InterviewSpookstudenten

Daan, Fenna en Erik deden alsof ze studeerden: ‘Je graaft je steeds dieper in’

null Beeld Lonneke van der Palen
Beeld Lonneke van der Palen

Ze doen alsof ze studeren, terwijl ze de uren aftellen in een park, in de bibliotheek of in de stad. Maanden-, soms wel jarenlang liegen ze tegen familie en vrienden, om maar niet te worden gezien als een mislukkeling. Drie (voormalige) spookstudenten vertellen hoe dat is. ‘Het vreet je op van binnen.’

Aan de rand van Ede, tussen een paar smalle plattelandsweggetjes in, staat een boerderij die dient als studentenhuis. Het grote pand wordt door zijn bewoners liefkozend ‘Underground’ genoemd door de afgelegen ligging en studentenkamers die deels onder de grond zitten. Halve raampjes zorgen voor daglicht. Daan (23) zit aan de grote tafel in de keuken. Op de vensterbank staan lege bierflesjes, een xxl-blik frituurvet, glazen potten met pasta en een plantje dat duidelijk zijn beste tijd heeft gehad. ‘Typisch een studentenhuis, hè’, zegt Daan. Gepaste trots in zijn stem. Hij moet zeggen: hij ís ook een typische student. Met huisgenoten, ambities, plannen, met een door corona steeds groter wordende heimwee naar huisfeestjes, en: een student met colleges, boeken, opdrachten. Een student met een studie.

Dat is niet altijd zo geweest. Zes jaar geleden begon Daan aan een studie sociaal pedagogische hulpverlening (SPH) aan de Christelijke Hogeschool Ede. 17 was-ie, zo jong nog, zegt hij er nu zelf over, en ‘iemand die zichzelf nog niet goed kende’. ‘Ik nam aan wat anderen zeiden. En op de middelbare school zeiden mensen: ‘Jij bent een sociale jongen, jij moet iets sociaals doen’. Nou. Ja. Toen kwam ik dus bij SPH uit.’

Daan bleef bij zijn ouders wonen en fietste elke dag op en neer van Bennekom naar Ede. Hij vond zijn klas leuk maar de studie ‘niet zo’, aan het eind van het jaar gingen zijn cijfers achteruit. Wat hij nog het ergste vond: hij was voor het eerst in zijn leven niet meer gemotiveerd. ‘De opleiding bestond vooral uit zelfreflectie, zelfreflectie, zelfreflectie. Dat kon ik nog helemaal niet aan.’ Daan belandde in een identiteitscrisis. Wie was hij nou? En als hij dit niet leuk vond, wat dan wel?

In het begin van zijn tweede jaar meldde hij zich met hakken-over-de-sloot-cijfers en lood in de schoenen bij zijn studieloopbaanbegeleider. ‘Ik kan zo niet verder’, zei Daan. Zijn begeleider reageerde begripvol, ging met Daan in gesprek en de conclusie was: Daan zou stoppen met zijn studie. Dus met dat idee stapte hij op de fiets en reed naar zijn ouderlijk huis. ‘Maar ik zei niets tegen mijn ouders. Ik zweeg, niet met het idee om te liegen, maar ik had zoiets van: ik hou het nog even voor me.’

Dat ‘even’ werd uiteindelijk twee maanden. Daan werd stiller, als mensen hem vroegen hoe het op school was, antwoordde hij zo nonchalant mogelijk met ‘o, goed hoor’. Hij bleef ’s ochtends de deur uitgaan, schooltas over de schouders, en aan het eind van de dag weer thuiskomen. In werkelijkheid zou die schooltas de hele dag niet opengaan. Af en toe ging hij naar de campus om een koffietje te drinken, YouTube af te struinen. Toen waren vlogs helemaal nieuw, er was genoeg te zien om er helemaal in te verdwijnen. Ook fietste hij rondjes door Bennekom op plekken waar zijn ouders niet zouden komen, hij wachtte er op een bankje, keek op zijn telefoon hoe laat het was en zei tegen zichzelf: oké, nog een uurtje, dan kan ik wel terug naar huis. Koud had hij het niet, hij is een warmbloedig persoon, en bovendien had hij daar ook geen tijd voor. ‘Ik was te druk met mezelf verplaatsen en hopen dat er ergens in de stad iets gebeurde om mezelf even mee bezig te houden.’ Een straatmuzikant, ofzo, een demonstratie. ‘Het klinkt zó treurig, zoals ik het nu vertel.’

Daan was wat in de volksmond ‘spookstudent’ wordt genoemd. De Van Dale kent het woord niet, maar het Algemeen Nederlands Woordenboek omschrijft het als een ‘student die slechts in schijn studeert’. Zo nu en dan duiken in de media verhalen op van (oud-)studenten, of nabestaanden van studenten, die door hun opeengestapelde leugens eraan onderdoor gingen. Het meest recente (en verdrietigste) voorbeeld is de 26-jarige Dianne Tonies, die zichzelf iets meer dan een jaar geleden van het leven beroofde. Dianne heeft de buitenwereld – haar vriend, familie, vrienden – zes jaar doen geloven dat ze geneeskunde studeerde. Ze stuurde foto’s van zichzelf in haar witte doktersjas en sprak vol enthousiasme over haar opleiding, waardoor iedereen dacht: ze is er heel druk mee. In werkelijkheid heeft ze de studie slechts één jaar gevolgd. Op de dag dat haar omgeving dacht dat Dianne haar eindscriptie zou inleveren, overleed ze. Diannes zus, Rachel Tonies, vroeg een paar maanden daarna in het Algemeen Dagblad en bij Jinek aandacht voor de Engelstalige benaming van het fenomeen, de pretend student. Ze vond dat mensen moesten weten dat dit gebeurde, en dat dit soort studenten hulp nodig hebben. ‘We missen haar zo’, zei Rachel over haar zus in het AD. ‘Hád ze maar iemand in vertrouwen genomen.’

‘Het is vaak, heel vaak, de schaamte die mensen tegenhoudt eerlijk te zijn’, zegt Romke Biagioni. Ze is studentendecaan aan de Universiteit Leiden en treft elk jaar wel een of meerdere studenten die vastzitten in dat spreekwoordelijke web vol leugens. ‘Ik doe dit werk al vijftien jaar’, zegt Biagioni, ‘en ik weet nog dat ik het voor het eerst meemaakte, een liegende student, en best wel schrok. Hoe naar moet het zijn dat je niet eerlijk kunt zijn over zoiets groots in je leven? Mijn al doorgewinterde collega’s waren er niet meer van onder de indruk, die zeiden: ‘Ja, god, dit komt zo vaak voor’.’ En toen was het nog niet eens coronatijd, voegt Biagioni eraan toe. ‘Misschien ontglippen ons er nu nog wel meer.’

Cijfers over hoeveel spookstudenten er jaarlijks zijn, zijn er niet. Het zijn vooral individuele gevallen die soms worden uitgelicht in de media. Biagioni: ‘Het is lastig iets te zeggen over hoe groot dit probleem is, want we weten niet hoeveel studenten erover blijven liegen. Bovendien varieert de ernst van de situatie en de duur van het schijnstuderen. Het hoeft natuurlijk ook niet meteen heel problematisch te zijn, als het liegen niet zo lang duurt.’

Geld is een van de grote redenen waarom studenten die al zijn afgehaakt, zich blijven voordoen als studerende, zegt Biagioni. Veel financiële zaken zijn immers gekoppeld aan student-zijn: als je niet meer staat ingeschreven bij een opleidingsinstituut, kun je fluiten naar je studielening. Je mag ook niet meer gratis met het ov reizen – vaak toch wel een flinke kostenpost voor jongeren die in de weekenden nog vaak naar het ouderlijk huis gaan in een uithoek van Nederland. Veel studentenhuizen in grote steden zijn bovendien in beheer van studentenhuisvesting, waar het een voorwaarde is om ingeschreven te staan als student om daar te mogen wonen.

Maar ook de status van student-zijn brengt veel. Denk aan studieclubjes, toegang tot het corps, de daarbij horende feestjes. ‘Ik denk dat het lastig is om géén student te zijn als je in de twintig bent’, zegt Biagioni, ‘want wat ben je dan wél? Studeren is niet alleen iets wat je doet, het is niet alleen een werkwoord, het is ook een fase in je leven. Of je nu mbo doet, hbo of universiteit: we gaan ervan uit dat je na de middelbare school doorstudeert. Het bepaalt op die leeftijd je identiteit. Je gaat van basisschoolleerling naar middelbare scholier naar student, en daarna word je trainee of starter in een vakgebied waarvoor je bent opgeleid.’

Zo zegt Daan dat hij nadat hij was gestopt met zijn studie, ‘rouwde om het verlies van een ideaalbeeld’. ‘Dat is toch wat leeft in onze maatschappij?’, zegt hij, vragend doch stellig. ‘Je gaat naar de drie grote scholen – basisschool, middelbare en een vervolgopleiding – en dan ga je werken.’ Hij is even stil. Er schuifelt een huisgenootje in joggingpak voorbij. Ze is op weg naar de waterkoker. ‘Lukt het met je opdracht?’, vraagt Daan. Het meisje knikt. Het knotje op haar hoofd knikt mee. Dan vervolgt hij: ‘Weet je wat het is? Niet studeren is geen optie. Er wordt altijd gevraagd aan jongeren die net hun diploma hebben: en, wat ga je studeren? Niet óf je gaat studeren. Zodra ik was gestopt met mijn studie, voldeed ik niet meer aan dat perfecte plaatje. En toen ik begon te liegen, was ik al helemáál niet meer perfect.’

Dat liegen begint niet met liegen, maar met zwijgen. En om het zwijgen in stand te houden, móét je op een gegeven moment liegen. Kleine leugentjes, steeds groter wordende leugentjes. ‘En dan zet je jezelf helemaal klem’, zegt Fenna (26), die twee jaar lang deed alsof ze studeerde – terwijl ze in werkelijkheid al was gestopt vanaf het moment dat ze vanuit Engeland terugverhuisde naar Nederland. ‘Aan de universiteit in Londen studeerde ik rechten’, vertelt ze met een enthousiaste stem – die liefde voor het vak is nog steeds hoorbaar. ‘Ik kreeg alleen maar A’s en B’s, het ging lekker. Maar de relatie waarin ik toen zat, ging niet lekker. Mijn vriend was agressief, op een gegeven moment dacht ik: ik kom alleen maar los van die jongen als ik terugga naar Nederland.’ Ze was echt voornemens – ‘echt echt echt’ – om in Nederland meteen weer de studie rechten op te pakken. Maar het ging niet. ‘Ik kon alleen maar huilen om mijn verbroken relatie, om mijn gestopte studie, om het ogenschijnlijk perfecte leventje dat ik eigenhandig om zeep had geholpen. Ik had geen studie nodig, maar hulp.’

Fenna kreeg thuis een stortvloed aan vragen over zich heen: hoe gaat het met de relatie, hoe gaat het met je studie, kun je in Nederland doorgaan met je opleiding? ‘Dat mijn relatie voorbij was vond ik al erg genoeg, dus over school begon ik te liegen. Ik zei dat ik mijn rechtenstudie in Nederland wilde afmaken omdat het in Engeland niet meer haalbaar was om huur te betalen. Ze slikten het. Waarom ook niet hè? Ik had nog nooit gelogen.’

Liegen vreet je op vanbinnen, zegt Fenna. Het is het naarste wat ze ooit heeft gedaan. ‘Je maakt misbruik van het vertrouwen van mensen die van je houden.’ En je wordt er, zo zegt ze met een cynisch ondertoontje, ook heel goed in. ‘Ik had me ingelezen in de studie waarvoor ik me nooit heb ingeschreven, ik koos een universiteit waar ik zogenaamd zou gaan studeren, ik heb zelfs boeken gekocht over familierecht, die ik dan openlegde op m’n bureau als een vriend bij mij kwam slapen. Soms maakte ik snel nog wat notities. En dan kon ik er tevreden naar kijken en denken: goh, net echt.’

Liegen kost tijd en bakken met energie. ‘Het voelde leeg om zoveel bezig te zijn met iets wat me niet verder zou helpen. Ik moest overal over nadenken. Als mijn vriend ’s ochtends wegging, liep ik met hem mee. Hij werkte in Breda, ik pakte dan zogenaamd de trein naar Tilburg. Zodra hij uit het zicht was, maakte ik rechtsomkeert. En in Den Bosch ging ik in de bibliotheek zitten om in de leerstof te duiken. Ik vind familierecht namelijk enorm interessant, dus ik vrat die stof. Had ik mooi op familieverjaardagen mijn woordje klaar als iemand me vroeg waar ik nu mee bezig was.’

Ze benutte haar dagen volop, ze is geen uitslaper. Ze liep veel hard, en als haar vriendinnen appten dat ze pauze hadden, antwoordde ze vaak met: ‘Toevallig, ik ook!’ ‘Dan spraken we af in een koffiezaakje en nam ik een studieboek mee. Dan kon ik dat lezen als ik op ze moest wachten.’ Toen haar eerste examens eraan kwamen, zat ze uren niet op haar telefoon – zodat iedereen ook echt dacht: die is niet bereikbaar, die maakt een examen. ‘Je graaft een steeds diepere kuil voor jezelf, terwijl je er tegelijkertijd uit wil klimmen.’

Studiefinanciering kreeg ze niet, al zei ze van wel: via vriendinnen wist ze precies wanneer het geld werd overmaakt, en ze had op de site opgezocht om wat voor bedragen het ongeveer ging. Ondertussen leefde ze van een Wajong-uitkering die ze kon aanvragen na gesprekken met en een diagnose van een psychiater. Haar ouders hadden overigens ook geen idee dat ze daarheen ging, dat het zo slecht met haar ging.

Fenna hield haar omgeving twee jaar lang voor dat ze studeerde. Het was niet omdat haar ouders nou zo streng waren, hoor, nee, dat zijn juist heel lieve mensen, ze komt uit een warm gezin waarin veel werd geaccepteerd. ‘Als ik bouwvakker wilde worden, was dat ook goed. Maar juist omdat ze zo lief waren, wilde ik niet dat ze zagen hoe hun dochter faalde. Ze waren trots op me. Die trots wil je als kind niet verpesten.’

‘Jongeren vinden het moeilijk om fouten te maken’, zegt Annelies Aquarius, studentenpsycholoog bij Tilburg University en voorzitter van de sectie Studentenpsychologen van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP). ‘Er heerst vaak het beeld dat ouders te veel verwachten, maar ik bemerk juist dat die vaak begripvol zijn, en dat studenten die druk vooral ervaren vanuit hun sociale omgeving en eigen perfectionisme. Daardoor stappen ze niet graag naar een decaan of een psycholoog met de boodschap: het lukt niet. Vaak komen ze met een heel ander probleem binnen.’

Zoals die jongen, laatst, die de ‘voortgang’ van zijn scriptie met Aquarius wilde bespreken. Maar: er wás helemaal geen voortgang, merkte Aquarius al snel. ‘Als je dan even doorvraagt, dan blijkt dat hij eigenlijk al heel lang niets meer doet.’ Volgens Aquarius is het moeilijk om een vriendelijke doch strenge vinger aan de pols te houden bij studenten die dreigen af te vallen. ‘Op een mbo-opleiding zijn ze vaak nog minderjarig, dan vallen ze nog onder leerplichtzaken en kun je mensen makkelijker oproepen als iets niet goed dreigt te gaan. Maar hbo-studenten en studenten op de universiteit zijn volwassen. Dat blijft voor docenten, decanen en psychologen een lastig spanningsveld. Ze hebben een bepaalde mate van zelfstandigheid en vrijheid, waardoor je niet meer meteen gaat bellen: ‘Je cijfers zijn niet goed’. Bovendien mogen wij vanwege de privacywet geen contact opnemen met de ouders, tenzij er een acute dreiging is van een crisissituatie.’

‘Je wordt in ons onderwijssysteem geacht om volwassen te zijn’, zegt decaan Biagioni. ‘Er is hulp voor studenten, maar je moet zélf aan de bel trekken. Dat is het uitgangspunt. Er zijn genoeg studenten die meer begeleiding nodig hebben, vooral in de eerste fase van hun studie. Die zijn hun middelbareschooltijd vlekkeloos doorgekomen, en nu zitten ze ineens in een studentenhuis dat aandacht vraagt terwijl ze zelfstandig flink wat uren moeten maken.’ Biagioni noemt het de keerzijde van het idee dat succes maakbaar is: niet durven toegeven als het niet lukt.

Daar komt bij dat de groei van het aantal studenten de afgelopen jaren fors is geweest, met een uitschieter in het vorige collegejaar vanwege de coronacrisis. Door het wegvallen van de centrale examens slaagden meer scholieren (op basis van schoolexamens) en door de beperkte reismogelijkheden kozen vermoedelijk minder geslaagden voor een tussenjaar. Het aantal ingeschreven studenten aan Nederlandse universiteiten steeg met ruim 4 procent tot meer dan 303 duizend – het hoogste aantal ooit. Ook hbo-opleidingen zagen een stijging van bijna 3 procent ten opzichte van het collegejaar daarvoor, tot ruim 113 duizend studenten. Eveneens een record. Biagioni: ‘Toen ik in 2005 begon zaten er 17 duizend studenten op de Universiteit Leiden, en nu 30 duizend. Daardoor is maatwerk moeilijker. Ik schrik soms als ik kijk hoeveel studenten één docent onder zich heeft. Collegezalen met honderd tot honderdvijftig jonge mensen in de banken zijn de afgelopen tien jaar steeds normaler geworden. Dan zie je het niet hoor, als iemand stelselmatig ontbreekt.’

En nu maakt Biagioni zich nog meer zorgen, nu langeafstandsonderwijs tijdens deze pandemie de norm is en er nog minder sociale controle en stokken achter de deur zijn. Uit onderzoek is bekend dat studiesucces gerelateerd is aan of studenten zich onderdeel voelen van de universiteit en van de sociale gemeenschap. Bovendien geeft momenteel één op de drie studenten zijn of haar leven een zware onvoldoende door de coronacrisis, zo bleek onlangs uit onderzoek van het Interstedelijk Studenten Overleg, de grootste overkoepelende studentenorganisatie van Nederland, onder ruim 7.500 studenten in Nederland. Ruim de helft van de respondenten gaf aan moeite te hebben met het volgen van thuisonderwijs. ‘Digitaal verdwijnen studenten makkelijker’, zegt Biagioni, ‘omdat er minder sociale controle is.’ Maar, zegt ze ook: ‘Het gebeurt ook gewoon in de massa van de collegezaal.’

null Beeld Lonneke van der Palen
Beeld Lonneke van der Palen

In die massa zat ook Erik (32) ooit, veertien jaar geleden. Hij kwam van de havo, ging naar Groningen naar het hbo om accountancy te studeren. ‘Mijn broers studeerden allebei, ik was de intelligentste van ons drie, dus mijn ouders hadden hoge verwachtingen. Ik had goede verhalen gehoord over studeren: lekker veel vrije tijd, top.’ Maar in het eerste jaar merkte Erik dat alles ‘te’ was voor hem. Te veel nieuwe mensen, te veel nieuwe stof, te veel nieuwe regels, te veel nieuwe plekken. ‘Ik was overrompeld. Anderen trokken snel naar elkaar toe in de klas, er ontstonden groepjes, ik klapte dicht en dacht: is dit nou dat mooie studentenleven waar iedereen het over had?’

De studie vond hij leuk, maar hij miste dagelijkse duwtjes in de rug. ‘Ik kreeg zoveel vrije tijd, er werd niet gecontroleerd of ik aanwezig was, ik moest veel zelf plannen.’

Erik ‘verzoop’, zo zegt hij zelf, terwijl hij het gevoel had dat hij iets moest waarmaken tegenover zijn ouders. ‘Ze zeiden altijd: ‘Als je maar dat papiertje haalt, dan ligt de wereld aan je voeten’.’ Na een kerstvakantie thuis zou Erik eigenlijk weer teruggaan naar school. Hij pakte de trein naar Groningen, maar sloeg niet linksaf naar de campus, maar rechtsaf, naar het centrum. En dat was – onbewust – het moment dat Erik stopte met zijn studie en begon met liegen. Hij vulde zijn dagen veelal op bankjes in het stadspark Noorderplantsoen. In het jaar dat hij ging studeren was net de Sony Ericsson W800 uit, een van de eerste telefoons waar ook een mp3-speler op zat. Erik luisterde er Italo Dance, een muziekgenre dat toen hip was. Gigi D’Agostino was zijn favoriet. Soms liep hij de stad in, een beetje winkels kijken. Zo vulde hij vanaf dat moment zijn dagen, drie maanden lang. ‘Soms ging ik ook naar andere steden, een dagje naar Eindhoven, naar Amsterdam, of ik zat achter mijn computer, ik speelde toen veel Counter Strike. Mijn ouders vroegen soms wel ‘hoef je niet te studeren?’, maar dan zei ik gewoon ‘nee’. Waar mijn ouders op de middelbare school nog zicht hadden op mijn rooster, was voor hen nu alles troebel.’

Bij vragen van ooms en tantes op familiefeestjes, leerde hij het gesprek over zijn studie zó om te draaien, dat het meteen over Groningen als studentenstad ging. Daar kon-ie wel wat over zeggen. Berichtjes van studiegenoten waar hij uithing kreeg hij wel maar negeerde hij – tot de vragen uitbleven. ‘Je wordt ook wel weer snel vergeten, het zijn vaak vluchtige vriendschappen die je daar sluit.’ Hij voelde zich schuldig tegenover zijn ouders over zijn leugens, ja, maar hij sloot zich er tegelijkertijd voor af. ‘Ik loog liever dan dat ik mijn ouders moest teleurstellen.’

Op een gegeven moment kreeg zijn moeder argwaan. Er kwamen brieven van de hogeschool binnen die Erik meteen van de deurmat griste. Daarin stond, zwart-op-wit: ‘Je hebt niet genoeg punten gehaald om een bindend studieadvies te krijgen, je moet de opleiding verlaten.’ ‘Mijn moeder stond erop om mijn cijferlijst te zien. Ik voelde me zwáár betrapt, want die had ik natuurlijk niet meer, ik was allang uitgeschreven. Ik dacht: nu moet ik het zeggen.’ Zijn ouders reageerden ‘zoals verwacht’ teleurgesteld. ‘Maar niet om die studie. Meer om het liegen. Dat het onder hun eigen neus in hun eigen huis is gebeurd. En dat ik hen niet in vertrouwen had genomen.’

Ook Fenna heeft uiteindelijk opgebiecht dat ze niet studeerde, op een moment dat ze ‘mentaal op knappen stond’. ‘Ik heb het eerst huilend aan mijn vriend verteld. Het was me ineens te veel, ik was op. En ik vond het veiliger om het eerst aan hem te vertellen.’ Vervolgens is ze samen met hem naar haar ouders gegaan.

Daan heeft het na iets minder dan twee maanden spookstuderen aan zijn ouders verteld. Omdat hij steeds ongelukkiger werd en voelde: dit gaat niet goed in mijn hoofd, ik heb hulp nodig. Dat was voor hem de reden dat hij op een middag thuiskwam van weer een rondje park en zei: ‘Pap, mam, ik moet jullie wat vertellen.’

Fenna en Daan kregen eenzelfde soort reactie van hun ouders. ‘Waarom heb je het niet gezégd?’ En: ‘Maar je wéét toch dat je alles tegen ons kan zeggen?’ Daans ouders vonden het vooral naar voor hemzelf dat hij hier zolang mee had rondgelopen. En Fenna vertelt: ‘Ik kon alleen maar huilen. En mijn vader en moeder ook. Daarna was de opluchting immens; alsof ik makkelijker kon ademhalen. Ineens had ik geen hoofdpijn meer, geen buikpijn. Al mijn fysieke klachten waren weg.’

Biagioni heeft op die manier ‘al heel vaak een grote last van schouders af zien vallen’. ‘Ik heb nog nooit een student gehad die zich na het opbiechten rotter voelde dan ervóór’, vertelt de decaan. ‘Er is altijd opluchting, meer ademruimte maar ook meer denkruimte: wat gaan we nu doen?’

Voor Fenna was dat: even geen studie, maar aan zichzelf werken. ‘Ik had al hulp, maar besefte door die leugens wel dat er meer met me aan de hand was dan dat ik ‘alleen even had gelogen om eigen bestwil’. Ik moest aan mijn zelfbeeld werken, en ik moest wat beter in mijn vel gaan zitten.’ En ze moest af van de schaamte. ‘Ik weet nu dat er veel studenten zijn die in hetzelfde schuitje zitten. Iedereen heeft een andere reden, niemand kiest ervoor om te gaan liegen. Het is zo angstig om jezelf in zo’n situatie te werken.’ Haar therapie hielp, ze woont nu samen met haar vriend, werkte voor de coronacrisis in een koffietentje en voelt aan alles: die studie familierecht, die gaat er komen. Misschien dit jaar, misschien volgend jaar. ‘Echt echt echt.’

Erik heeft geprobeerd om weer te studeren, maar nee: het bleek niets voor hem. ‘Het paste me gewoon niet, dat onderwijssysteem.’ Hij werkt nu bij een groot telecombedrijf, kan goed rondkomen, heeft een huis, kan sparen. Hij begon bij de klantenservice, doet nu backofficewerk, handelt klachten af en is een hulplijn voor collega’s. ‘Als je me vraagt of ik dat perfecte plaatje heb bereikt, dan moet ik zeggen: nee. Maar als je me vraagt of ik gelukkig ben, is het antwoord: ja.’

‘We moeten af van het idee dat je meteen na de middelbare school moet weten wat je wil voor de rest van je leven’, zegt Daan. ‘En dat je het allemaal in een bepaald tijdframe moet afmaken. Mij lukte dat niet.’ Pas toen Daan met lege handen stond, kon hij aan zichzelf werken. ‘Een psycholoog had inmiddels vastgesteld dat ik geen dipje had, maar een depressie. Toen het langzaam beter met me ging, had ik weer een beetje lucht om na te denken wat ik wilde.’ Het werd een opleiding journalistiek, Daan zit nu in zijn tweede jaar. En nu we het er toch over hebben: hij moet zo weer terug naar zijn kamer, zo’n vijftien vierkante meter, helemaal in de achterste gang van de ‘Underground’. Over een kwartiertje zullen de hoofden van zijn docent en studiegenootjes een voor een tevoorschijnkomen op zijn beeldscherm voor de les interviewtechniek – en Daan wil het niet missen.

De naam van Fenna is vanwege privacyredenen gefingeerd. De achternamen van Daan en Erik zijn bekend bij de redactie. De personen op de foto zijn modellen, niet de betrokken studenten.

Meer over