Joost Jansen (35): ‘Wol houdt je koel hoor, als je nog niet oververhit bent, door de isolerende eigenschappen ervan. Daardoor draagt het ook lekker in de zomer.’

reportageMeelopen met Joost jansen

De handgebreide truien van Joost Jansen zijn een hit in Japan

Joost Jansen (35): ‘Wol houdt je koel hoor, als je nog niet oververhit bent, door de isolerende eigenschappen ervan. Daardoor draagt het ook lekker in de zomer.’Beeld Eva Roefs

In Japan gaan de wollen truien van Survival of the Fashionest als zoete broodjes over de toonbank en worden ze gezien als collector’s items. In Europa moet ontwerper Joost Jansen vaak nog uitleggen dat ze écht met de hand zijn gebreid, door Bulgaarse vrouwen welteverstaan.

Geen wollen trui, maar een pyjama draagt Joost Jansen (35) vandaag, een bloedhete zaterdag op de top van de hittegolf begin augustus. Een lichtblauwe tweedehands legerpyjama, van een Duitse soldaat ooit, uit een legerdump. Blote voeten in Birkenstocks eronder – het is lekker luchtig allemaal, ja, maar het is óók een ontwerpersoutfit, die zegt: ik ben creatief, ik ben eigenzinnig, ik heb geen bekende modemerken nodig om cool te wezen, maar ik weet wél wat fashionable is (de mannenpyjama kwam de laatste seizoenen veelvuldig voorbij op de catwalk). En laten dat nu allemaal statements zijn die Jansen met zijn truienmerk Survival of the Fashionest impliciet óók doet. En die misschien wel het tamelijk ongelooflijke succes ervan verklaren; als je kleurrijke, met de hand gebreide schapenwollen truien voor 600 euro in de hipste Japanse modewinkels over de toonbank gaan, doe je iets héél goed.

Kijk, hij trekt er een aan in bloedheet Amsterdam om ermee op de foto te gaan: een kakelbont, oversized geval van 100 procent Ierse merinowol. Opgewekt: ‘Wol houdt je koel hoor, als je nog niet oververhit bent, door de isolerende eigenschappen ervan. Daardoor draagt het ook lekker in de zomer.’

Jansen kan zelf niet goed – ‘nou: best wel slecht’ – breien, maar hij weet wél waarover hij praat als hij over wol praat: het is het voornaamste materiaal dat in zijn truien terechtkomt, soms gemixt met een tikje linnen of een beetje zijde. Ze worden allemaal met de hand gebreid door Bulgaarse vrouwen, die aan één trui doorgaans drie weken werken. Maar hier, vandaag, in een zaaltje van brei-atelier De Amsterdamse Steek, heeft Jansen nóg een club vrouwen klaarstaan die onmisbaar voor zijn merk zijn: zijn ‘technische staf’, zoals een van hen zegt: vrouwen die in de eredivisie van de breisport spelen en raad weten met zelfs de ingewikkeldste steek. Zij zijn zijn sparringpartners in het ontwerpproces: wat Jansen bedenkt, kunnen zij uitvoeren en in patronen vertalen voor de Bulgaarse breisters – die zijn ambachtelijk allemaal ijzersterk, maar artistiek vaak minder onderlegd. Waarom hij zijn soms belachelijk ingewikkelde truien dan niet gewoon hier in Nederland laat breien, door Joyce, Maartje, Myra en de vier andere semiprofessionele breisters die hier vanmiddag bijeen zijn in de ‘haute-couturebreischool’ van docent Loret Karman? Haha, lachen ze: ‘Daar hebben we geen tijd voor. En Joost geen geld. Wij zijn veel te duur!’

Beeld Eva Roefs

Als Jansen zijn laptop openklapt om een linosnede te laten zien die hij graag in zijn volgende truiencollectie in reliëf op een voorpand zou zetten, stuiteren de breitermen – brioche, intarsia, fair isle – in hoog tempo door de ruimte. Hier moeten twisted stitches aan te pas komen, zegt Karman beslist, sterker nog: Bavarian twisted stitches, de steken waarmee kabels op Beierse klederdrachtkniekousen worden gemaakt. Myra Scholme haalt een trui tevoorschijn waar zij momenteel aan werkt, een breisel met behalve reliëf en kantachtige delen ook een ingewikkeld bloempatroon. ‘Het kan misschien ook zó’, wijst ze op een detail. De anderen komen om haar heen staan, knikken instemmend. Ze kénnen deze trui. Het is een ontwerp van een Japanse breigoeroe waar ‘half Ravelry’ – een online breiplatform met wereldwijd miljoenen leden – momenteel op zwoegt. De breipatronen van de Japanse zijn uitdagend, maar die van Jansen grenzen soms aan het onmogelijke, zegt Karman. ‘Hij had iets bedacht waarvoor acht kleuren wol tegelijk op de pennen moest worden gezet. Dat is ondoenlijk: doorgaans zijn dat er hooguit drie en dat is al best moeilijk. Dan probeer ik hem wel een beetje af te remmen en vraag ik: is dat écht nodig voor het ontwerp?’

Joost Jansen met een boodschappentas vol truien van zijn eigen merk, Survival of the Fashionest.Beeld Eva Roefs

Zo’n twintig verschillende truien ontwerpt Jansen per – jaarlijkse – collectie. ‘Elke trui bestaat uit een paar duizend steken, die teken ik allemaal uit.’ Sommige ontwerpen vormen een patchwork van bloemen, tekst (‘hardcore happiness’) en Noorse motieven, op andere tref je ingebreide gezichten, dieren of zelfs een kadaver aan. De oplage blijft, net als bij kunstwerken, beperkt: van elk ontwerp worden er maximaal 25 gemaakt. Dat Jansen, óók net als bij kunstwerken, een klein kapitaal per trui kan vragen is mooi, maar ook plausibel, gezien het vele denk- en handwerk dat erin zit. Het is bovendien noodzaak; Jansen wil zijn Bulgaarse breisters fatsoenlijk betalen, dus een kwart van de kostprijs alleen al is arbeidsloon.

Hij is er geweest, bij een paar van de vrouwen die thuis, in hun bergdorp, zijn ontwerpen uitvoeren. Bijzondere ontmoetingen waren dat. ‘En nuttig. Ik vraag weleens om een fotootje, maar daar ontdekte ik dat lang niet iedereen een smartphone heeft, dus een foto mailen is voor hen een heel gedoe.’ Karman, die mee was op de trip: ‘Daar moet een neefje aan te pas komen. Die vervolgens het breiwerk in de badkamer fotografeert, dus we krijgen regelmatig foto’s met een groene wastafel in beeld.’

Het is een leuk-knullig gegeven voor een merk dat voor het overige in de hoogste regionen van de modewereld opereert. Jansen houdt niet van namedropping, maar vooruit: ontwerper Raf Simons, die voor Dior en Calvin Klein heeft gewerkt, heeft een trui van hem. En dat is een goed teken. Als modeontwerpers van dat kaliber jouw kleding aanschaffen als collector’s item, wordt je merk in de juiste kringen gewaardeerd.

Hoe hij dat voor elkaar kreeg? Jansen begon in 2017 met Survival of the Fashionest. Hij werkte destijds bij ontwerper Henrik Vibskov in Denemarken, waar Jansen ook nu nog woont. Zijn vriendin is Deense, vandaar: zij liep stage bij Vibskov, ze werden verliefd, ze hebben net samen een appartement gekocht in Kopenhagen. ‘Ik ben een sexual immigrant’, grijnst Jansen. ‘Geinig hè, zo wordt dat in Denemarken genoemd.

Beeld Eva Roefs

Jansen groeide op in Eindhoven, waar hij zich voornam, als hij er langsfietste, nooit naar de Design Academy te gaan. ‘Er stonden allemaal van de hippe types voor de gevel, daar had ik een hekel aan.’ Hij wilde architect worden en dus begon hij aan een degelijke studie aan de technische universiteit  – die hij na twee maanden voor gezien hield, waarna hij toch op de Design Academy belandde. ‘Het bleek eigenlijk heel goed bij me te passen. In de bouwwereld duren projecten járen, dat gaat me veel te traag.’

Hij liep stage bij modeontwerper Walter Van Beirendonck in Antwerpen en deed dat zo goed, dat hij er prompt een baan aangeboden kreeg. Zeven jaar bleef Jansen er werken als rechterhand van de ontwerper. ‘Ik heb daar alles geleerd wat er op modegebied maar te leren valt. Van Beirendonck is een grote naam, maar een klein bedrijf: het bestond uit Walter, zijn partner en ik, plus nog wat stagiairs. Dat betekende dat ik van alles kon doen: dessins tekenen, stoffen ontwikkelen, het productieproces begeleiden, leveranciers aansturen, inkopers ontvangen – ik heb in die zeven jaar ook ontzettend veel nuttige contacten opgedaan.’

Een daarvan was Henrik Vibskov, die eigen winkels heeft en voor inkoop bij Van Beirendonck over de vloer kwam. ‘Ik heb bij hem eens laten vallen dat ik wel wilde overstappen naar een wat groter bedrijf’, vertelt Jansen. ‘Niet lang daarna belde hij me op.’

Jansen, net 30 toen, pakte tot verdriet en ongenoegen van Van Beirendonck zijn boeltje, verhuisde van Antwerpen naar Kopenhagen en ging bij Vibskov aan de slag. Maar na anderhalf jaar moest hij concluderen dat die overstap geen einde had gemaakt aan het schurende gevoel aan iets anders toe te zijn. Hij werkte inmiddels ook parttime als creatief directeur bij EE Exclusives, een weefbedrijf dat stoffen ontwikkelt voor modeontwerpers, architecten en kunstenaars, en twee vaste banen was wat veel van het goede. Daarbij: het was tijd voor een project van hemzelf. Een handgebreidetruienlabel, omdat daarin alles samenkwam wat hij in de loop der jaren in de mode het meest was gaan waarderen: het natuurlijke materiaal, het handwerk, het ambacht – als volstrekte tegenpool van de liefdeloze en milieuvervuilende stroom textiel uit China die de reguliere mode-industrie voortbrengt.

Maar hoe dat aan te pakken? ‘Ik liep al een tijd met het idee rond toen ik op een dag bij Vibskov precies de juiste persoon tegenkwam’, zegt Jansen. ‘Een Bulgaarse leverancier van gebreide kledingstukken die vertelde met een heel arsenaal aan freelance thuisbreisters te werken. Allemaal oudere vrouwen die vaak hun pensioen of dat van hun man willen aanvullen en die, voor een klein, exclusief truienmerk zoals ik voor ogen had, nog net betaalbaar zijn.’

Beeld Eva Roefs

Jansen stopte met zijn baan bij Vibskov en ‘adopteerde 250 oma’s’, zoals hij het sindsdien af en toe in de media zegt. Loret Karman (62), naast hem, schudt haar hoofd. ‘Ik begrijp best dat het leuk klinkt, Joost, maar je weet dat je ze van mij niet zo mag noemen. Het zijn ambachtslieden, vrouwen die hun vak verstaan.’

Goed – Jansen sloeg aan het ontwerpen, zocht voor de technische vertaling contact met Karman en haar netwerk en liet vervolgens zijn eerste vijfhonderd truien breien in Bulgarije. Maar toen was hij er nog niet. Want hoe speel je het vervolgens klaar ze voor fikse prijzen verkocht te krijgen bij toonaangevende modewinkels als Dover Street Market in Londen en New York, of bij Isetan, de Japanse Bijenkorf, waar ze naast de Prada’s en de Gucci’s hangen?

Daar kwamen Jansens contacten goed van pas – hij kende de baas van Dover Street Market uit zijn Van Beirendonck-tijd – en zijn kennis van hoe het spel te spelen in de modewereld. Hij organiseerde een presentatie in Parijs, nodigde de belangrijkste modejournalisten en inkopers uit, zorgde dat er wat te beleven viel – hij toonde zijn truien op levensgrote trekpoppen en natuurlijk schonk hij er een glaasje champagne bij – en hield niet op het verhaal te vertellen achter zijn ontwerpen. Want dat ze beeldschoon waren, kon iedereen wel zien; binnen no time stonden ze op Instagram en in de modebladen. Maar dat ze duurzaam zijn, met de hand gemaakt door ambachtslieden die een vak verstaan dat bijna uit Europa is verdwenen, en daardoor stuk voor stuk uniek, dát overtuigt de modevoorhoede, die altijd op zoek is naar iets bijzonders.

Inmiddels is Jansen drie jaar verder en hangt zijn vijfde collectie in de winkels. ‘United Variety’ heeft hij die genoemd. ‘Oftewel uv. Ooit hadden alle mensen dezelfde huidskleur, maar doordat de hoeveelheid uv-licht per werelddeel verschilt, is er diversiteit ontstaan. Om die te laten zien, zitten er transparante stukken in de truien. Een actueel thema, ja. Die collectie heb ik een jaar geleden ontworpen, maar toen hing het kennelijk al in de lucht.’ 

Dat zijn truien inmiddels tot in Tokio zijn opgepikt, betekent niet dat alles vanzelf gaat. Het aantal winkels dat ze verkoopt breidt maar langzaam uit, sommige zijn er zelfs mee gestopt en de coronacrisis gaat ongetwijfeld meer spaken in de wielen steken. Bovendien herkent niet iedereen de kwaliteit van zijn ontwerpen. ‘In Europa moet ik er aan inkopers vaak bij vertellen dat mijn truien met de hand zijn gebreid. In Japan zien ze dat metéén.’ Hij vertelt over een ‘topwinkel’, Park in Wenen, waar de mooiste stukken van ontwerpers als Haider Ackermann en Dries Van Noten worden verkocht. Dáár wil hij tussen liggen, maar dat is nog niet gelukt. ‘Ik heb een kennis die weleens een hapje eet met de inkoper van Park. Dus dan leen ik mijn kennis een van mijn truien uit om tijdens zo’n eetafspraak te dragen. In de hoop, natuurlijk, dat die inkoper zegt: hé, wat heb je aan?’ Hij verzucht: ‘Het is eigenlijk gekkenwerk, een eigen label. Het is keihard werken en rijk word je er niet direct van.’

Beeld Eva Roefs

Beroemd wel, althans in modekringen: Jansen heeft een schare fans opgebouwd van met name Japanse verzamelaars die een stuk uit elke collectie bezitten. ‘En je hebt ook fans in Amsterdam, hoor’, zegt Maartje Boer, een van zijn technische sparringpartners in het zaaltje, terwijl ze haar breipennen opbergt. ‘Ik was laatst op een feestje waar twee Survival-truien rondliepen.’ Welk feestje dat dan was, vraagt Jansen. Een borrel bij MacGuffin, een extreem hip designtijdschrift dat het nieuwste nummer vierde. ‘De vriend van (modejournalist, red.) Gert Jonkers had er een aan’, zegt Boer, ‘en ook nog iemand anders.’ ‘Ha’, lacht Jansen. ‘Maar dat was dan ook echt een truienfetisjfeestje.’

De haute-couturebreisters pakken hun handwerktassen in; de middag loopt ten einde en ze gaan richting terras. Ook Jansen pakt zijn spullen – zijn Survival-truien gaan mee terug naar Denemarken in een plastic boodschappentas. ‘Kijk’, zegt hij over een strakke trui met korte mouwen en een ingebreid opbergvak op de rug. ‘Daar past een bidon in, geïnspireerd op wielrentruien, die werden vroeger allemaal gemaakt van wol. Wol ademt, hè, en wist je dat je het bijna nooit hoeft te wassen? Even in de sneeuw leggen is voldoende om een trui te reinigen, want de lanoline, het wolvet, wordt door kou omgezet in een zeepachtige substantie.’

Hup, het pyjamajasje gaat weer uit en daar stapt Jansen in dik, vet schapenwol de zon in. Het is 34 graden en nee, die trui is níét te warm.

Meer over