Dat waarover niet gesprokenkan worden

OP 27 MAART van het jaar 1329 veroordeelde paus Johannes XXII 28 stellingen van 'een zekere Eckhart, uit de Duitse landsdelen, doctor, zoals men zegt, van de Heilige Schrift en professor van de orde der Predikheren'....

De leer die Eckhart verkondigde was een mystieke: het werkelijke contact met God moest niet gezocht worden in de leerstellingen van de kerk, maar bevond zich buiten het gebied van het bewuste willen en weten. Het onthulde zich in een verborgen Woord, dat niet op de normale wijze gekend of uitgesproken kon worden.

Een dergelijke onttrekking aan het pauselijk gezag kon niet getolereerd worden. Hoewel de veroordeling pas werd uitgesproken na Eckharts dood, hebben de beschuldigingen zijn levenseinde ongetwijfeld verzwaard, een thema dat Simon Vestdijk in zijn roman Het proces van Meester Eckhart magistraal heeft uitgewerkt.

Het lot van Meester Eckhart is tekenend voor de marginale positie die de mystiek in de westerse geloofsgeschiedenis inneemt. Het zoeken naar een persoonlijk contact met God paste niet binnen de kerkelijke gebruiken en gebeurde daarom noodgedwongen in de marges van de religieuze tradities. Niet zelden zochten mystici hun toevlucht in de wijsbegeerte, maar ook daar moesten zij vaak aan de zijlijn staan. Het mystieke denken onttrok zich behalve aan de kerkelijke dogma's ook aan de wetten van de rede, hetgeen erkenning binnen de wijsbegeerte aanzienlijk bemoeilijkte.

In een reeks lezingen die werd georganiseerd door de faculteit der Wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, werd vorig jaar aandacht besteed aan deze verwaarloosde denkers. Het thema luidde officieel 'Spiritualiteit bij grote filosofen', waardoor ook denkers die sec niet tot de mystiek gerekend kunnen worden, toch een plaatsje konden krijgen. Ook de expertise die de faculteit in huis heeft, zal een rol hebben gespeeld, want een getrouwe afspiegeling van het spirituele denken biedt het onlangs uitgegeven Tussen de regels van de filosofie niet. Daarvoor ontbreken te veel grote namen, zoals die van Augustinus, Heidegger en Derrida.

Het is frappant dat ondanks de marginale positie die spiritualiteit en mystiek heten in te nemen in de wijsbegeerte, twee van de belangrijkste filosofen van de afgelopen eeuw een hang naar het onzegbare hadden. Martin Heidegger en Ludwig Wittgenstein probeerden in hun denken de grenzen van dat denken te overstijgen, al was het maar door vast te stellen dat het denken beperkingen kent. Wittgenstein meende dat de grenzen van 'mijn' taal de grenzen van 'mijn' wereld zijn, maar was ervan overtuigd dat er daarbuiten wel degelijk iets was. De beroemde slotzin van de Tractatus logico-philosophicus wijst op het onuitsprekelijke karakter daarvan: 'Van dat, waarover niet kan worden gesproken, moet men zwijgen.'

Het werk van Heidegger staat in de traditie van het zogenaamde existentialisme, een denkrichting die grote bekendheid kreeg door het publieke optreden van Jean-Paul Sartre. In feite is Sartre in hoge mate schatplichtig aan Heidegger, die zich op zijn beurt weer baseert op, onder meer, het gedachtegoed van de Franse Blaise Pascal. Net als Pascal benadrukt Heidegger het feit dat de mens het enige dier is dat weet dat het zal sterven en met die wetenschap zal moeten leren leven. Waar hij in zijn vroege werk nog netjes argumenteert wanneer hij zijn gedachten over het tragische lot van de mens uiteenzet, neigt hij in zijn latere teksten steeds sterker naar het mystieke - wat uiterst moeilijk te doorgronden taalgebruik oplevert.

Wittgenstein en Heidegger zijn in zekere zin uitzonderingen in de geschiedenis van de filosofie. Om een dergelijke verbinding te vinden van filosofie met spiritualiteit moet teruggegaan worden naar de klassieke oudheid, toen de stoïcijnen een sober leven predikten als enige weg naar gemoedsrust. In de tussenliggende periode - grofweg veertien eeuwen - verhinderden eerst het katholieke geloof en vervolgens, tijdens de Verlichting, het geloof in de macht van de rede dat persoonlijke spiritualiteit of mystieke ideeën serieus werden genomen.

Dat spiritualiteit in de westerse religieuze en wijsgerige traditie lange tijd in een kwade reuk heeft gestaan, verklaart wellicht de grote belangstelling voor de oosterse spirituele scholen. Tussen de regels van de filosofie laat zien dat het in onze eigen traditie evenmin aan spiritualiteit ontbreekt. In kort bestek worden negen filosofen besproken die hun steentje hebben bijgedragen aan een denken voorbij kerk en rede. Ook al zijn hun gedachten niet altijd eenvoudig te volgen - doordat ze boven de feiten en de logica proberen uit te stijgen -, de onverbrekelijke band die bij deze denkers bestaat tussen leven en werk maakt hen uitermate menselijk.

Meer over