Je kunt het maar één keer doen

De dood van een surfer: ‘Zijn einde was snoeihard, onmenselijk en traumatisch’

null Beeld Krista van der Niet
Beeld Krista van der Niet

De dood kunnen we niet ontlopen. Afscheid ­nemen van het leven kan op veel ­manieren. Hoe je het doet, maakt nogal wat uit. In deze serie spreekt ­Barbara van Beukering ­nabestaanden over het stervensproces van hun dierbaren.

Roberto Lynch (43, surfer) overleed op zes december 2015 aan de gevolgen van een hersentumor. Hij had een relatie met Fenja Ellen Sepers (38, bewustzijnsdenker).

Fenja: ‘Tijdens een vakantie in Ecuador wilde ik surflessen nemen. Toen zag ik hem voor het eerst. In zijn boardshorts zag hij eruit als een echte surfer. Hij was bruin, gespierd en had lang haar. En een grote neus, een mix tussen een Argentijn en een Ecuadoriaans inheems type. Het was méér dan liefde op het eerste gezicht, we hadden een megagrote connectie. Het voelde alsof ik mijn thuis had gevonden. Roberto was 38 jaar en leidde een zwervend bestaan. Hij bewoog mee met de wind en de golven, reisde op het kompas van de natuur en de seizoenen. Hij overnachtte op het strand of in zijn tentje. Overal waar hij was, verzamelde zich een groep mensen om hem heen die graag bij hem wilden zijn. Hij leefde heel vrij, materiële zaken waren voor hem onbelangrijk. Hij was volledig toegewijd aan surfen en de kunst van het leven.

Ik was 28 en werkte bij een social-designstudio, had een leuk appartement op een toplocatie in Amsterdam en een grote vriendenkring. Het gevoel knaagde al een tijdje dat er toch meer moest zijn dan dit leventje, de routine en de lifestyle. Door de ontmoeting met Roberto besloot ik Nederland te verlaten. Ik heb mijn baan opgezegd, al mijn spullen weggedaan en mijn appartementje verhuurd. Mijn vrijdenkende ouders hebben me altijd aangemoedigd om te doen wat ik wilde. Ik kon Roberto helaas niet aan ze voorstellen omdat het enorm moeilijk is om vanuit Ecuador een visum voor Nederland te krijgen.

Met Roberto had ik op 12-12-2012 in Argentinië afgesproken. We wilden samen een levensexperiment aangaan; ontdekken of we het moment de koers van het leven konden laten bepalen. Navigate on Trust, noemden we het. De eerste tijd was best pittig. Ik was als Nederlander gewend om veel zekerheden te hebben. Van Roberto leerde ik dat je geen zekerheden nodig hebt. Alles komt op je pad als je maar bij jezelf blijft en niet gestrest raakt. We kochten in Ecuador een romantisch groen Volkswagenbusje uit 1971. We zijn heel Zuid-Amerika doorgekruist met dat busje. Jarenlang reisden langs kusten, over de hooglanden en door de bergen. We leefden van weinig. Als we geld nodig hadden, gaf Roberto surflessen. Vier, vijf uur per dag waren we aan het surfen. We lazen veel, mediteerden, praatten. Gewoon ‘zijn’. Rondlopen en genieten. Echt ‘leven’. We wilden trouwen, ik had al een beachy vintage trouwjurk, en op ons wensenlijstje stond ook kinderen krijgen. Onze relatie was als een film waar ik als kind van had gedroomd.

Toen mijn oma 90 werd, schreef ze naar een televisieprogramma dat ze mij en Roberto graag wilde zien. Dat tv-programma heeft veel moeite gedaan om een visum voor Roberto te regelen en heeft ons voor twee weken naar Nederland gehaald. Toen we hier waren, zei Roberto dat hij last had van zijn oor. Maar bij surfers komt dat best vaak voor, dat heet een surfersoor. Het klonk niet ernstig en aangezien we een heel druk programma hadden in Nederland, zijn we niet naar een dokter gegaan.

Roberto en Fenja. Beeld Privéfoto
Roberto en Fenja.Beeld Privéfoto

Toen we terug waren in Ecuador kreeg hij ook last van hoofdpijn. Een arts maakte foto’s en daar kwam heel snel de diagnose hersentumor uit. Chemo of bestraling was niet aan de orde, de enige optie was opereren. Ons werd niet verteld dat het ongeneeslijk was, dus er was hoop. Roberto ging heel snel achteruit. We hebben nog overwogen om naar Nederland te gaan maar hij werd zo snel zo ziek dat zijn arts het onverantwoord vond om nog te vliegen. We zijn toen bij een vriend van Roberto in huis gaan wonen. Ik probeerde allerlei dingen met voeding, maar wat ik ook deed, hij werd steeds slechter. Al snel lag hij de hele dag in bed met vreselijke hoofdpijnen. De omslag van heel fit naar heel ziek was ontzettend snel gegaan. Ik vermoed dat dat met zijn sterke geestelijke gesteldheid te maken had. En hij was fysiek natuurlijk ook heel gezond, hij was een echte sportman.

Op een gegeven moment moest hij in het ziekenhuis worden opgenomen. Je kunt in Ecuador naar een privékliniek maar als je niet heel rijk bent, kun je dat nooit betalen want dat gaat om honderdduizenden euro’s. Roberto kwam terecht in een sociaal ziekenhuis waar ook veel arme mensen liggen. Je moet de faciliteiten zelf regelen; zelf medicijnen halen en zelf bloed organiseren. Er moet ook 24 uur iemand bij de patiënt zijn, een vriend of familielid. Je moest er dus ook slapen, maar er stond alleen een stoel naast het bed. Zijn zus en ik namen deze rol op ons en dat was extreem stressvol. Dan was er weer bloed nodig en moesten wij familie en vrienden oproepen om bloed te doneren. Roberto was er heel chagrijnig onder. Ik kon er niet met hem over praten. Ik weet nog wel dat ik hem vroeg wat ik moest doen als het slecht zou aflopen. Of ik dan naar zijn moeder moest gaan. Maar daarover wilde hij helemaal niet spreken. Zijn moeder woonde zonder papieren in Amerika, ze had haar leven in Ecuador opgegeven om daar te werken zodat ze haar kinderen financieel kon ondersteunen. Ze kon haar zieke zoon niet bezoeken want dan zou ze Amerika niet meer in komen. Ze heeft erg in dubio gezeten, maar we hadden nog hoop door de operatie.

De operatie was op zich geslaagd, maar het was niet gelukt alles weg te halen, er was nog een gedeelte van de tumor achtergebleven. Op de intensive care herstelde hij niet. Hij ging niet achteruit, maar ook niet vooruit. Het leek alsof we stapje voor stapje van elkaar werden verwijderd. In het huis van die vriend sliepen we nog samen in één bed. In het ziekenhuis mocht ik wel bij hem zijn, maar bracht de nacht door op een stoel. En op de intensive care mocht ik hem alleen op bepaalde momenten bezoeken. Tot ze op een dag zeiden dat ik niet naar hem toe mocht. Ze waren de hele tijd met hem bezig, zeiden ze. Mijn vriendin Leoni was een dag daarvoor overgekomen en we zaten samen in de wachtkamer. Ik zei tegen haar dat er iets niet klopte, waarop zij zei ‘Ga gewoon naar hem toe. Ga!’ Dus ik zei tegen het verplegend personeel: ‘Ik wil nú naar binnen.’

Roberto lag er heel slecht bij, dat zag ik meteen, het was verschrikkelijk. Hij was enorm aan het vechten en hing nog aan een zijden draadje aan het leven. Toen hij mijn stem hoorde, overleed hij binnen drie minuten. Hij had de kracht gehad om het vol te houden tot ik er was. De ultieme zelfcontrole. Ik was woedend. Ik had de hele dag in de wachtkamer gezeten en niemand had me geroepen. Zijn einde was snoeihard, onmenselijk en traumatisch. De discrepantie tussen de prachtige kust van Ecuador en de natuur waarin hij zo thuishoorde en dit lelijke, verschrikkelijke ziekenhuis was enorm.

Na zijn dood vloog ik met zijn urn naar Amerika. Moet je je voorstellen: dan komt er een meisje uit Nederland met de as van je zoon.’

Naar aanleiding van haar verlies richtte Fenja het platform Deya op over de dood, verlies en verdriet: deyja.org

Meer over