ColumnSylvia Witteman

‘De bodem van die KLM-grachtenpandjes is poreus, waardoor de jenever in de loop van jaren verdampt’

null Beeld
Sylvia Witteman

Het was ochtend en nog schemerig. Onderweg van de bakker naar huis passeerde ik een winkel in serviesgoed. Omdat al onze borden beschadigd zijn (de kinderen ruimen met zo veel agressieve tegenzin de vaatwasser uit dat de scherven door de keuken vliegen), bleef ik staan voor de etalage en keek of ze borden hadden die ik zou willen kopen.

Dat bleek niet het geval. Alles was lomp van vorm en moerassig van kleur, als de onbeholpen creaties van pottenbakkende kruidenvrouwtjes uit mijn jeugd. Ik wilde al verder lopen toen er een man naast me kwam staan. Hij was een jaar of 60 en droeg geen jas, maar een dikke trui, een zogeheten ‘foute kersttrui’. U kent ze wel. Er staat een scheel rendier op met een lampje in zijn neus, of een dronken kerstman. Deze was hardgroen, met grote sneeuwvlokken.

Het dragen van zo’n trui geldt in bepaalde kringen als snaaks-ironisch vertier bij de kantoorkerstborrel, maar daar leek bij hem geen sprake van. De trui was vervilt en groezelig, alsof hij hem al maandenlang dag en nacht aanhad. Ook zijn haar was ruig, en zijn ogen keken tranend uit zijn verwoest gezicht.

De diagnose was gauw gesteld: tegenover die winkel in vaatwerk bevindt zich een ‘inloophuis’ waar daklozen tussen het zwerven door kunnen opwarmen met koffie of soep. Deze man had zich blijkbaar even van het peloton losgemaakt om een sjekkie te roken.

‘Dat lijken net van die huisjes die je in het vliegtuig krijgt, met jenever erin’, sprak de man schor. Hij wees in de etalage, waar een rijtje miniatuurgrachtenpandjes stond opgesteld, van aardewerk. Inderdaad leken ze op die Delfts blauwe huisjes van de KLM, waar wel degelijk jenever in zit, onder een met lak afgesloten kurkje. Je krijgt er één als je intercontinentaal businessclass vliegt. Een felbegeerd privilege, voor de happy few.

Ik vlieg nooit businessclass, maar ik ken een diplomaat die een hele stad van die huisjes bij elkaar heeft gespaard. Ik kan u daarom een gruwelijk geheim verklappen: de ongeglazuurde bodem van die huisjes is poreus, waardoor de jenever in de loop van jaren langzaam maar zeker verdampt.

‘Ik heb er een heleboel’, zei de man. Hij zag er niet uit als iemand die in zijn leven ooit jenever had laten verdampen. ‘Wat leuk’, zei ik. ‘Het zijn mooie huisjes’. Hij vertrok zijn mond tot een korstige glimlach, waarbij een bouwvallig gebit opdoemde. ‘Dat wil zeggen,’ ging hij voort, ‘ik had er een heleboel.’

En, met een handgebaar alsof hij een vogeltje losliet: ‘Maar ja, ’t liep anders’.

Meer over