'Dan zaten we op de trap, bang dat onze ouders elkaar iets aandeden'

Cornald Maas in gesprek met kinderen van gescheiden ouders. Dit keer Ingrid Wolff (45), integratieve kindertherapeut. Haar ouders gingen uit elkaar toen zij puber was, maar veel naars heeft ze er niet van ondervonden....

‘Een ongelooflijke puber was ik niet, toen ik 16 was en mijn ouders uit elkaar gingen. Ik was niet zo’n lastig type. Ik dronk en rookte niet, ik ging zelden uit. Druk was ik met hockey. Ik begon me te realiseren dat ik daar echt goed in was, een voorbode van mijn latere positie in het Nederlands Elftal. De hockeyclub HDM in Den Haag was mijn grote passie; die heeft mij mede gevormd. Het was ook mijn veilige haven in de roerige tijd nadat mijn ouders gescheiden waren. Zoals ook Marc dat was: mijn vriendje van toen, en nog steeds mijn man, met wie ik al achtentwintig jaar samen ben, en met wie ik inmiddels drie prachtige kinderen op de wereld heb gezet.

Dat mijn vader en moeder uit elkaar gingen verbaasde me niet. Te vaak hadden wij – mijn oudere zus, mijn twee jongere broertjes en ik – ruzies meegemaakt waarbij behoorlijk wat emoties vrijkwamen. Dan zaten we op de trap te wachten tot alles weer was overgewaaid, bang ook dat onze ouders elkaar toch iets zouden aandoen, wat gelukkig nooit gebeurd is. Dat ze uiteindelijk uit elkaar gingen heeft ongetwijfeld met karakterverschillen te maken gehad. Mijn vader was ondernemend, een harde werker, druk met van alles. Mijn moeder was rustiger en had als voornaamste ambitie het gezin bij elkaar te houden, als lieve zorgzame moederkloek. Maar er was ook een praktisch probleem: mijn vader was marineman, hij was vaak langere tijd weg, kwam dan weer thuis en begon zich opeens met de opvoeding te bemoeien. Dat moet voor mijn moeder weleens lastig zijn geweest.

Wij gingen met mijn moeder naar een huis een paar straten verderop. De scheiding verliep haast geruisloos, zonder hatelijkheden of ruzies over de inboedel. Mijn moeder mocht van mijn vader alle spullen meenemen die ze wilde, en zij heeft op haar beurt het ouderlijk huis nog zodanig ingericht dat mijn vader zich er thuis zou voelen. Hij bracht veel tijd in het buitenland door en kreeg een nieuwe vrouw met wie hij nu nog steeds samen is. Ook mijn moeder kreeg al vrij snel een nieuwe vriend. Hij kwam bij ons in huis wonen, en dat gaf soms gedoe. Ik weet nog goed dat ik een keer straf van hem kreeg: ik mocht niet meedoen aan een belangrijke hockeywedstrijd, en daarmee dupeerde hij indirect ook mijn team. Een ander zou misschien in opstand zijn gekomen, maar ik gehoorzaamde – zo braaf was ik kennelijk.

Ik redde me evengoed. Ik had Marc, en mijn hockey, en ik ben altijd wel zelfredzaam geweest. Voor mijn broertjes, een tweeling, lag dat anders. Zij misten hun vader, denk ik, en hadden moeite met het nieuwe gezag van mijn stiefvader. Zij misten ook de veilige basis die ik wel had. Op school ging het niet zo lekker met ze, ze kregen ook een beetje verkeerde vriendjes. Uiteindelijk gingen ze allebei voortijdig het huis uit, en hebben ze later keuzen gemaakt die ver af stonden van de opleiding en achtergrond van mijn vader: de een heeft nu een glazenwassersbedrijf en stopt veel energie in zijn gezin, de ander leeft meer van dag tot dag en werkt in Spanje in de bouw. Ik denk dat zij en mijn zus de scheiding van mijn ouders anders verwerkt hebben dan ik. We praten er eigenlijk nooit diepgaand over.

Ik koester geen rancunes, ik denk dat ik niet veel onder de scheiding heb geleden. Met mijn man ben ik gelukkig. Natuurlijk zijn er naast de ups ook wel eens downs, maar als er eens een keer een aanvaring is leg ik mijn kinderen uit dat binnen een relatie heus niet altijd de zon schijnt; een besef waarmee ze ook hun voordeel kunnen doen. Tegelijkertijd zijn Marc en ik, beiden kind van gescheiden ouders, ons bewust van de keuzen die we hebben gemaakt: voor elkaar, en voor onze kinderen die het beste verdienen. Daar past een soort van eeuwig bij. Het moet er wel heel rottig en ellendig aan toe gaan wil je de beslissing nemen om uit elkaar te gaan.

Mijn vader heeft later zijn uiterste best gedaan om er voor ons te zijn. Hij heeft zelfs nog een huis voor ons gekocht waar we konden wonen toen we net volwassen waren. Misschien had hij toch nog last van schuldgevoel, misschien wilde hij zo compenseren dat we een veilige basis hadden gemist. Hij is nu gelukkig met zijn vrouw en woont, sinds hij gepensioneerd is, de helft van het jaar in een huisje op een golfbaan in Amerika. Tegen hem kan ik open en eerlijk zijn. En tijdens Kerst en andere feestdagen is hij de spil van de familie, dan komt iedereen bij hem samen.

Met mijn moeder is het anders gelopen. Toen ik 19 was liep ze een hersenbeschadiging op die blijvende gevolgen heeft gehad: ze heeft reuma en artrose. Ze functioneert sindsdien minder zelfstandig, is minder fit, is niet langer de charmante vrolijke gastvrouw die ze ooit was. Haar karakter is door de ziekte ook een beetje veranderd, ze lijkt meer dan vroeger het leven van de donkere kant te bekijken. Dat is verdrietig, ja: van de liefdevolle moederkloek die erop uit was om het gezin bij elkaar te houden, is ze veranderd in een vrouw die met haar man ver weg in België woont en haar kinderen en kleinkinderen niet vaak ziet. Ze kan die drukte ook niet meer aan, ze zou er maar zenuwachtig van worden. Deze zomer werd ze 70, en toen lukte het voor één keer wel. Ik denk dat zij ervan genoten heeft. Maar ik weet niet zeker of ze het gedacht heeft: hé, ik heb ze allemaal weer bij elkaar – eindelijk.’

Meer over