Chemokuur in kleur

Je ontdekt een knobbeltje, voelt pijn op een vreemde plek. De diagnose wordt gesteld: kanker. Striptekenaars die de onheilstijding zelf hebben gekregen, verbeelden uiteenlopend hoe het hen na de diagnose is vergaan....

Stel, je wordt onder het eten opgebeld door iemand die je een doorlopend krediet probeert aan te smeren. Mag je je kankergezwel gebruiken om zo iemand af te poeieren? Volgens patiënt en stripmaker Miriam Mengelberg wel: op http://miriamengelberg.com laat ze zien dat ziek zijn ook wel eens voordeel kan hebben. Als gezonde lezer reageer je met gemengde gevoelens op zo’n strip, want je voelt dat haar luchtige toon een persoonlijk drama probeert te verlichten. Al helemaal wanneer je leest dat de ziekte haar vorig jaar toch te grazen heeft genomen. Na haar dood zijn haar strips door Harper gebundeld uitgegeven als Cancer Made Me a Shallower Person: A Memoir in Comics en de flaptekst luidt: ‘Extremely honest.’ Ontzettend eerlijk. Er verschijnen de laatste tijd heel veel ontzettend eerlijke strips en ze zijn voor het merendeel afkomstig uit de Verenigde Staten, vanouds het mekka voor opgeklopt optimisme en bijbehorende zelfhulpliteratuur. Christina Clifford (borstkanker) maakte het moppenboek Not now, I’m having a no hair day, Fran Di Giacomo (baarmoederhalskanker) lacht zich de tranen in I’d Rather Do Chemo Than Clean Out the Garage: Choosing Laughter over Tears en Wende Heath (borstkanker) publiceerde de serie Cancer Comics – The Humor of the Tumor.

De kankerstrip heeft zich als genre gevestigd en doet goed werk, als je de verhalen moet geloven. Omgaan met een (hopelijk niet) terminale ziekte wordt een stuk makkelijker als je erom kunt lachen en recent Amerikaans onderzoek aan de Indiana State University School of Nursing levert aanwijzingen op dat de psychologische effecten van humor kunnen leiden tot een vermindering van pijn en stress – open deur – en een versterking van het immuunsysteem: een goeie mop zou zorgen voor een toename van het aantal natural killer cells. Ene dokter Paul E. McGhee heeft zich zelfs in de humortherapie gespecialiseerd en reist langs belangstellende instituten met The Laughter Remedy. Zijn leus luidt: je kunt niet bewijzen dat humor je jaren langer laat leven, maar wel dat je jaren er levendiger door worden.

Wie met eigen ogen en lachspieren wil ontdekken hoe zo’n kankerstrip werkt, kan nu gewoon naar de boekhandel stappen, want er is een vertaling verschenen van Cancer Vixen: a True Story van Marisa Acocella Marchetto. In Nederland heet het boek Chemogirl – Het waargebeurde verhaal over haar strijd tegen borstkanker en het gerucht gaat dat er een verfilming komt. Een tranentrekker in de trant van Love Story (waarin Ali McGraw sterft aan een niet bij naam genoemde vorm van kanker omdat er in 1970 nog een taboe op rustte) zal deze film niet worden, want Marchetto overleeft haar ziekte. In keiharde kleuren en lawaaiige teksten maakt ze de lezer deelgenoot van de inmiddels vertrouwde cyclus ontdekking-behandeling-opluchting en je moet erg je best doen om onder de adhd-saus een echt mens te ontdekken. Dat het toch een interessant boek is geworden komt door de rijkdom aan medische details. Marchetto laat zien wat het verschil is tussen een punctienaald en een biopsienaald, ze toont een energieschema voor ‘lichte chemo’, de mammografie komt aan bod en zelfs het pathologierapport wordt gedetailleerd weergegeven. En ze heeft ook ruimschoots aandacht voor de psychische effecten van de ziekte – hoe reageren collega’s, wat doet het met je liefdesleven, waar blijft je gevoel voor eigenwaarde? Hoeveel pijn een radioactieve tracer doet? Kijk op bladzijde 124.

Maar het zijn niet altijd vrouwen die hun eigen ziektegeschiedenis verbeelden, en het hoeft ook niet altijd vrolijk. Harvey Pekar had lymfekanker en schreef samen met zijn vrouw Joyce Brabner Our Cancer Year. Aangezien Pekar altijd met tekenaars samenwerkt, liet hij zijn gevecht tekenen door Frank Stack, die een donkere, stuurse stijl heeft. Niks sentimenteels aan en daarom heel toepasselijk, want Pekar vloekt en scheldt, gooit met huisraad, is ziek van angst, raakt verlamd van doodsangst. Tekenaar Stack heeft er schetsen van gemaakt, en foto’s. Soms vroeg hij Pekar om nog een keer dubbel te klappen van de pijn, zodat hij de ellendige toestand nog beter kon visualiseren. Our Cancer Year is dan ook geen boek dat je cadeau geeft aan iemand die worstelt met kwaadaardige cellen, daarvoor is het te zwart en te schrijnend, te ontzettend eerlijk, zou je haast zeggen. Maar aan buitenstaanders – de mensen die machteloos om het bed heen staan – kan het inzicht bieden in de helse toestand in hart en hoofd van de patiënt. Lees en leef mee, als je durft.

Die mensen rond het bed hebben trouwens hun eigen verhaal te vertellen. Brian Fies bijvoorbeeld, die de grafische roman Mom’s Cancer tekende en daarvoor bekroond werd met de belangrijkste Amerikaanse prijs voor webcomics. Van deze digitale strip bestaat inmiddels ook een papieren versie, maar voor de categorie ‘zieke moeders’ hoeven we niet de zee over. Onze eigen autobiografische tekenaar Gerrie Hondius verwerkte het verdriet over haar zieke moeder in een boek met de zeer Hollandse titel Pindakaas, waar al op bladzijde 6 sprake is van ‘gevorderd stadium’ en lymfeklieren. Het past helemaal niet bij haar’, denkt de dochter ongelovig, ‘ze is nooit ziek.’ Maar moeder is wel ziek, en op bladzijde 135 nemen we afscheid van haar, voorgoed, al zegt ze: ‘Hee joh, je ziet me nog wel terug, hoor! Doe je de groeten aan je vriend?’ Het is de verdienste van Hondius dat we tegen die tijd een dikke keel hebben van weggeslikt verdriet en een beetje van dat eigenwijze mens zijn gaan houden. Hondius tekent zoals ze schrijft, en ze schrijft zoals ze tekent, snel en persoonlijk, waardoor het soms lijkt of we in haar dagboek mogen gluren. Het voyeurisme van de lezer en het exhibitionisme van de auteur gaan hier hand in hand, maar het wordt nooit onsmakelijk. Want het grote verschil tussen medische reality tv en de ‘medische’ strip is de afwezigheid van expliciete, bloederige beelden. Een tekening is altijd mensenwerk en humaner dan een afstandelijke foto. En alle genoemde boeken, hoe hopeloos opgewekt ook, gaan over beleving: we kijken niet van buiten toe hoe een vreemdeling onder het mes gaat, maar we leven van binnenuit mee met andermans misère. Dat is een vorm van leedvermaak waar je een wijzer mens van wordt, want wie is er niet bang voor K?

Meer over