De bittere vrolijkheid van Sevilla

Semana Santa, de week voor Pasen, is voor Sevilla wat het carnaval is voor Rio. Acht dagen lang is de stad in de greep van uitbundige processies waarin duizenden boetelingen met luguber aandoende puntmutsen meelopen....

DE geur van oranjebloesem hangt als een wolk parfum over de stad en verdrijft alle slechte luchtjes. De zoetigheid van de bloeiende sinaasappelbomen hoeft alleen te wedijveren met de wierookgeur die door alle kieren en naden naar buiten lijkt te walmen. De combinatie is een uniek aan plaats en tijd gebonden verschijnsel dat vrijwel elke Spanjaard met de ogen dicht herkent: dit is Sevilla en Pasen staat voor de deur. Pasen in Sevilla lijkt in niets op de van rouw doortrokken in zichzelf gekeerdheid waarmee Noord-Europa het lijden en de wederopstanding van Jezus gedenkt. Hier zwaaien op Palmzondag de deuren van kerken en kapellen open, de gelovigen ontfermen zich over de fraai uitgedoste beelden van Jezus en Maria, en dragen deze als ware volkshelden op de schouders door het stadscentrum. Acht dagen lang is Sevilla volledig in de greep van uitbundige processies waarin duizenden verklede boetelingen meelopen, geloofd, geprezen en toegezongen door laaiend enthousiaste mensenmassa's.

Het plein achter het stadhuis is volgebouwd met gigantische tribunes, slechts een smalle strook blijft open voor de processies. De tribuneplaatsen zijn al maanden van tevoren uitverkocht en wie een plaatsje langs de route wil veroveren zal een deel van zijn nachtrust moeten opofferen. Semana Santa, bepaald geen 'Stille' Week, is voor Sevilla wat het carnaval is voor Rio. The greatest show on earth, zoals de katholieke kerk door andersdenkenden wel is omgeschreven, brengt hier jaarlijks zijn omstuimigste straattheater te berde, een uitspatting die het midden houdt tussen devotie, volkstoneel en kermis.

Heel Spanje is in de ban van de Semana Santa. Geen dorp doet het nog zonder processies of passiespelen opgevoerd door de dorpelingen zelf. De beroemdste zijn die in Valladolid, Zamora, Salamanca en Cuenca, maar in dit landschap is Sevilla hors concours. De stad bulkt van de kerken en kapellen en de meeste straten hebben religieuze namen. Vanuit Sevilla werden de God van de blanken en diens Zoon geëxporteerd naar de Nieuwe Wereld en als beloning daarvoor kwam het goud van de indianen naar Sevilla, waarmee de bouw van de kerken werd gefinancierd.

Dat de volksreligie juist op deze plaats zo'n dubbel karakter kreeg heeft te maken met het feit dat Andalusië ondanks de rijkdom van haar hoofdstad altijd een achtergesteld gebied binnen Spanje bleef. De Semana Santa van Sevilla belichaamt, zoals een schrijver het uitdrukte, 'de bittere vrolijkheid van het Andalusische volk, eeuwenlang gewend te lachen terwijl het lijdt'.

Behalve naar oranjebloesem en wierook ruikt het ook, het moet gezegd, naar Franco. De basiliek van Macarena, onderkomen van de schutspatrones van de stad, is gebouwd op initiatief van generaal Queipo de Llano die als eerste zijn collega Franco bijsprong toen die Spanje in de burgeroorlog stortte en die vervolgens de repressie in Sevilla leidde. En zoals de dictator zich liet begraven in een speciaal voor hem in de rotsen van de Sierra de Guadarrama uitgehakte basiliek, zo verschafte Queipo de Llano zich een laatste rustplaats in een kerk. Voor wie het vergeten is, herinnert de grafsteen aan de datum die het vonnis over Spanje velde: 18 juli 1936.

In de kapel van de Jesús del Gran Poder, een van de meest aanbeden beelden van de stad, is het verleden eveneens aanwezig in de vorm van twee lijsten namen: een voor de 'gevallen broeders aan de oorlogsfronten' en een voor de 'broeders vermoord door de vijanden van God en Spanje'. Eronder: het jaar van de Heer en van de overwinning 1939.

In de decennia na deze overwinning en onder de almacht van Francisco Franco maakte de paascultus met zijn hermandades (broederschappen) een grote bloei door om zo tegen het einde van de jaren zestig diep in te zakken. De cultus werd vereenzelvigd met de Franco-dictatuur en de meest reactionaire vleugel van de kerk. Niet voor niets sprak men van 'de dictatuur van de zwartrokken' om aan te geven hoe sterk de invloed van de kerk op het bewind was. Weinigen voelden zich nog geroepen om zich in het gecompromitteerde verenigingsleven van de hermandades te storten.

Net toen de traditie voorgoed leek te bezwijken, voltrok zich een wonderbaarlijke herrijzenis. Voorzichtig begon een nieuwe toestroom van leden, die aanstekelijk werkte. Sinds het eind van de jaren tachtig melden opvallend veel jongeren zich bij de hermandades, en hedentendage menen politici van de conservatieve Partido Popular hun populariteit te vergroten door zich in het kostuum van hun broederschap te laten fotograferen.

Het is geen nieuwe religieuze explosie, maar een gevolg van de democratisering die zich met enige achterstand ook in de hermandades heeft voltrokken. In zijn slechtste dagen was het verschijnsel teruggebracht tot een uitdrukking van de plaatselijke machtsverhoudingen, de speeltuin van een paar families 'gedomineerd door de gerontocratie'. Nu zijn de deuren opgegooid en hebben de midden- en lagere klassen toegang gekregen. Veel van de cofradías, zoals de broederschappen ook genoemd worden, hebben zelfs kinderafdelingen. Vrijwel iedereen kan lid worden en in het toelatingsgesprek dat de kandidaat-broeder wel moet doorstaan, houden de leiders zich verre van de klassieke Inquisitie-methoden.

De Santa Genoveva, de hermandad van de wijk Tiro de Linea in Sevilla, telt 3200 broeders, van wie er 1700 in de processies als nazarenos (boetelingen) schuil onder een zwarte puntkap en een wit tuniek de straat opgaan. De Nuestro Padre Jesús de las Penas, aan de andere kant van de rivier in de Triana-wijk, doet het nog groter: 4500 broeders, 1900 nazarenos, dezen met een kap van paars fluweel. In de Semana Santa trekken nog 56 andere broederschappen in processie door Sevilla.

PARADES van duizenden onder puntkappen verborgen hoofden maken op de leek een wat lugubere indruk: die denkt al gauw aan een demonstratie van de racisten van de Amerikaanse Ku Klux Klan. De capirote heeft een weinig verheffende herkomst, is een bedenksel van de Spaanse Inquisitie om haar slachtoffers extra te vernederen. De broederschappen hebben de kap overgenomen als teken van nederigheid.

De processies krijgen door de verschillende tunieken en kappen van de boetelingen een veelkleurig karakter. Een deel van degenen die vrijwillig voor hun zonden opdraaien, sleept een eigen kruis mee door de straten van de stad. Een enkeling doet een stukje van het traject op de knieën, maar verdere zelfkastijding is uit den boze. Liefhebbers van dit schouwspel kunnen in sommige dorpen in het noorden van Spanje aan hun trekken komen.

Macarena. De halve wereld begint onmiddellijk het woord mee te blèren. Maar Macarena is niet alleen de titel van een smakeloos lied, het is ook de naam van een van de charmantste wijken van Sevilla. Hier is de zetel van de eerbiedwaardige 'Pontifica y Real Hermandad y Cofradía de Nazarenos de Nuestro Padre Jesús del Gran Poder y María Santísima del Mayor Dolor y Traspaso, gesticht in 1431, met als fundamentele doelen het eren van God en het bedrijven van liefdadigheid onder de behoeftigen van Sevilla'.

In de kapel staat hij dan: de Jezus van de Grote Macht, paars gewaad, kruis op de schouder. Het is een van de populairste beelden, dat in de nacht van Goede Vrijdag de tocht zal maken naar de grote kathedraal van Sevilla. De Jezus van de Grote Macht wordt ook voor heel vulgaire klusjes aangeroepen. Achter het altaar hangen de ex-voto's, met bovenop een ingevuld formulier van de voetbaltoto, waarop een ruige hand heeft geschreven: 'Help, Jezus, help me'.

In de hoek van de kapel wordt met man en macht gewerkt aan het optuigen van de paso, zeg maar de draagbaar. Een immens gevaarte met een ijzeren geraamte van een meter hoog en daarop een soort hemelbed met zilveren pilaren en een honderdtal zilveren kandelaars. Onder het geraamte nemen de dragers plaats. Vroeger waren dat professionals, stoere havenarbeiders die tegen een vergoeding de beelden door de stad sjouwden. Maar met het hernieuwde enthousiasme zijn zij overbodig: de jeugd vecht om een plek onder een van de draagbaren, wat neerkomt op uren lang half gebukt onder een zwaar gewicht lopen. De weken voor de Semana Santa zie je ze 's avonds oefenen om zonder kleerscheuren de bochten in de smalle straatjes van de binnenstad te nemen.

Een paar straten verder in de Macarena staat de basiliek met dezelfde naam, geschilderd in het klassieke oker van Sevilla. De kerk is het onderkomen van de grootste schat van Sevilla, de Virgen de la Esperanza Macarena, de Maagd van de Hoop Macarena, in de volksmond kortweg La Macarena. Het beeld uit de zeventiende eeuw staat, gehuld in een blauw gewaad, boven het altaar in een barokke waterval van goud en zilver, op een bed van witte anjers. In de kapel naast haar staat de Zoon, op een bed van rode anjers met voor hem een engel met een puntmuts.

Het hoogtepunt van de processieweek is wanneer deze twee in de nacht voor Goede Vrijdag in hun beste kleren worden gehesen en de kerk verlaten om op handen door de stad te worden gedragen. De ingetogenheid van het lijden, die dit verbeeldt, gaat gepaard met een ongewone zinnelijkheid, verwoord in de complimentjes van de dames langs de route: 'Ay qué guapa eres!' - Ach, wat ben je mooi! Of: 'Wat een plaatje is de Maagd van de Andalusiërs'. Haar tocht wordt begeleid door de kreten van de saeta, de mysterieuze variant van de flamenco-zang, geimproviseerde korte liederen die opwekken tot boetedoening.

De Macarena met de gebeeldhouwde tranen op de wangen is het beeldmerk van Sevilla, present tot op de geglazuurde tegeltjes in de privé-kapel van de stierenvechters in de arena van La Maestranza. Zij is van een behoorlijk kitsch-gehalte, een beetje in de stijl van het zigeunermeisje, maar geen Sevillaan die niet voor haar valt.

De massale boetedoening van Sevilla tijdens de Paasweek stemt niet overeen met het lokale kerkgedrag, zoals de socioloog Pedro Castón vorige week op de conferentie 'Volksgeloof en Sevilla' uiteenzette: 'Andalusië is een van de streken in Spanje waar men het minst de mis bezoekt. Maar de volksreligiositeit maakt de groep, de burger, tot hoofdpersoon tegenover de clerus, en dat beleeft hij met vijf zintuigen: de mensen ruiken de oranjebloesem en de wierook, luisteren naar marsmuziek en genieten van een visueel spektakel.'

Meer over