Burger staat buitenspel in terreurstrijd

De overheid bevordert met allerlei maatregelen de veiligheid van de burgers, maar de legitimatie daarvan schiet tekort, zegt Geert Munnichs....

De overheid heeft de afgelopen jaren een scala aan maatregelen genomen om over de veiligheid van haar burgers te waken. De invoering van het biometrisch paspoort, de verlengde bewaartermijn voor telecommunicatiegegevens en de aanscherping van de veiligheidsmaatregelen op Schiphol zijn enkele voorbeelden. Daarnaast zijn de bevoegdheden van opsporings- en veiligheidsdiensten om op te treden tegen misdaad en terreur sterk uitgebreid.

Om een duidelijker beeld te krijgen van de gevolgen van de maatregelen voor de burger, heeft het Rathenau Instituut onderzoek laten doen naar het geheel van die maatregelen. Dit onderzoek is uitgevoerd door Tilburg Institute for Law, Technology and Society.

Hieruit blijkt dat het voor politie, justitie en veiligheidsdiensten veel gemakkelijker is geworden het doen en laten van personen na te trekken. Door middel van cameratoezicht, het aftappen van telefoon-en e-mailverkeer, computeronderzoek, het gebruik van dna-profielen en het koppelen van bestanden met persoonsgegevens krijgen opsporingsdiensten haast onbeperkte toegang tot alle informatie die over burgers verkrijgbaar is.

Dit laatste is zeker het geval sinds de inwerkingtreding begin dit jaar van de Wet bevoegdheden vorderen gegevens. Op grond van deze wet kunnen opsporingsdiensten toegang eisen tot de databestanden van andere overheidsinstellingen en private partijen. Uiteenlopende organisaties als de Sociale Dienst, de Kamer van Koophandel of de Naturalisatie- en Immigratiedienst worden daarmee een verlengde arm van justitie – hoewel hun persoonsregisters nooit bedoeld zijn geweest voor opsporingsdoeleinden.

Deze ontwikkeling is des te zorgwekkender, omdat politie en justitie het vizier niet uitsluitend richten op personen tegen wie concrete verdenking bestaat. In toenemende mate worden ook de gangen van potentieel verdachte groepen nagetrokken. Databestanden worden geanalyseerd op basis van risicoprofielen, waardoor personen tegen wie geen enkele concrete verdenking bestaat op grond van louter statistische verbanden verdacht worden. Zo werd een voormalig scheikundeleraar die examenvraagstukken maakte voor Cito door de AIVD verdacht van betrokkenheid bij de verspreiding van massavernietigingswapens, omdat hij op internet zocht naar informatie over ‘zwaar water’ en ooit in dezelfde straat woonde als de Pakistaanse atoomspion Khan.

De Nederlandse privacywetgeving eist weliswaar dat de overheid burgers informeert over het gebruik van hun persoonsgegevens, maar daarvan kan worden afgeweken als dat het opsporingsbelang schaadt. Van deze uitzonderingsbepaling wordt tegenwoordig veelvuldig gebruik gemaakt. Personen naar wie onderzoek is verricht die toch onschuldig blijken, worden daarover in de regel niet ingelicht. Ook is de overheid uiterst terughoudend met het geven van informatie over het gebruik van opsporingsmethoden. Wel is duidelijk dat in Nederland telefoontaps op grote schaal worden gebruikt.

De veiligheidsmaatregelen hebben tot nog toe weinig maatschappelijke discussie opgeroepen. Verwonderlijk is dat niet. Burgers hebben immers nauwelijks weet van wat er allemaal gebeurt uit naam van hun veiligheid. Als ze al op de hoogte zijn van de maatregelen, ontbreekt het hun aan inzicht in de schaal waarop politie en justitie gebruikmaken van hun bevoegdheden. Over het risico dat ze lopen om onderwerp te worden van opsporingsonderzoek en wat er vervolgens gebeurt met over hen vergaarde gegevens, hebben ze al helemaal geen idee.

Het debat over de veiligheidsmaatregelen blijft beperkt tot een selecte kring van ingewijde beleidsmakers, terreurbestrijders en een enkele jurist. Zeker gezien de mogelijk drastische inbreuken op de privacy die met de maatregelen gepaard gaan, zou die discussie moeten worden verbreed. Dat vereist ook dat de overheid meer opening van zaken geeft.

De in dit verband veelgehoorde redenering dat meer openheid niet nodig is omdat burgers bereid zouden zijn privacy in te leveren voor meer veiligheid, gaat om twee redenen mank. In de eerste plaats is niet bekend hoe groot die bereidheid van burgers is. Om de simpele reden dat zij geen idee hebben van de mate waarin opsporings- en veiligheidsdiensten weten door te dringen in hun persoonlijke leven, kunnen ze niet eens weten wat ze daarvan moeten vinden.

Bovendien is het onduidelijk hoeveel baat burgers hebben bij de veiligheidsmaatregelen. Verhogen de getroffen maatregelen de veiligheid daadwerkelijk? Ook daarover is weinig bekend. Wel zijn hierover twijfels geuit, bijvoorbeeld over de fraudebestendigheid van het biometrisch paspoort, of over het nut van de jarenlange opslag van telecommunicatiegegevens.

De legitimatie van het huidige veiligheidsbeleid schiet dan ook tekort. We hebben te weinig inzicht in de effectiviteit van de veiligheidsmaatregelen en in de privacyaantasting die het gevolg is van die maatregelen. Over beide zaken moet de overheid meer duidelijkheid verschaffen. Alleen dan wordt een antwoord mogelijk op de vraag hoeveel privacy ‘wij’ als samenleving overhebben voor onze veiligheid. Die vraag behoeft maatschappelijk debat.

De neiging van de overheid dat debat af te houden, omdat dit het opsporingsbelang schaadt, veronderstelt een welhaast blind vertrouwen van de burger in de overheid. Dat lijkt wat veel gevraagd. Zowel de veiligheid als de privacy van burgers staat op het spel.

Meer over