De nachtcorrespondent

De enorme hoeveelheid kunstlicht heeft een ontwrichtend effect op het ritme van mens en dier

null Beeld Henk Wildschut
Beeld Henk Wildschut

Een verhoogde kans op stress, slaapproblemen en ziekten zijn het gevolg. Maar de schade is ook cultureel: met het verdwijnen van de nacht gaat een eeuwenoud deel van de menselijke ervaring verloren. Onder anderen Daan Roosegaarde zet zich in voor een herwaardering van de sterrenhemel.

Stefan Kuiper

De nachtcorrespondent

‘We zijn ons halve leven blind’ observeerde de filosoof Jean-Jacques Rousseau over de nacht. En inderdaad: lang werd de nacht slechts beschouwd als het residu van de dag. Maar de nacht is een volwaardig dagdeel, met zijn eigen bewoners en wetmatigheden, zijn eigen schoonheid en gevoelswaarde. Een plek die kan zorgen voor angst en ongemak, maar ook voor bevrijding en verlichting. De Nachtcorrespondent verkent de nacht in de 21ste eeuw: wie leven er in de nacht? Wat houdt hen wakker? En wat maakt de nacht nog de nacht, nu het donker door kunstlicht steeds verder wordt teruggedrongen?

De herontdekking van de hemel: op een heldere avond in september verlaten boswachter Jaap Kloosterhuis en ik het activiteitencentrum van Nationaal Park Lauwersmeer, positioneren ons op een belendend veldje, en wenden de blik richting het firmament. Het is een uur of elf. De hele dag was het zonder-jassen-weer, maar inmiddels maakt de temperatuur een duikvlucht. De hemel houdt het midden tussen zwart en blauw, een diepdonker indigo, grijzend aan de horizon (lichtvervuiling? zonlicht van onder de horizon?), en in dat fluwelige zwartblauw flonkeren sterren.

Karel Appel zei ooit dat een kunstwerk geslaagd is als je ervoor staat en je je bek houdt, maar het door zichzelf gegenereerde kunstwerk waaraan wij ons hier vergapen, veroorzaakt juist een onbedwingbare behoefte om de verwondering te ventileren.

‘Wauw’, hoor ik mezelf zeggen. Of eigenlijk hoor ik mezelf zeggen: ‘Dit is… Kijk die… Wauw!’

Het is in de eerste plaats de hoeveelheid sterren die indruk maakt. Het zijn er minstens duizend, waarschijnlijk meer. Wanneer je zoveel sterren tegelijk ziet, verandert je beleving van het uitspansel. Het voelt ruimtelijker, duizelingwekkender. Alsof je in een diep ravijn kijkt, maar dan ondersteboven – zullen we het dieptevrees noemen? Het maakt iets in je los. Je begint haast automatisch kreten van ontzag te slaken.

Het is even geleden dat ik zo onder de indruk was van een sterrenhemel. Langer dan ‘even’, eigenlijk: jaren. En wanneer het gebeurde, was het altijd op een plek ver van huis. Tijdens die ene nacht op die heuvel in Extremadura – ja, dat was een indrukwekkende sterrenhemel geweest. Aan mijn kindertijd in de jaren tachtig bewaar ik vergelijkbare herinneringen. Boven de weilanden rond de noordelijke provinciestad waar ik opgroeide, zag je op winteravonden de lucht bespikkeld raken met lichtpunten, alsof daar, in het donker, een reusachtige bejaardenflat zweefde waarvan de bewoners hun binnenlampen een voor een aanknipten. Maar dat was toen. Naarmate ik ouder werd, en verhuisde naar grotere steden, liep de zwevende flat leeg. Steeds minder sterren lieten zich nog zien.

null Beeld Henk Wildschut
Beeld Henk Wildschut

De reden is genoegzaam bekend: lichtvervuiling. De waas van gereflecteerd en omhoog schijnend kunstlicht boven onze steden onttrekt de zwakkere sterren aan het zicht. Vooral vanuit de lucht zie je het goed. Wie tijdens een nachtvlucht uit het raam kijkt ervaart de gezamenlijke schijnsels van straatlantaarns, wegverlichting, lichtreclames en kassen als een uitgestrekt borduurwerk van flonkerende gouddraad. Je ziet het eveneens op de hemelhelderheidskaart gebaseerd op opnamen van de DMSP-satelliet (Defense Meteorological Satellite Program). Daarop gaat Nederland grotendeels gehuld in omineus oranje, hier en daar uitschietend naar alarmerend rood. In de Verenigde Staten nam de hoeveelheid kunstverlichting sinds de jaren zeventig elk jaar met 5 procent toe. Bij ons gaan de cijfers niet zo ver terug, maar incidentele metingen uit de vorige eeuw lieten een vergelijkbare groei zien. Dat licht is uiteraard niet gelijkmatig over ons land verspreid. Het concentreert zich in kernen. De zuidelijke provincies zijn lichter dan de noordelijke. Het platteland is donkerder dan de stad. Op de Wadden, bijvoorbeeld, wordt het nog echt donker. De tegenpool van de Wadden wordt belichaamd door het Westland, waar kassen het firmament elke nacht vuilgrijs plamuren. Maar ook delen van Noord-Brabant en de Noordoostpolder slaan op duisterniskaarten wit uit als een brandblaar.

Al dat kunstlicht kent een prijs. Letterlijk: het bezorgt gemeenten gepeperde onderhouds- en elektriciteitsrekeningen. Maar ook figuurlijk. Kunstlicht heeft een ontwrichtend effect op het leefritme van mens en dier. Trekvogels zien hun navigatiesysteem erdoor in de war geschopt. Nachtvlinders, die er massaal op afkomen, veranderen erdoor in makkelijke prooien voor vleermuizen. Mensen hebben er al evenzeer van te duchten. Onze chronobiologie is voortgekomen uit de dag-nachtcyclus, en permanente blootstelling aan kunstlicht schopt ons slaap-waakritme in de war. Het gevolg is een verhoogde kans op stress, slaapproblemen en allerlei ziekten. Onze lichamen lijken niet gemaakt om voortdurend in het licht te verkeren. We behoeven de balsemende kracht van het duister.

Maar de schade is ook cultureel van aard. Met het verdwijnen van de nacht, zo lijkt het, gaat een wezenlijk, eeuwenoud deel van de menselijke ervaring verloren. De kalmerende tussentonen van de schemering, de spookachtige ijlheid van een maanverlichte nacht – voor stadsbewoners zijn ze nagenoeg verdwenen. ‘Wij zijn de duisternis ontwend geraakt’, schrijft NRC Handelsblad-journalist, theatercriticus en duisternis-connaisseur Kester Freriks in zijn mooie boek Stilte, ruimte, duisternis, en wel in die mate, dat het amper nog opvalt. Het is een typisch geval van wat psycholoog Peter Kahn in The End of Night, Paul Bogards magnifieke elegie voor de nacht, aanduidt als ‘environmental generational amnesia’ (collectief geheugenverlies voor het milieu, van generatie op generatie): we weten niet wat we missen, omdat we het amper gekend hebben.

In de zichtbaarheid van de sterrenhemel (of beter: de onzichtbaarheid) is dat geheugenverlies het sterkst merkbaar. Velen hebben er geen benul van dat de sterren die we nu aan de hemel ontwaren slechts een fractie zijn van de veelvoud die we zouden kúnnen zien. Ooit was die veelvoud de standaard. Tot ver in de 19de eeuw was een gevulde sterrenhemel een vast deel van het nachtelijke stedelijke landschap. Zeelui gebruikten de sterren om te navigeren. Boeren lazen de tijd eraan af. Wie ontvankelijk was voor bijgeloof zag er voorboden en onheilstijdingen in. De sterren telden, totdat elektrische verlichting ze in de 20ste eeuw wegvaagde.

Sommigen leggen zich daar niet bij neer. De afgelopen jaren hebben allerlei organisaties en individuen aangedrongen op eerherstel voor het donker in het algemeen en de sterrenhemel in het bijzonder. Sinds 2004 wordt in oktober in Nederland de Nacht van de nacht gehouden, een evenement met als doel aandacht te vragen voor lichthinder en -vervuiling en de heilzame werking van het donker. Een meer lokaal initiatief zijn de nachtwandelingen die dichter en theatermaker Marjolijn van Heemstra onder de titel Nacht-Wacht organiseert in het Amsterdamse Vliegenbos: een lopend onderzoek naar ‘de waarde van het donker in een stad met veel te veel licht’. En dan is er nog Seeing Stars, een project van Studio Roosegaarde en Unesco Nederland, waarin aandacht wordt gevraagd voor de verbindende kracht van de sterrenhemel. Al deze initiatieven, hoe verschillend ook in vorm en schaal, zijn er (deels) op gericht de sterren voor komende generaties op het licht te herwinnen. Maar hoe kan het überhaupt dat een stel lampen het machtige uitspansel kan overstralen?

null Beeld Henk Wildschut
Beeld Henk Wildschut

Als er in Nederland iemand is die dat goed kan uitleggen, is het Wim Schmidt (70). Schmidt is de neef van Maarten Schmidt, de sterrenkundige die in 1963 op foto’s de spectra van sterachtige objecten vastlegde en zo het bestaan van quasars ontdekte. Schmidt is een geschoold psycholoog en amateursterrenkundige, die gedurende twintig jaar voor de provincies donkermetingen verrichtte. Veel van zijn bevindingen zijn bijeengebracht op zijn website Sotto le Stelle (www.sotto.nl). Hij ontvangt me op zijn woonboot vlak bij het centrum van Utrecht, een zeventiger met opvallend blauwe ogen en een stemgeluid dat ik wil typeren als ‘karakteristiek’.

Ja, hij woont hier leuk, zegt Schmidt, maar qua sterren kijken is het armoede troef. Zwakker dan magnitude drie ziet hij hier niet.

Magnitude, legt Schmidt uit, is de term die de Grieken bedachten om de schijnbare helderheid van een ster aan te geven. De helderste ster gaven zij magnitude één, de zwakste zes. Het betreft een relatieve schaal, bepaald door wat we op aarde zien: een fel schijnende ster kan immers zwak ogen omdat hij ver van ons afstaat, een zwakke ster helder door zijn nabijheid.

Het punt is dit: er bestaan veel minder heldere dan zwakke sterren. Met de meest geavanceerde telescopen zien we tot magnitude 29, het equivalent van een gloeiend sigarettenpuntje bekeken van een afstand van 200 duizend kilometer, maar met het blote oog nemen we ‘enkel’ waar tot magnitude zes a zeven, afhankelijk van ons gezichtsvermogen. Getalsmatig betekent dit dat je onder ideale omstandigheden rond de vierduizend sterren kunt zien. In Nederland echter zal dat nooit gebeuren. Op de Boschplaat op Terschelling, een van de donkerste plekken in ons land, zie je hooguit tot en met magnitude vijf, wat neerkomt op zo’n tweeduizend sterren. In Utrecht zie je slechts magnitude drie: een sterretje of zeventig. De zwakkere sterren zijn er wel, maar zijn onzichtbaar. Ze worden gecamoufleerd door kunstlicht.

Het is een hybride probleem, vertelt Schmidt: deels klimatologisch, deels infrastructureel. Wat dat laatste betreft: we plaatsen te veel lampen, en het licht ervan belandt te vaak op plekken waarvoor het niet bestemd is. Recht in de ogen van passanten, bijvoorbeeld – glare heet dat in jargon. Of in de hemel, waar het de wolken een zalmkleurige gloed geeft, de welbekende skyglow. Zulke ondeugdelijke lampen kun je vervangen door adequate exemplaren, maar misschien is het beter om ze achterwege te laten, meent Schmidt. Er is namelijk een overschot aan lampen. Voor de dertigduizend mensen die om drie uur ‘s nachts in ons land op pad zijn, branden er zo’n drie miljoen, zo’n honderd lampen per persoon. Een aanzienlijk deel van deze verlichting is wat ik de kunstenaar Daan Roosegaarde later hoor omschrijven als bullshit-verlichting: nutteloze verlichting, verlichting die nergens toe dient maar er toch is. Het is de all night interieurverlichting in de autoshowroom die geen hond ziet, of de als toneeldecor uitgelichte rotonde, speciaal voor die ene, zeldzame nachtelijke automobilist. In feite is bullshitverlichting het makkelijkst op te lossen aspect van lichtvervuiling. Je hoeft haar enkel uit te zetten.

Dat gebeurde ook wel. In de periode tussen 2001 en 2015 werden er volgens Schmidt stappen gemaakt. In het Noorden zetten meerdere gemeenten hun lampen de helft van de tijd uit. Anderen vervingen hun ouderwetse wegverlichting voor dimbare installaties. En de provincie Overijssel besloot recentelijk nog om negenhonderd lichtmasten langs de provinciale wegen weg te halen. Allemaal positieve veranderingen, maar sinds 2015 lijkt het momentum voorbij, zegt Schmidt. De afgelopen zes jaar, zegt hij, kende het aanpakken van lichtvervuiling weinig prioriteit.

Niet alleen de lampen zelf zijn bepalend voor de mate van lichtvervuiling. De atmosfeer speelt ook een rol. Het is niet voor niets dat moderne megatelescopen allemaal zijn gebouwd op hooggelegen, vochtarme plekken, zoals de Atacamawoestijn in Chili. Er is daar weinig belemmerende atmosfeer. De lucht in Nederland daarentegen, is juist rijk aan water-, zout-, en vuildeeltjes. Niet geabsorbeerd licht blijft erin heen en weer knallen als een stuiterbal in een douchecabine. Boven grote steden nemen we het waar als een opwaartse regenbui, zichtbaar tot op 30 kilometer afstand. 30 kilometer is geen grap. Google maar eens de kaart van Nederland en trek om elke stad een denkbeeldige cirkel met die straal. Wat je overhoudt zijn snippertjes duister: de heide bij Ede-Wageningen, de Knardijk in Flevoland, het Nationaal Park Dwingelerveld. Op die plekken kun je het donker nog werkelijk ervaren. Wie sterren wil zien, moet daar zijn.

null Beeld Henk Wildschut
Beeld Henk Wildschut

Daarom bezoek ik op een warme avond in september het Nationaal Park Lauwersmeer, een natuurgebied op de grens van Friesland en Groningen rijk aan slikken en rietvelden. Het ontstond in 1969, toen omwille van de veiligheid een dijk werd aangelegd tussen de Waddenzee en de Lauwerszee – het begin van een ecologische ramp. Door het verdwijnen van de getijden en toevoer van zoetwater lag het bodemleven er gedurende enkele jaren weg te rotten, en veranderde het Lauwersmeer in een grote, stinkende prut. Daarna: nieuwe ronde, nieuwe kansen. Er verschenen pioniersplanten en kwelderplanten. Aalscholvers, brilduikers en lepelaars nestelden zich er. De otter en de vos vonden er een thuis. Thans vindt men er hemelplatformen, waarop je liggend naar de sterren kunt kijken. Sterrenkundigen uit Groningen hebben er sinds kort een telescoop.

Het Lauwersmeergebied is namelijk donker. Echt donker. Op de schaal van Bortle, het classificatiemiddel waarmee de lichtheid van de nachtelijke hemel kan worden aangeduid, zit het in de op twee na hoogste schaal: klasse 3, ‘Landelijke hemel’. Dat betekent dat je hier op een onbewolkte avond sterren tot magnitude 6/7 kunt zien. Het natuurgebied, dat bijna geheel vrij is van kunstmatige verlichting, afficheert zichzelf daarom als Dark Sky Park, een predikaat dat het kreeg toegekend door de International Dark Sky Association (IDA), een in 1988 opgerichte non-profitorganisatie die strijdt voor ‘behoud en bescherming van de nachtelijke omgeving.’

De boswachter van dienst, Jaap Kloosterhuis (53), is het soort man dat je zou casten voor een Fisherman’s Friend-reclame. Brede schouders, dik, grijzend haar: dat is Jaap uit Kolham. In een vorig leven was hij aardrijkskundeleraar, maar nu houdt hij toezicht in het Lauwersmeer en Wad-Hogeland (waaronder ook de eilanden Rottumeroog en Rottumerplaat vallen), waar hij zich onder meer bezighoudt met vogeltellingen en nachtwandelingen. In de loop der jaren, vertelt Kloosterhuis terwijl hij koffie maakt in de keuken van het activiteitencentrum, is hij veranderd in een duisternisapostel, een man betrokken bij de nachtelijke natuur. Begrijp hem niet verkeerd, hij is niet tégen verlichting. Hij is tegen verspillende verlichting: verlichting die ongericht schijnt. Signaleert hij deze, dan spreekt hij de vervuilers aan. In het verleden was dat bijvoorbeeld de nabijgelegen Johan Willem Nassau-kazerne, waarvan het licht zijwaarts uitstraalde, wat een oranje gloed gaf boven het park. Helemaal ‘kriegel’ werden ze op de kazerne van het commentaar van boswachter Kloosterhuis: ‘Op een gegeven moment zeiden ze: ‘We willen nog wel contact, maar dan moet die kerel niet wéér over die lampen beginnen.’’

Maar zie: enkele jaren geleden werd de verlichting vervangen door duurzaam uitgevoerde, deugdelijk afgeschermde lampen. ‘Kennelijk’, zegt Kloosterhuis, ‘was ergens een zaadje geplant.’

null Beeld Henk Wildschut
Beeld Henk Wildschut

Als we even later buiten staan, is de boswachter ook onder de indruk van de sterren, maar niet zo erg dat hij zijn gidstaken verzaakt. Hij haalt zijn laserpen tevoorschijn en begint geroutineerd de constellaties aan te wijzen: ‘Perseus, Cassiopeia, Grote Beer – geen idee hoe ze aan die naam komen –, Kleine beer – als je al z’n zeven sterren ziet, ben je in een Dark Sky Park –, Dolfijn, ah, daar hebben we Cygnus, De Zwaan. Lijkt echt op een overvliegende vogel, niet? Ik kan me voorstellen dat die oude Grieken dat ook al zagen.’

Zo’n sterrenhemel is geen statisch gebeuren, weet Kloosterhuis. Omdat de aarde draait, komt het ons voor alsof de sterrenbeelden gedurende de nacht traag over het uitspansel bewegen als patronen uit een toverlantaarn. Ten opzichte van de aarde nemen de planeten gedurende het jaar ook steeds een andere positie in. Het woord ‘planeet’, zegt Kloosterhuis, is niet zonder reden afgeleid van ‘zwerver’.

Ik vraag de boswachter wat hem trekt in sterrenkijken.

‘Ach, ik vind het gewoon wel mooi.’

Hij vindt het ‘gewoon wel mooi’?

Het werkt natuurlijk ook relativerend, erkent hij. Wanneer hij zorgen heeft, hoeft hij maar even naar boven te kijken en hij maakt zich meteen een stuk minder druk.

Ik begrijp het sentiment, maar het tegenovergestelde lijkt eveneens waar: de sterrenhemel is een reden voor exaltatie. Dat ‘duizelingwekkende ravijn dat wegvalt in elke richting waarin we kijken’, zoals de Canadese dichter Christopher Dewdney haar beschrijft in zijn aanstekelijke Acquainted With The Night, vertelt ons dat we onderdeel zijn van een ‘miraculeuze kosmische realiteit’. ‘We are stardust’, zong Joni Mitchell al in Woodstock, en dat geldt letterlijk: de atomen waaruit onze lichamen zijn opgebouwd zijn relatief nieuwe materie, ontstaan in de ‘gewelddadige smederijen van oude exploderende sterren genaamd supernova’s’ (Dewdney). Wie het grotere plan wil begrijpen waarvan we deel uitmaken, kan niet om de sterren heen.

Ze bieden een onbelemmerde blik op de werkelijkheid, beaamt Kloosterhuis. Door onszelf die ervaring te onthouden, zegt hij, doen we onszelf schromelijk tekort.

Daan Roosegaardes project 'Seeing Stars', waarin aandacht wordt gevraagd voor de verbindende kracht van de sterrenhemel. Beeld Daan Roosegaarde
Daan Roosegaardes project 'Seeing Stars', waarin aandacht wordt gevraagd voor de verbindende kracht van de sterrenhemel.Beeld Daan Roosegaarde

Stille, verlaten plekken als het Lauwersmeer bieden die ervaring ontegenzeggelijk in hun puurste vorm, maar ze hebben een nadeel: hun ligging. Ze zijn relatief ver verwijderd van de directe woonomgeving. Willen we het duister meer gaan waarderen, dan zullen we het ook moeten kunnen ervaren op plekken dichter bij huis. Precies om deze nabijheid draait Studio Roosegaardes kunstproject Seeing Stars.

Het had afgelopen zomer plaats in het Friese stadje Franeker. Gedurende één nacht werd daar alle niet-essentiële verlichting uitgezet: straatlantaarns, wegverlichting, elke lichtreclame, waarna de verduisterde stad werd vereeuwigd op foto’s en film. Het idee voor het project, vertelt kunstenaar Daan Roosegaarde (42) enkele weken voor de bekendmaking over de telefoon, ontstond tijdens de pandemie. Het waren de lockdowns en aanverwante reisbeperkingen die hem de ingeving bezorgden. ‘We waren in die periode heel disconnected,’ zegt Roosegaarde. ‘Iedereen zat in zijn eigen, kleine bubbel. Ik vroeg me af hoe ik dat als ontwerper kon doorbreken. Ik moest denken aan het waanzinnige schouwspel dat zich elke nacht boven onze hoofden afspeelt. Dát konden we wel covidproof vieren. Ik dacht: als we nu één avond in één stad alle lichten uitdoen, dan kunnen we samen van de sterren genieten.’

De keuze voor Franeker was snel gemaakt. Het was daar dat de amateurastronoom Eise Eisinga in 1768 in de woonkamer van zijn huis zijn beroemde, voor de Unesco Werelderfgoedlijst voorgedragen planetarium bouwde, een astronomisch uurwerk dat de actuele stand van de planeten aangeeft. Maar men koos ook voor Franeker omdat je in Friesland relatief weinig last hebt van omgevingslicht, en omdat Roosegaarde in de Friezen welwillende partners zag. ‘Friezen durven’, weet Roosegaarde. ‘Ze zijn trots op hun provincie.’

Foto’s van Albert Dros en Merel Tuk tonen hoe het er die nacht uitzag. Donkere gevels en bomen boven een nachtblauwe lucht bestrooid met lichtgevende punten. Wat Roosegaarde aantrekt in zo’n sterrenhemel is in de eerste plaats de schaal. ‘Je voelt de eindeloosheid,’ zegt de ontwerper, ‘de oneindigheid. Zelfs de dichtstbijzijnde ster, Proxima Centauri, is nog altijd 38 biljoen kilometer van ons verwijderd. Dat noem ik extreem design.’ Maar de sterrenhemel kan ook gemeenschapszin aanwakkeren, denkt Roosegaarde. In het firmament ziet hij een grote gelijkmaker. Die immense koepel, denkt hij, maakt de onderlinge verschillen tussen mensen minder belangrijk. In Roosegaardes woorden: ‘We hebben de neiging om erg op onszelf gericht te zijn, maar in sterrenkijken vinden we een gedeelde ervaring die ons ego overstijgt.’

Daarom, zegt Roosegaarde, hoopt hij dat het niet bij een eenmalige actie blijft. Hij wenst dat ze in Franeker in de toekomst vaker de lichten zullen doven, wat inderdaad de bedoeling lijkt. Het initiatief, verwacht hij, zal zich ook niet beperken tot die stad. Vanuit Leiden is bijvoorbeeld eveneens interesse getoond om een vergelijkbare nacht te organiseren. In principe staat het iedere relatief geïsoleerd liggende stad vrij om haar lampen (tijdelijk) te doven, om het licht te kunnen zien. Sterrenlicht.

Zelf nachtwandelingen maken

In Nationaal Park Lauwersmeer worden regelmatig nachtelijke activiteiten gehouden waaronder nachtwandelingen en sterrenkijksessies. Je kunt natuurlijk ook zelf op pad gaan. Op de website, www.np-lauwersmeer.nl, vind je verscheidene tips voor sterrenwandelingen. Aanbevolen worden bijvoorbeeld tochten over het donkerste fietspad van Nederland (in de Kollumerwaard), langs de Haven van Lauwersoog, of door het Ballastplaatbos.

Daan Roosegaarde, nachtkunstenaar

Seeing Stars is niet het eerste nachtelijke kunstwerk van Daan Roosegaarde. In 2014 maakte hij bijvoorbeeld Sterrennacht. Een 600 meter lang stuk van het fietspad tussen Nuenen en Eindhoven werd hiervoor belegd met glow-in-the-darksteentjes, steentjes die overdag opladen en ‘s nachts oplichten. In het donker doet het vagelijk denken aan Vincent van Goghs beroemde, gelijknamige schilderij. Ook voor de Afsluitdijk en het Museumplein in Amsterdam maakte Roosegaarde nachtelijke kunstwerken.