De Bounty-stranden van Honduras behoren aan de Zwarte Caribiërs

De Garífuna's worden de 'Zwarte Caribiërs' van Honduras genoemd. Hun cultuur is een samensmelting van Afrikaanse, Europese en indiaanse elementen....

ZODRA buitenlandse investeerders hun vijfsterrenhotels aan de noordkust van Honduras gaan neerzetten, zullen de Garífuna's de stranden waar ze al twee eeuwen wonen 'als leeuwen' verdedigen. 'Dit land is van ons', schreeuwt Natividad Martínez krijgslustig in een vergeeld camouflagepak voor het gemeenschapshuis van Bajamar. 'De regering denkt ''ach, het zijn maar negers, het zijn net apen'', maar het zal een harde strijd worden. Wij laten ons niet verdrijven. We zullen bouwmaterialen stelen en sabotage plegen.' Na de orkaan Mitch hangt de Garífuna's, een zwarte etnische minderheid in Honduras, een nieuwe ramp boven het hoofd. Het Congres (parlement) staat op het punt artikel 107 van de grondwet te wijzigen, zodat buitenlandse investeerders grond in Honduras kunnen kopen om grote vakantieparadijzen te bouwen.

De Hondurese economie is door Mitch zwaar getroffen. 80 Procent van de traditionele exportproducten - bananen, koffie, garnalen - is vernietigd door de zondvloed die El Mietch veroorzaakte. De regering zet daarom alles op alles om de goudmijn van het internationale massatoerisme aan te boren.

De nog nauwelijks ontgonnen Caribische noordkust is daarvoor een perfecte lokatie: prachtige stranden, altijd zon, bijna maagdelijke koraalriffen, Maya-tempels en de internationale luchthaven van San Pedro de Sula onder handbereik.

In 1998 leverde de toeristenindustrie de Hondurese regering een magere 150 miljoen dollar op. Zodra de grondwet is hervormd, zullen Europese en Amerikaanse investeerders met een half miljard dollar over de brug komen om nieuwe hotelaccomodaties te bouwen, zo heeft het ministerie van Toerisme becijferd. 'Hotels zijn van cruciaal belang en veroorzaken een economische kettingreactie', aldus een woordvoerder. 'Hoe meer toeristen, hoe meer dollars, belastingen en vliegtuigen.'

De regering in Tegucigalpa is ervan overtuigd dat het toerisme al op korte termijn de belangrijkste bron van inkomsten wordt. Alles moet daarvoor wijken. De Garífuna's zullen daarvan het eerste slachtoffer worden, omdat ze wonen op de plekken waarop buitenlandse hotelketens en Hondurese zakentycoons azen: de Caribische noordkust.

De Garífuna's leven al tweehonderd jaar in afgelegen gemeenschappen op de Bounty-stranden van Noord-Honduras. Ze onderscheiden zich van de vijf miljoen mestiezen in Honduras door hun zwarte huidskleur en sterk op Afrika georiënteerde cultuur.

'De regering heeft zich nooit om ons bekommerd', jammert Leoncia Nuñez, een van de leidsters in Bajamar, een gemeenschap van 3500 Garífuna's. 'Toen de nachtmerrie Mitch hier 120 van de 210 huizen en de belangrijkste verbindingsbrug met de buitenwereld had weggespoeld, kregen we pas na vijf dagen een beetje hulp. Niet van de Hondurese autoriteiten, maar van de kustwacht van Belize die flessen drinkwater en medicijnen op het strand afzette.'

Nuñez ligt elke avond lang wakker, omdat ze net als de andere dorpsbewoners vreest het slachtoffer van het massatoerisme te worden. 'Wat moeten we beginnen tegen het grote geld van de buitenlanders? Wat gaat er met onze cultuur en onze gemeenschap gebeuren? Zullen we worden gedwongen te verhuizen? Wij hebben niet voldoende leiders die opgewassen zijn tegen currupte gemeentebestuurders en slimme zakenlieden met hun dollars. Honduras zal ons uitleveren. Wij zijn altijd vervolgd, gediscrimineerd, opgejaagd en gemarginaliseerd, net als onze voorouders.'

De Garífuna's staan bekend als de 'Zwarte Caribiërs'. Hun cultuur is een samensmelting van Afrikaanse, Europese en indiaanse elementen. Ze hebben een eigen taal, alcohol en keuken, en een sterke gemeenschapszin.

De oorsprong van de Garífuna's gaat terug naar het jaar 1000, toen groepen Arawaks uit Zuid-Amerika via de Orinoco naar het Caribisch gebied trokken. Daar vermengden ze zich met de Caribiërs en ontstond een nieuwe bevolkingsgroep die 'Eiland-Caribiërs' werd genoemd.

Toen Europese kolonisten hun Nieuwe Wereld hadden ontdekt, werd de biotoop van de Garífuna's overspoeld door slaven uit Afrika. Op twee eilandjes hielden de Eiland-Caribiërs stand: op Dominica en St. Vincent. Daarvandaan bleven ze Europese nederzettingen bestoken en vaak namen ze Afrikaanse slaven mee naar huis. Uit die samensmelting ontstond op den duur een nieuw volk. De Spanjaarden noemden hen 'Zwarte Caribiërs', in tegenstelling tot 'Rode Caribiërs'.

Tot diep in de achttiende eeuw leefden de Garífuna's in harmonie met de Franse kolonisten op St. Vincent. In 1796 namen Britse kolonisten St. Vincent in. Een jaar later kwam het bevel uit Londen de Garífuna's over te varen naar Roatán, een eiland voor de noordkust van Honduras. De Spanjaarden op het vasteland haalden hen vervolgens naar Honduras. In 36 gemeenschappen bij en op de stranden van de noordkust wonen ruim honderdduizend Garífuna's daar nog steeds.

Veel Garífuna-gezinnen houden zich op de been dankzij de dollars die hun familieleden in New York, Los Angeles, New Orleans, Chicago en Washington bij elkaar sprokkelen. Van de visvangst en het verbouwen van groenten kunnen ze nauwelijks leven. Hun oogsten zijn net toereikend voor de eigen voedselbehoefte.

Salvador Suazo, auteur van het boekje La Sociedad Garífuna, zelf Garífuna en partner van de Nederlandse medefinancieringsorganisatie Bilance, is somber gestemd over de toekomst van zijn volk. 'De Garífuna's zullen nooit weerstand kunnen bieden aan buitenlandse investeerders. Hun leiders zullen worden omgekocht. Uiteindelijk zullen ze van hun land worden verdreven.'

De gevolgen zullen volgens Suazo rampzalig zijn. 'Het wordt puur apartheidstoerisme met prostitutie, kapotte families en volledige afhankelijkheid van de Amerikaanse dollar. Als ze niet snel gekwalificeerde leiders krijgen die kunnen onderhandelen met de buitenlanders, zullen de Garífuna's een gemakkelijke prooi worden van directeuren van hotelketens.'

Travesía en Bajamar zijn langgerekte, moeilijk bereikbare gemeenschappen ten oosten van de havenstad Puerto Cortes. De schade die de orkaan Mitch vorig jaar november aanrichtte is nog overal zichtbaar. De brug naar Bajamar is weggeslagen. Zonder four wheel drive of boot is de gemeenschap niet te bezoeken.

De huizen die nog overeind staan, vertonen grote verschillen. De ene familie woont in een houten krot met een dak van plastic. Andere gezinnen die regelmatig geld uit het buitenland krijgen overgemaakt, wonen in kleine paleisjes met Griekse nepzuilen, twee tv's, een videorecorder en een auto in de carport.

De welstandsverschillen leiden niet tot sociale spanningen. Alle Garífuna's voelen zich lid van één grote familie. Niemand sluit zijn deur af. Diefstallen en overvallen komen er niet voor. Wie geld of eten over heeft, deelt dat met de buren. Wie krap bij kas zit kan altijd terecht bij een ander die toevallig net een cheque uit New York of New Orleans heeft gekregen. Bijna alle jongens en vaders werken in de Verenigde Staten.

De gemeenschappen worden gerund door vrouwen. Moeders en oma's tussen de veertig en zeventig leiden het patronato, de Garífuna-gemeenteraad. Daar worden de beslissingen genomen, voor zover de Garífuna's nog enige invloed hebben op hun eigen toekomst.

In de laadbak van de four wheel drive mijmert Leonardo Solís op de levensgevaarlijke terugweg naar Tegucigalpa: 'Zonder goede leiders sterft de Garífuna-cultuur uit.' Solís heeft twintig jaar in New York gewerkt en keerde onlangs naar Honduras terug, omdat zijn vrouw de kou en het jachtige leven in New York zat was. Hij zegt precies te weten waartoe het Amerikaanse kapitalisme in staat is. 'Zonder enige scrupules zullen de investeerders de Garífuna's wegkopen. Niemand zal het voor ons opnemen. Dat is al tweehonderd jaar zo, maar het einde is nu echt in zicht. No doubt about it.'

Meer over