandse en Belgische auto's op de wegen van Epirus en Macedonië? Hebben ook zij deze uithoek van Griekenland tussen Ioánnina en Thessaloníki ontdekt? Als ze maar niet op weg zijn naar Samarína! Angst ongegrond. Want in die auto's zitten Turkse families op doorreis naar of van hun vaderland. Gelukkig komt niemand ons achterna wanneer we een steil, smal weggetje inslaan.

Na een groen landschap van ravijnen, beekjes, schapen en stilte duikt ineens, hoog in het Pindos-gebergte en midden in het niets, Samarína op. Duizend huizen, 1650 meter boven de zeespiegel. De hoogst gelegen bewoonde plek van Griekenland en de hele Balkan. Boven het dorp rijst het massief van de Smólikas op, met zijn 2.637 meter Griekenlands hoogste berg na de Olympus.

Maar wat een tegenvaller wanneer we er binnenrijden. De meeste huizen met hun daken van golfplaten zijn stijlloos modern. Rommelig staan ze aan slordige paden, waarvoor het woord straat te veel eer is. De gebouwen aan het cháni, het centrale dorpsplein, zijn deels nog onvoltooid. Het zijn bijna allemaal café-restaurants. Ze ademen geen geschiedenis. Nee, om zijn schoonheid loont Samarína niet de moeite. Maar wel om zijn mensen.

Het cháni zindert. De drievoudig gedistilleerde tsípouro wordt nog eens bijgeschonken, terwijl iedereen iedereen begroet en omhelst: herders zakenlieden, analfabeten professoren, Grieken buitenlanders. Allemaal vrienden. Want allemaal Vlachen van Samarína.

Probeer Samarína niet te bezoeken in de winter, want dan is het wegens sneeuw gesloten en is het aantal inwoners gereduceerd tot vijf bewakers. De herders met hun kuddes overwinteren in de Thessalische laagvlakte bij Lárisa. In mei keren deze semi-nomaden terug naar het dorp van hun vaderen. Hun schapen en geiten grazen 's zomers op de koele bergweiden, waar water in overvloed is.

Enkele tientallen herdersfamilies van Samarína bezitten samen veertigduizend schapen. Dat is een fractie van de vooroorlogse half miljoen, maar nog altijd de op één na grootste schapenstapel van Griekenland. 'Vroeger deden we te voet vijftien dagen over de tweehonderd kilometer van Lárissa naar Samarína', vertelt de oude herder Adámo. 'Tegenwoordig duurt het met trucks vijf uur. Maar daarna hebben de schapen tien dagen nodig om bij te komen.' Deze transhumance, de door het seizoen bepaalde trek tussen hoge weidengebieden, bestaat nog steeds, ondanks alle pogingen om de veehouders sedentair te maken.

Een andere transhumance is er bijgekomen: die van de emigranten. Veel Vlachen van Samarína zijn uitgezwermd, maar zonder hun wortels kunnen ze niet leven. We ontmoeten John, beter gezegd Jánnis, die al voor de 22ste keer terug is in Samarína. Hij komt uit Boston, waar een paar duizend nazaten van Samarinezen een hechte groep vormen. Na een zwaar ongeluk zag hij de dood in de ogen en begon hij een nieuw leven. Hij heeft zijn drie elektronische bedrijven verkocht en wil definitief terug naar Griekenland.

Kóstas Tzímas is 's zomers burgemeester van Samarína. De rest van het jaar is hij hartchirurg te Thessaloníki. Deze populaire zoon en broer van Samarinese herders wil gekwalificeerd toerisme aantrekken. Hoe? 'Asfaltering van het laatste stuk van de weg van Grevená naar Samarína, restauratie van de kerken, aanleg van een skibaan.'

Anderen willen de wegen graag ongeasfalteerd houden. 'Anders hebben we hier aan het plein binnen de kortste keren een disco, een espressobar en een gokhal', zegt Chrístos, zoon van een Vlachische schapenkaashandelaar, globetrotter en prototype van de Vlach die het in het leven ver geschopt heeft. Maar zijn Vlachische nostalgie is hij niet kwijt. Zijn gastvrijheid evenmin.

Chrístos woont in Thessaloniki, heeft een buitenhuis aan zee in Chalkidikí en een flat in Brussel waar hij in een EU-commissie zit. Maar echt thuis voelt hij zich alleen in het door zijn vader gebouwde huis in Samarína. Oude herders hebben hem net over zijn vader verteld. Dat heeft hem zichtbaar goed gedaan. 'Ik ben er trots op dat ook mijn kinderen geen moment aarzelen: hier willen ze naar toe, hier hebben ze vrienden, hier liggen hun wortels.' Ook zijn vrouw Tula, die in Panama is geboren uit Griekse ouders uit Klein-Azië, is verliefd geraakt op Samarína.

Veel geëmigreerde Vlachen hebben in Samarína hun geboortehuis of het huis van hun voorouders gekocht, of ze hebben er een zomerhuis laten bouwen. Alle huizen zijn in deze dagen bewoond. Het onverwacht grote hotel, dat vooral is gefinancierd door Vlachen die naar Amerika zijn getrokken, is tjokvol. Sommige mensen slapen in tenten, andere in hun auto. Samarína puilt uit van jonge en oude Vlachen en van Vlachische vreugde voor alle leeftijden.

Wie zijn dat, de Vlachen? Ze wonen in Bulgarije, ex-Joegoslavisch Macedonië, Servië, Albanië en vooral Noord-Griekenland. Het aantal Griekse Vlachen wordt geschat op driehonderdduizend. Behalve Grieks spreken ze Vlachisch, een Romaanse taal die nog altijd niet op schrift is gesteld. Vlachische radio-uitzendingen en scholen bestaan niet, en de mondelinge overlevering neemt af. Herder Adámo zegt in het Grieks: 'Thuis spreek ik met mijn vrouw Vlachisch. Jammer dat zoveel jonge mensen het niet meer spreken.' Kan hij lezen en schrijven? 'Den xèro grámmata, ik ken geen letters.' Adámo en bijna alle herders van zijn generatie zijn letterlijk ongeletterd.

0 E GESCHIEDENIS van dit blonde bergvolk is zeker tweeduizend jaar oud. Over hun oorsprong wordt nog altijd getwist. Roemeense geleerden beweren dat de Vlachen een Roemeense stam zijn. Ze wijzen op verwantschap in de taal. De term waarmee de Vlachen zichzelf aanduiden, Arumáni, zou een verbastering zijn van Roemenen. Sinds de vorige eeuw hebben Roemeense politici die vermeende afkomst van tijd tot tijd gebruikt om invloed te krijgen op de Vlachen en het door hen bewoonde gebied.

Volgens de leidende vlacholoog Achilléus Lazárou betekent Vlach 'Latijn-sprekende'. Varianten van hetzelfde woord zouden zijn te vinden in termen als Walachije en Wales, Wallonië en Gallië. Aan het eind van de derde eeuw voor Christus begonnen de Romeinen de Balkan te penetreren. De Vlachen zouden hun Grieks voor het Latijn hebben verwisseld vanwege hun intensieve contacten met de Romeinen als handelslieden en legioensoldaten. Arumáni zou niet Roemenen betekenen, maar gewoon Romeinen.

In Samarína is de Roemeense connectie onbespreekbaar: 'Wij Vlachen zijn zuivere Grieken, denk maar aan de vele grote Grieken van Vlachische origine en aan De kinderen van Samarína.' Dat ontroerende lied gaat over de Vlachische jongens die zich in 1826 doodvochten tegen de Turken in de slag bij Missolónghi. De Turken zijn er, het is ons wel tien keer verteld, nooit in geslaagd het trotse dorp te onderwerpen. Samarína werd een autonome enclave, dwong de Turken een voordelige belastingregeling af en kwam als handelscentrum van karavanen tot grote bloei.

De trots van de Vlachen op hun Griekendom is niet wederzijds. Een stimulans voor de taal van deze minderheid kan er bij Athene nog steeds niet af. Het Griekse woord vláchos betekent achterlijke figuur, ruwe bonk. En inderdaad, vol wantrouwen informeert directeur Efthámios Fólias van het mini-museumpje van Samarína naar onze bedoelingen. Want hij heeft al zo vaak meegemaakt dat de Griekse pers met de Vlachen de draak heeft gestoken.

Het is 14 augustus. Het dorp begint vol te lopen, want morgen is het feest van Maria Tenhemelopneming. Voor Samarína - een Vlachische verbastering van Santa Maria - is dit het grootste feest van het jaar. En niet Pasen, zoals in de rest van Griekenland, want dan zijn de herders nog in het laagland.

De restaurants aan het plein bereiden zich voor op het grote feest. Rijen gevilde lammetjes hangen buiten aan de haak. 's Avonds eten we met Vlachen uit alle windstreken geroosterde lam. Vlak voor mijn neus hangen er twee. Aan de punt van hun grijnzende koppen ontspringen stalactieten van gestolde bloedstraaltjes.

De volgende ochtend worden we wakker door het gemekker van de overlevenden. Vanuit een hoog punt kijk ik uit over Samarína. Overal kringelt rook omhoog. Iedereen is voor zijn huis in de weer met lammetjes. Met een krakend geluid worden ze aan het spit geregen. En daarna maar draaien boven de gloeiende kolen, uren lang. De geroosterde ingewanden, kokorétsi, zijn een attractie apart.

0 E LOPEN HET dorp rond. Om de haverklap worden we uitgenodigd om mee te eten en mee te drinken. Zo komen we terecht in ingewikkelde webben van Vlachische familierelaties. Voortdurend komen andere familieleden en vrienden langs om lekkernijen te brengen en iedereen chroniá pollá, nog vele jaren, te wensen. Er wordt gemusiceerd, gezongen, gedanst. Zo moeten feesten zijn.

Op deze hoogtijdag werden vroeger de huwelijken bekokstoofd. Vlachen trouwden alleen maar onder elkaar. Voor de vrouw kwam dat neer op een veroordeling tot huisslavin. Ze mocht niet eens aan tafel zitten. Als kind al telde de vrouw letterlijk niet mee. Ik vroeg een oude Vlach naar zijn kindertal. Hij antwoordde volgens de traditionele formule: 'Drie kinderen, en twee meisjes'.

Herder Adámo vindt de nieuwe tijd geen vooruitgang: 'Vroeger liepen de vrouwen met een boog om het plein heen. Tegenwoordig gaat de vrouw voorop en komt de man er achteraan. En dat is even verkeerd.' Een nog oudere Samarinees, de 85-jarige Kóstas Tachíkis, spreekt schande van een nudistenstrand op Corfu. Deze tandenloze man met zijn gelooide huid, witte haar en een verfrommeld oor is een levende legende. Wie de geschiedenis van Samarína wil schrijven, zou hem snel moeten opzoeken.

Kóstas woont alleen in het 250 jaar oude, vrijwel lege familiehuis. Vier jaar geleden is zijn vrouw gestorven. Hun twee kinderen werden, bij gebrek aan een dokter, dood geboren. 'Ik kom uit een gezin van twee kinderen en vijf meisjes. Letters ken ik niet, want ik moest van mijn vader de schapen hoeden. In 1933 raakten we door een strenge winter de schapen kwijt. Daarna namen we geiten, maar die werden ons met een smoesje afgepakt door dictator Metaxás, want die had geiten nodig om leer te maken.'

In de oorlog trok hij de bergen in om het Griekse leger te helpen tegen de Italianen. Daarna kwamen de Duitsers en daarna de burgeroorlog. 'De communisten pakten onze dieren af. 's Nachts maakten we vuren om de Engelse vliegtuigen te waarschuwen. Die lieten gouden munten vallen voor de strijd tegen de communisten.' Na de burgeroorlog was Samarína grotendeels verwoest. Ter versnelling van de wederopbouw kregen de huizen daken van golfplaat.

Tot een paar jaar terug leidde Kóstas de trektocht op en neer tussen Lárisa en Samarína. Hij kent iedere steen, en bewijst dat als hij ons gidst door de natuur rond en boven Samarína. Hij wijst bergen, bossen, dorpen en wolvensporen aan. Het is vandaag niet helder genoeg om de Olympus te zien. Maar wel de bergen waarachter Albanië ligt. Via die route zijn al veel Albanezen Griekenland binnengeglipt. Ze komen aan de kost door schapen te hoeden of uit stelen te gaan. Diefstal en vandalisme schrijven de Vlachen tegenwoordig automatisch aan 'de Albanezen' toe.

Albanezen zijn nergens te bekennen als op 16 augustus het grote feest doorgaat in de hoofdkerk. Raar, die dennenboom boven op het dak van de halve koepel waaronder het altaar staat. Wortels zijn niet te zien, volgens sommigen omdat ze niet bestaan. Volgens de legende wilden drie broers de boom omkappen. Binnen het jaar waren ze alle drie dood.

De kerk, van buiten een grote schuur, blijkt een juweel van byzantijnse schilder- en houtsnijkunst. Ze is stampvol. Na de lange mis maakt de pope bekend dat iemand zeshonderdduizend drachme, 4500 gulden, heeft gegeven voor het herstel van de fresco's. En dan begint op het grasveld voor de kerk de tsátsos. Honderden mannen en vrouwen van alle leeftijden vormen twee concentrische kringen en beginnen langzaam te dansen. Vol overgave zingen ze een oud lied over de geschiedenis van Samarína en de strijd tegen de Turken. Iedereen kent de tekst en de danspassen. Een Vlach uit Parijs legt me de betekenis uit.

Ineens beginnen de omstanders te fluiten. Uit afkeuring? Nee, als waarschuwing: de Turken komen, weg wezen! De dansers stuiven uiteen. Een zigeunerband valt in. Oude herders met lange wandelstokken en heren in keurig pak dansen tussen de minirokjes en strakke truitjes en de hooggehakte, met sieraden behangen dames. Dat doen ze niet voor de toeristen, want die zijn er niet, maar alleen voor zichzelf en voor elkaar. Uit puur Vlachisch plezier.

Meer over