InterviewGaston Remmers en Titia Bloemhof

‘De dood van onze zoon maakt zichtbaar hoe kwetsbaar jongeren nu zijn. Er zijn zoveel Pepijns’

Gaston Remmers en Titia Bloemhof: ‘De lockdown zoog de levenslust uit Pepijn. De sprankeling die hij had, verdween.’  Beeld Linelle Deunk
Gaston Remmers en Titia Bloemhof: ‘De lockdown zoog de levenslust uit Pepijn. De sprankeling die hij had, verdween.’Beeld Linelle Deunk

In het afgelopen jaar zagen Gaston Remmers en Titia Bloemhof hun levenslustige puberzoon Pepijn verwelken. Hij ging op zoek naar spanning – met dodelijke afloop. Zijn verhaal laat zien hoe kwetsbaar jongeren zijn in deze crisis, zeggen zijn ouders. Daar moet de politiek meer rekening mee houden.

Het is al donker als Gaston Remmers die avond begint te fietsen, zo hard als hij kan. De straat uit, naar het bos bij het waterzuiveringsterrein. Hij trapt en trapt. Hij heeft net een appje gehad. ‘Hij is gevonden.’ Maar er staat niet bij of zijn zoon nog leeft.

Pepijn heet hij, en hij is 14.

Het is zaterdagavond 16 januari, zeven uur. Drie kwartier geleden zette Gaston een bericht in de buurtapp van zijn straat in Amsterdam-Noord: ‘Onze jongen is vermist’, schreef hij. ‘Het is de tweede keer al deze week. Het is serieus en er zijn mogelijk drugs in het spel. Kunnen jullie ons helpen zoeken?’ Binnen een kwartier waren er bijna tachtig man op de been en naast elkaar kamden ze het bos uit.

In het bos ligt de eerste sneeuw van het jaar.

Bij de rand van het bos pakt de ene buurman zijn fiets aan. ‘Hol maar achter mij aan’, zegt een ander. Gaston weet niet of hij moet huilen of rennen, maar hij kiest voor het laatste. Hij moet naar zijn zoon. In het donker ziet hij buurtgenoten al teruglopen. Hun gezichten staan strak.

De beste vriend van zijn andere zoon is degene die Pepijn heeft gevonden. Hij ontdekte het kleine trekkerstentje in de sneeuw, schudde eraan en ritste het open. Toen hij Pepijn daar zo stil zag liggen, viel hij van schrik achterover op de grond. Een buurman dook de tent in, begon met reanimeren. De hulpdiensten die binnen drie minuten arriveerden, knipten zijn kleren open en deden alles wat ze konden. Maar zijn lichaam was toen al zó koud.

De rouwkaart van Pepijn op het kleed dat vrienden van moeder Titia voor haar hebben gemaakt na zijn overlijden. Beeld Linelle Deunk
De rouwkaart van Pepijn op het kleed dat vrienden van moeder Titia voor haar hebben gemaakt na zijn overlijden.Beeld Linelle Deunk

In het tentje lag Pepijn languit op zijn rug, gekleed in de warme jas van zijn oudere broer. Op zijn hoofd een koptelefoon, zijn armen langs zijn lichaam. Alsof hij rustig sliep. Onder zijn arm een fles frisdrank, naast zich een zakje snoep. In de tent stond de kleine barbecue van zijn vader. En een koolmonoxidemeter, een zakje wiet en pillen.

‘Ik wil naar hem toe’, schreeuwt Gaston. Maar de politie houdt hem tegen. Staand in de sneeuw omhelst hij zijn buurtgenoten. Niemand zegt iets. Maar hij weet het al.

Pas om vier uur die nacht mag hij zijn zoon zien, in het mortuarium van het VU medisch centrum. Met Titia, de moeder van Pepijn, en hun andere zoon Boris loopt hij naar binnen. Huilend kijken Gaston en Titia naar het lichaam van hun sterke, blonde puberzoon. Ze zijn boos en verdrietig tegelijk. ‘Verdomme’, zegt Gaston die nacht in tranen. ‘Je hebt ons een loer gedraaid.’

Verwelkt

In de voortuin van Titia Bloemhof en Gaston Remmers staan boeketten bloemen van wildvreemden. Ze komen van mensen die hun rouwadvertentie lazen en herkenden wat zij beschreven: hoe tieners kunnen verwelken tijdens de lockdown.

‘Pepijn was een levenslustige en nieuwsgierige jongen’, schreven ze. ‘De lockdownmaatregelen verteerde hij slecht, hij miste contact en structuur. Hij zocht iets wat spannend was, maar waarvan zijn overmoedige puberbrein de consequenties niet kon overzien. Pepijn is omgekomen door een koolmonoxidevergiftiging in combinatie met drugs.’ In zijn bloed wordt zeven keer de dodelijke dosis koolmonoxide gevonden.

Hun openhartigheid viel op. Net als de relatie die ze legden tussen zijn dood en de lockdown. Het raakte een snaar bij veel ouders, die ook voelen hoe hun kinderen ze ontglippen.

Ze vertellen hun verhaal omdat de dood van hun zoon iets zichtbaar maakt wat voor de buitenwereld moeilijk is te zien: de grote kwetsbaarheid van tieners in de coronacrisis. Niet alleen van kwetsbare kinderen, maar óók van gewone, gezonde jongens en meisjes van wie de wereld anders misschien nooit zou horen, zoals Pepijn. Maandenlang ging het vooral over doden, zieken, besmettingen, vaccinaties en avondklokken. Zaken die allemaal belangrijker leken. Met hun verhaal willen ze laten zien dat pubers, net als ouderen, óók zeer kwetsbaar zijn in deze crisis. Ze willen dat de politiek daar meer rekening mee houdt. Want jongeren zijn de toekomst.

‘Je ziet het pas als het te laat is’, zegt Titia.

Sinds zijn dood zien ze dat de maatschappelijke discussie is ontbrand over de schade die de coronamaatregelen toebrengen aan jongeren. Toename van depressiviteit, eetstoornissen, een overbelaste Kindertelefoon.

Ze zijn vier jaar gescheiden, maar ze vonden een manier om liefdevol samen te wonen in één huis. De buurman komt binnen met zelfgemaakte cappuccino’s. Sinds 16 januari voelt hun buurt in Amsterdam-Noord als een hecht dorp. Iedereen helpt, zorgt, brengt eten en daardoor voelen ze zich geliefd en gesteund.

Ze ogen vastberaden. Helder verwoorden ze wat er is gebeurd. Zodat politici, wetenschappers en andere ouders van hun zoon kunnen leren.

Op de plek in het bos waar Pepijns tentje stond, liggen bloemen. Beeld Linelle Deunk
Op de plek in het bos waar Pepijns tentje stond, liggen bloemen.Beeld Linelle Deunk

Net even anders

Pepijn wilde zelf naar het gymnasium. ‘Hij was intelligent’, zegt Titia. ‘Mensen zeiden: dat kun jij makkelijk. En dat was ook zo. Ik heb altijd gezegd: je hóéft niet voor het gymnasium te gaan. Ik voelde dat hij geen jongen was om de hele tijd boven de studieboeken te zitten. Maar zijn vrienden en zijn broer zaten er ook. Dus hij móést erheen.’

Haar zoon is avontuurlijk. Een beetje wild. En ontzettend creatief.

Als kind doet hij de dingen altijd net even anders. ‘Bij wandelingen liep hij nooit op het pad’, zegt Gaston, ‘maar altijd recht tegen de hellingen op, dwars door het struikgewas.’

Pepijn afgelopen zomer. Beeld Privé-archief
Pepijn afgelopen zomer.Beeld Privé-archief

‘Zijn eerste jaar op het gymnasium begon hij met negens en tienen’, zegt Titia. ‘Maar halverwege de brugklas dacht hij: hmm, dit kan ik wel. En deed hij niets meer. Toch had hij het volste vertrouwen dat hij het zou halen. Dus vanaf de meivakantie gaf hij gas en hij ging nét over. Toen wist ik: dit gaat hij volgend jaar weer zo doen.’

Ze herinnert zich hoe haar zoontjes vroeger in de V&D steevast de roltrappen andersom oprenden. ‘Op een dag zei Pepijn: mam, dat moet je ook doen. Hij was nog klein, maar hij daagde me uit. Ik weet nog dat ik dacht: oké, inderdaad, je leeft maar één keer. Come on. Bam. Gaan. En hup, daar rende ik die roltrap op, terwijl ik ondertussen de mensen naar me zag kijken: wat is dat voor een vrouw? Hij lag plat van het lachen.’

Ze omschrijft haar zoon als gevoelig en eerlijk, ook als dat niet goed uitkomt. ‘Als een leraar vroeg waarom hij zijn huiswerk niet had gemaakt, dan kon hij rustig zeggen: ik vond het niet zo interessant. Of: ik dacht dat ik er wel mee weg zou komen’, zegt Titia.

Hij is een jongen die grenzen opzoekt. Gaston: ‘Op het bouwterrein hier in de buurt was híj altijd degene die het gat in het hek vond. En dan was hij er al door. Terwijl zijn vriendjes zich nog afvroegen: zullen we dit wel doen?’

Met Pepijn is altijd wat te beleven, zeggen zijn vrienden. Vaak verzint hij dingen waar anderen niet op komen. Titia herinnert zich het telefoontje dat ze kreeg. ‘Een zware stem zei: ‘Hallo, ik sta hier bij u in de straat en ik wil 100 euro hebben.’ Ook Gaston bleek te zijn gebeld. Even later hoorden we keihard gelach bovenaan de trap. Bleek dat hij zijn stem had vervormd met een stemvervormer en dat hij zijn nummer uit onze telefoons had gehaald, zodat we hem niet herkenden. Toen zat hij nog op de basisschool.’

Tijdens de eerste lockdown, in maart 2020, is Pepijn 13 en zit hij in de tweede van het gymnasium. Juichend hoort hij dat hij thuis moet blijven. ‘Hij vond het prachtig’, zegt zijn vader. ‘Hij dacht dat het een soort vakantie zou worden. Lekker vrij, zei hij.’

Het slaat al snel om. Het blijkt een opgave om te luisteren naar leraren op een scherm. ‘Veel lessen vielen ook nog eens uit’, zegt Titia. ‘Vaak had hij maar een paar uur per dag les. Dan kregen ze instructies en moesten ze de rest van de tijd zelfstandig werken. Maar dat deed hij dus niet.’

Pepijns modderige schoenen, die hij droeg in het bos. Beeld Linelle Deunk
Pepijns modderige schoenen, die hij droeg in het bos.Beeld Linelle Deunk

Gaston: ‘Als ik ’s avonds aan hem vroeg hoe zijn dag was geweest, dan zei hij meestal: sááááái.’

Hij wil er wel op uit, liefst met vrienden, maar dat wordt ontmoedigd. Al voetballend op een veldje worden ze weggestuurd. De volgende keer, horen ze, krijgen ze 300 euro boete.

Langzaam zien zijn ouders dat Pepijn wegzakt in lusteloosheid. ‘Die lockdown zoog de levenslust uit hem’, zegt Titia. Gelaten accepteerde hij de maatregelen, zegt ze. ‘Maar de sprankeling die hij had, verdween. Ik herkende hem niet meer.’

Normaal hanteren ze strikte regels: hij mag een uur per dag gamen. ‘Hij streed hevig tegen die regel en vond dat hij de strengste ouders had van iedereen, maar daar stonden we stevig in. We wisten: dit hoort erbij. Maar tijdens de eerste lockdown zei Pepijn: ‘Ja, mam, je kunt wel zeggen dat ik maar een uur mag, maar wat moet ik dan doen? Moet ik hier op de bank gaan zitten en voor me uit staren? Ik mag niet naar de hockeyclub, ik mag niet voetballen, ik mag niks.’

‘Toen stond ik met mijn handen op mijn rug. Wat kon ik bieden? Ik had geen alternatieven. Dus langzaam liet ik het steeds meer lopen.’

Regelmatig loopt Titia zijn kamer in. ‘Stop nu met gamen’, zegt ze dan. ‘Ga alsjeblieft wat anders doen.’ Het leidt allemaal tot niets. Beide ouders voelen zich als grijsgedraaide platen. Zijn vader moedigt hem aan om met zijn vrienden te bellen. ‘Maar dat deed hij niet.’

Gamen, dat is zijn contact met vrienden nu. Ook brengt hij dagenlang liggend op zijn bed door, kijkend naar zijn telefoon.

Pepijn in de kerstvakantie. Beeld Privé-archief
Pepijn in de kerstvakantie.Beeld Privé-archief

Het enige wat hij nog doet, is pianospelen. En sporten. Zijn slaapkamer heeft hij omgebouwd tot een minisportschool. Samen met zijn broer Boris traint hij bijna elke dag keihard. Hij vormt zijn magere lijf, dat net een groeispurt heeft gemaakt, om tot een breedgeschouderd lichaam.

‘We hebben hemel en aarde bewogen om hem weer op gang te krijgen met zijn school’, zegt Titia. ‘Huiswerkbegeleiding, alles. Ik heb geprobeerd samen met hem door te nemen wat hij moest doen, maar hij liet me niet toe. Dus de zevens en achten werden zesjes. De zesjes werden vijven. Vieren. Drieën. En toen liet hij het los.’

‘Dit is niet hoe ik je ken’, zegt Titia op en dag tegen hem. ‘Zou je depressief kunnen zijn?’

‘Ik weet eigenlijk niet wat dat is’, zegt Pepijn.

Titia: ‘Daarna hebben we het samen opgezocht. Hij was soms heel vlak. Maar op andere momenten was hij zo ontzettend vrolijk dat we die gedachte weer loslieten.’

Drugs

In de zomervakantie, waarin Pepijn door de hernieuwde vrijheid weer opleeft, praat Titia met hem over drugs. Ze weet dat hij een leeftijd heeft waarop kinderen soms beginnen met experimenteren. ‘Denk je dat je dat ooit zou doen?’, vraagt ze.

‘Ik denk het niet, want jullie hebben me uitgelegd hoe slecht het voor me is’, zegt Pepijn. ‘Het is niet mijn intentie, maar ik kan het niet beloven.’

‘Eerlijk van je’, zegt Titia.

Hij heeft een boek gelezen over het puberbrein, dat zijn vader kocht om hem beter te begrijpen. Hij vertelt dat hij dingen erin herkent. ‘Hij zei dat hij wist dat zijn brein nog in ontwikkeling was en dat hij de lange termijn daardoor niet kon overzien. Dat gaf me vertrouwen’, zegt ze. ‘Het gaf blijk van zelfinzicht. Al kon hij er nog niet naar handelen.’

Experimenteren

Na de zomer gaat hij alsnog naar de derde; vanwege corona mogen leerlingen van zijn gymnasium zelf ‘kiezen’ of ze overgaan. Zijn eerste cijfer is een 10 voor natuurkunde. Maar daarna gaat het opnieuw bergafwaarts.

Een leraar spreekt Titia en Gaston erop aan. ‘Hij zit er een beetje dromerig bij’, zegt hij tijdens een oudergesprek. ‘Gebruikt hij drugs?’

Nee, zeggen ze. Ze kunnen het zich niet voorstellen.

Achteraf horen ze dat hij in die tijd wel degelijk begint met blowen. ‘Op school werd veel meer gebruikt dan wij wisten’, zegt Gaston. ‘Klasgenoten experimenteerden al in de tweede met wiet. Pepijn begon daar in de derde mee. Maar op een gegeven moment werd hij van meeloper een voorloper.’ Achteraf horen ze van zijn vrienden dat hij dingen begon te doen die ook hen te ver gingen. Zo gebruikt hij een keer speed. Slikt een xtc-pil. Ook komt er op een dag pakje binnen met de post, waarvan hij zegt dat het een verrassing voor zijn broer is.

Er gebeuren rare dingen in huis. Op een gegeven moment is er een fles drank weg. Ook de fles rum is ineens leger. En niemand weet er iets van. ‘Ik denk niet dat hij zich klem zoop’, zegt Gaston, ‘maar meer dat hij het allemaal wilde proeven.’

Op school wordt de situatie onhoudbaar. Pepijn kan niet blijven, laat de school weten. Zelfs structureel teruggaan naar de tweede klas is geen optie. Gelukkig vinden ze vrij snel een nieuwe school.

De hele maand december zit hij grotendeels thuis: het gymnasium wil niet dat hij de lessen van zijn klas tot de kerstvakantie blijft volgen. Voor een paar weken terug naar de tweede klas voelt zinloos en bij de nieuwe school kan hij dan nog niet terecht. Maar daardoor verliest Pepijn opnieuw de structuur in zijn leven. Die maand verblijft hij voornamelijk op de bank en in bed. Zijn ouders krijgen steeds minder contact met hem. Ze nemen hem mee naar een coach, met wie hij gesprekken voert. Maar het helpt niet echt. ‘Op een gegeven moment werd ik woest’, zegt Titia. ‘Ik zei: ‘Pepijn, hier zijn twee mensen die zielsveel van je houden en die je in alles willen steunen. Jij zet mij niet buiten de deur.’ Dat maakte indruk. Maar daarna stokte het gesprek ook weer, want praten, dat vond hij saai.’

Vermist

Het is zondag 10 januari 2021 als Pepijn aan zijn ouders vraagt of hij naar zijn vrienden mag. Hij wil naar het Museumplein.

Vooruit, zeggen ze. Ze zijn blij dat hij weer iets onderneemt. Dat hij contact heeft. Als hij maar om tien uur ’s avonds thuis is.

Maar tegen die tijd is hij nergens te bekennen. Zijn telefoon is leeg, zoals gewoonlijk. Voicemail. Het wordt elf uur, twaalf uur, één uur – en dan zijn ze doodongerust. Gaston gaat kijken bij het Museumplein en Titia wacht op de laatste metro. Maar nergens een spoor van hun zoon. Gaston gaat naar het politiebureau en geeft hem op als vermist.

Pas om vijf uur in de ochtend horen ze de sleutel in het slot. In hun ondergoed rennen ze hun bed uit en zien ze Pepijn doodgemoedereerd binnenkomen met een rugzak. ‘Hij voelde ijskoud’, vertelt Titia. ‘Ik dacht: nu laat ik hem nooit meer los.’

Gaston: ‘Hij zei dat hij op het Museumplein op een bankje in slaap was gevallen. Dat hij naar huis was komen lopen en dat hij het vooral heel erg koud had.’

Nog diezelfde nacht komt de politie langs. ‘De agent was enorm betrokken. Om tot Pepijn door te dringen ging hij echt even tegen hem tekeer’, zegt Titia. ‘Hij zei: ‘Je valt niet zomaar in slaap met deze kou, jij hebt iets gebruikt. En jongen, ik wil je vertellen dat dat helemaal de verkeerde weg is. Jij bent 14 en je doet dingen waarvan je de consequenties niet kunt overzien.’’

In het bijzijn van de agent pakken ze zijn rugzak uit en vinden ze wiet, een aansteker, een koolmonoxidemeter en een pil. Het blijkt 3mmc, een verslavende designerdrug die kenmerken heeft van xtc en cocaïne. ‘Pepijn kwam in verweer’, zegt Titia. ‘Hij zei: zo erg kan het toch niet zijn, het is legáál.’ Maar die agent maakte hem duidelijk dat dat niets uitmaakte.’

Uiteindelijk reageert Pepijn schuldbewust, zeggen ze. ‘Ik zag zijn lip trillen. En ik zag hem in elkaar krimpen.’

‘Wat voel je nu?’, vraagt zijn moeder aan hem.

‘Ik schaam me’, zegt hij.

Zijn vader neemt al zijn spullen in beslag: de pillen, de koolmonoxidemeter, de wiet.

Pepijn had zijn kamer omgebouwd tot minisportschool. Beeld Linelle Deunk
Pepijn had zijn kamer omgebouwd tot minisportschool.Beeld Linelle Deunk

Opluchting

In de week die volgt, lijkt er iets van hem afgevallen: hij is vrolijk, praat voor het eerst weer veel. ‘Ik was erg geschrokken’, zegt Titia. ‘Ik zei: Pepijn, er kan van alles misgaan in je leven, maar lieg niet tegen me. Hij zei dat hij blij was dat het grote geheim nu boven tafel was.’

Het voelt die week alsof de oude Pepijn terug is. ‘Er was grote opluchting bij ons’, zegt Gaston. ‘We kregen weer contact met hem. Er was openheid. Zachtheid. Plezier.’

‘We hebben samen gegoogled naar lockdown en mentale gezondheid’, zegt Titia. ‘Ik zei: ‘Jij bent veel bezig met je fysieke gezondheid, maar je mentale gezondheid staat onder druk.’ Hij had me ooit verteld over bodybuilders die pillen gebruiken om spieren te kweken. Nepspieren, noemde hij dat. Ik zei: ‘Het geluksgevoel dat jij krijgt door die drugs, dat is eigenlijk hetzelfde, dat is geen écht geluk.’’

Voor het eerst sinds lange tijd doen ze samen weer een 7-minute-workout. In de woonkamer draaien ze zijn muziek en springen ze erop los. Ze lachen en spreken af het vaker te doen.

Op vrijdag 15 januari, de avond voor zijn dood, hoort Titia ’s nachts gestommel op de trap: Pepijn. Het is de laatste maanden vaker gebeurd: zijn dag- en nachtritme is door het gebrek aan structuur verstoord geraakt en hij kan niet slapen. Soms helpt het hem buiten een rondje te gaan wandelen. Titia biedt aan met hem mee te gaan. Maar hij zegt dat het niet hoeft. Ze omhelzen elkaar.

‘Ik hou van je’, zegt zijn moeder.

‘Ik ook van jou’, zegt hij.

Het trekkerstentje waarin Pepijn werd gevonden.  Beeld Linelle Deunk
Het trekkerstentje waarin Pepijn werd gevonden.Beeld Linelle Deunk

Op zoek naar avontuur

‘Waaraan is hij nu precies overleden?’, schreven Gaston en Titia op de rouwkaart. ‘Aan koolmonoxidevergiftiging? Aan drugs? Of is het toch het gebrek aan structuur? Aan het gebrek aan écht contact? Aan zijn speelse en avontuurlijke geest? Aan zijn overmoed en zelfoverschatting? Aan ons ouderlijk toezicht? Zegt u het maar.’

Ze hebben geprobeerd zijn laatste week te reconstrueren. Ze spraken met vrienden, lazen berichten in zijn telefoon. Ze zagen dat hij een lijstje had gemaakt met alles wat hij die avond nodig had in de tent.

Ze denken dat hij op zoek was naar iets wilds. Iets nieuws. Een groot avontuur. ‘Achteraf’, zegt Gaston, ‘denken we dat hij een plek wilde creëren waar hij ongestoord de ervaring van die 3mmc kon beleven. De barbecue was misschien om warm te blijven, de koolmonoxidemeter om hem te waarschuwen.’

Misschien was hij door de drugs niet meer scherp. De briketten lagen op het tentzeil in plaats van op de barbecue. Werkte de koolmonoxidemeter niet? Heeft hij het alarm in zijn roes niet meer gehoord?

Ze hebben aan zelfmoord gedacht, maar er is weinig dat daarop wijst, zeggen ze. Zo vroeg Pepijn op de avond van zijn dood een vriend of hij meeging om een pilletje te slikken. ‘Maar die jongen zei: nee, daar begin ik niet aan’, zegt Gaston. ‘Daarna heeft Pepijn vermoedelijk het besluit genomen om het in zijn eentje te doen.’

Het tentje, dat staat voor de bubbel waarin Pepijn door de coronacrisis steeds meer opgesloten raakte, zegt Gaston. ‘De laatste weken leefde hij geïsoleerd in zijn eigen wereldje. Daar was hij niet meer aanraakbaar voor ons. Hij creëerde zijn eigen werkelijkheid en liet ons niet meer toe. Het is zijn dood geworden.’

Het verhaal van Pepijn, hoe hij worstelde met de coronamaatregelen, staat voor iets groters, zeggen zijn ouders. De honderden reacties van ouders die hun verhaal herkenden en de massale steun uit de buurt, bevestigen dat. Een moeder schreef ook bij haar eigen zonen van 13 en 14 ‘gevoelens van frustratie, eenzaamheid en uitzichtloosheid’ te zien. ‘Als verpleegkundige word ik dagelijks geconfronteerd met corona in het ziekenhuis, maar de effecten buiten de ziekte corona zijn zeker zo schadelijk en verdrietig.’

‘Het voelt niet eerlijk om dit totaal aan de coronamaatregelen toe te schrijven’, zegt Titia. ‘Maar het heeft zeker aan zijn dood bijgedragen.’

‘Met de beste bedoelingen’, zegt Gaston, ‘kun je heel veel schade aanrichten.’ Tieners en jongeren moeten weer de ruimte krijgen om elkaar te ontmoeten, met elkaar te leren en te sporten, zegt hij. ‘Als dat betekent dat de scholen weer open moeten, dan ben ik daarvoor.’ Hij realiseert zich ook dat de druk op de ziekenhuizen daardoor groter kan worden. Maar met meer focus op leefstijlverbetering en mentale weerbaarheid, en meer ruimte voor huisarten om covidpatiënten in een vroeg stadium te behandelen, is dat te voorkomen, denkt hij.

‘De belangen van jongeren moeten sterker meewegen’, zegt Gaston. ‘Misschien wel sterker dan die van ouderen, omdat zij het grootste deel van hun leven nog voor zich hebben.’ ‘Er zijn nog zoveel meer Pepijns’, zegt Titia. ‘Ik hoop op een menselijk en constructief debat, zonder verwijten en afrekeningen aan het adres van politici. Ik wil dat we samen een betere koers kiezen.’

Echt, ze begrijpen de dilemma’s van politici. Ze weten dat maatregelen nodig zijn, net als Pepijn dat wist. Ook hij wilde zijn opa en oma beschermen. Toen ze bij zijn opgebaarde lichaam stonden, in het schuurtje in de tuin, zei hun zoon Boris: ‘Moet je kijken wat er in zijn broekzak zit.’

Een mondkapje.

Meer over