Hoe besta je na?

Boris Dittrich en Winnie van Rossem gingen met elkaar in gesprek over de euthanasie van hun moeders

Boris Dittrich en Winnie van Rossem. Beeld Hilde Harshagen
Boris Dittrich en Winnie van Rossem.Beeld Hilde Harshagen

Wat te doen als je moeder euthanasie wil? Politicus Boris Dittrich en voormalig hoofdredacteur van Margriet Winnie van Rossem over het leven en levenseinde van vrouwen uit een vervlogen tijdperk.

Hoe besta je na?

Een dierbare sterft. En dan? In de onregelmatig verschijnende serie Hoe besta je na? spreken Frénk van der Linden en Pieter Webeling met mensen die een geliefde, kind, ouder of goede vriend(in) hebben verloren. Met welke herinneringen blijven we achter? Hoe rouwen we? Staat God ons bij? Is het mogelijk om een groot persoonlijk verlies betekenis te geven?

Als hij zijn verhaal vertelt, drie jaar na dato, lijkt hij het zelf nog altijd niet te kunnen geloven. Boris Dittrich was in de Tweede Kamer lange tijd D66-woordvoerder euthanasie. Namens zijn partij verkondigde hij een toen baanbrekend standpunt. Maar toen zijn moeder een zachte dood wenste, wilde hij daar eerst niet van weten. ‘Als politicus had ik altijd gestreden voor vrijwillige euthanasie’, zegt hij, ‘maar als zoon was ik met mijn tegenargumenten feitelijk nog strenger in de leer dan christelijke Kamerleden tijdens het euthanasiedebat.’ Hij zucht. ‘Dat werd een conflict, met mezelf én mijn moeder. Een ingewikkelde, beladen tijd.’

Winnie van Rossem luistert met zichtbare verwondering. ‘Ik had geen enkel probleem met de laatste wil van mijn moeder.’

Anno 2021 is Boris Dittrich (65) Eerste Kamerlid voor D66. Winnie van Rossem (78) was jarenlang hoofdredacteur van Margriet en is getrouwd met Maarten. Ze hebben elkaar nog nooit ontmoet, maar wisselen graag van gedachten over het verlies van de vrouwen door wie ze op de wereld werden gezet.

Boris: ‘Eén herinnering springt er voor mij uit. Mijn moeder was nogal sociaal, ook toen ze in de negentig was; ze praatte graag met mensen. In haar woon-zorgcentrum werkte een vrijwilliger die Jannie heette. Maar als je goed naar Jannie keek, viel het op dat ze handen als kolenschoppen had, en stoppeltjes op haar gezicht.’

‘Jan dus’, zegt Winnie met een lach.

Boris knikt. ‘Twee dames van rond de 100 zeiden tegen mijn moeder: ‘God heeft deze ‘Jannie’ een mannenlichaam gegeven en nu heeft hij dat omgebouwd! Weet je dat wel? Wij praten niet met hem.’ Waarop mijn moeder zei: ‘Als Jan Jannie wil zijn, is ze voor mij Jannie. Het gaat mij om wat zíj voelt. Ik doe niet aan discriminatie.’ Als die twee oude taarten in de ontvangstruimte zaten, ging mijn moeder expres in haar rolstoel naar Jannie om een praatje te maken. Ik was op dat moment nog een van de directeuren van Human Rights Watch, met als vakgebied lhbti-rechten. En nu werd mijn moeder op hoge leeftijd activist! Ik kreeg tranen in mijn ogen.’

‘Ik heb ook zo’n verhaal dat mijn moeder typeert’, zegt Winnie. ‘Mijn broer Henk was al dik in de twintig toen mijn moeder vroeg: ‘Wat denk jij, Winnie? Heeft hij ook vriendinnetjes?’ Vond ik heel schattig. Ik zei: ‘Jawel, maar ik denk dat-ie vriendjes leuker vindt, mam. Dat weet je toch wel?’

‘Het was 1970. Er kwam net op dat moment een Avenue uit met een groot verhaal over ouders en de omgang met homoseksualiteit. Dat nummer heb ik op de tafel gelegd: kijk maar, lees maar. Mijn vader wilde er niets van weten, mijn moeder wel. Ze las het artikel en zei: ‘Nu begrijp ik het beter.’ Ze was een bijzondere vrouw, eigenwijs, móói. En wat gebeurde er? De jongemannen rond Henk vonden haar zo leuk dat ze door iedereen werd uitgenodigd voor feestjes en etentjes enzo. Ze had er zo vier vriendjes bij!’

Als een leven een herinnering wordt, kan het een eigen leven gaan leiden. Ervaren Dittrich en Van Rossem het ook zo?

‘In mijn geval zeker’, zegt Boris Dittrich. ‘Na haar overlijden, nu bijna vier jaar geleden, dacht ik: wie wás mijn moeder nu eigenlijk? Want zo ruimdenkend was ze welbeschouwd niet. Mijn zus vertelde op haar 20ste dat ze een vriendin had. Nou, dat vonden mijn ouders een zwaar kruis om te dragen. Mijn moeder zei tegen mij: ‘Het is erger dat je dochter lesbisch is dan dat ze is overleden. Gelukkig hebben we jou nog, Boris, jij gaat ons kleinkinderen geven.’ Ik had toen nog een vriendin. Maar ja, op een dag wist ik toch echt wel dat ik homo was. Heel lang had ik gehoopt en zelfs gebeden hetero te zijn, of tenminste bi. Niet gelukt. Ik dacht: ik ga mijzelf niet langer verbergen, het is nu míjn tijd.

‘Op een zonnige augustusdag in 1982 ging ik naar mijn ouders om te vertellen dat ik homo was. Mijn moeder begon vreselijk te huilen. Ze pakte een kussentje van de bank dat ze de hele tijd tegen zich aanhield. ‘Hoe kán dit nou?’, vroeg ze. ‘Het was thuis altijd zo leuk. Wat hebben wij verkeerd gedaan?’ Mijn vader stond op en zei: ‘Jongen, je moeder en ik zijn als bomen waarvan de takken zijn afgerukt. Ga nu maar. Wij gaan nog zware tijden tegemoet.’

‘Toen ik terugliep naar de auto, keek ik om. Normaal gesproken zwaaiden mijn ouders altijd voor het raam. Nu schoof mijn vader alleen maar de gordijnen dicht, op een zomerdag. Een beeld dat ik nooit meer vergeet. ‘Trauma’ is een groot woord, maar ik krijg nu weer rillingen.

null Beeld Hilde Harshagen
Beeld Hilde Harshagen

‘Ik vond het treurig voor mijn ouders, ik had medelijden met ze; twéé kinderen die homo waren. Tegelijkertijd voelde ik me sterk. Ik was verliefd en vrij! Uiteindelijk is het goedgekomen. Mijn zus heeft twee kinderen, dus kleinkinderen en achterkleinkinderen kwamen er toch. Later vertelde mijn moeder dat ze mijn man, Jehoshua, als een tweede zoon zag. Ze had bepaalde denkbeelden die ze stukje bij beetje heeft losgelaten, en daar is iets nieuws voor in de plaats gekomen: een vrije, ruimdenkende, menselijke blik. Die koester ik. Zo is het verhaal van mijn pijnlijke coming-out overschreven door het Jannie-verhaal.’

Winnie: ‘Ik heb iets opgeschreven toen mam in haar kistje lag, alweer ruim twintig jaar geleden. Ik realiseerde me toen: mijn moeder heeft zo veel gegeven, aan liefde, aandacht, op onze kinderen passen als Maarten en ik moesten werken. Terwijl ze zelf dacht: geef ik wel genoeg? Als dochter van een steenrijk directielid van de SHV, de Steenkolen Handelsvereniging, trouwde ze met een man die niet wat je noemt ‘vermogend’ was. Op een gegeven moment moesten ze hun huis in Loosdrecht verkopen. Dat was moeilijk voor mijn moeder, maar ze nam mijn vader altijd in bescherming. Waar ze de kracht vandaan haalde? God mag het weten.’

In de jaren van Winnie’s hoofdredacteurschap bij Margriet (1981-1987) had het blad nog een lezersbereik van enkele miljoenen. Met vrij progressieve reportages, interviews en columns hield het de vinger aan de pols van turbulente maatschappelijke ontwikkelingen.

‘Mijn moeder las Margriet ook wel’, zegt ze, ‘maar als het over emancipatie of zoiets ging... daar had ze niet zoveel mee. Eigenlijk had ze dat al van nature: mensen zijn mensen, klaar.’

De ouders van Dittrich stonden minder vrij in het leven.

‘Ze waren allebei opgegroeid in een rooms-katholiek gezin, mijn vader in Tsjecho-Slowakije. Dus zat ik op zo’n school waar we op maandagochtend de catechismus moesten voordragen aan de pastoor. Elke zondag gingen we naar de kerk. Mijn opstandige periode begon vanaf mijn 12de. Ik hoefde niet langer naar de kerk en mijn ouders waren ook niet meer zo gelovig. Maar bij zaken van leven en dood voerde mijn vader toch weer God ten tonele.

‘Medio jaren tachtig kwam de euthanasiediscussie op gang. Er was nog geen wet die hulp bij zelfdoding mogelijk maakte, maar de jurisprudentie stond het onder voorwaarden toe. Mijn vader was daar mordicus op tegen: ‘God heeft jou het leven gegeven en God zal het leven weer nemen’, zei hij. Mijn moeder was juist een groot voorstander van euthanasie. Als je heel erg ziek bent met veel pijn, moet je dan per se wachten op de dood? Ik was het met haar eens. In vakmatige zin had ik daar toen ook mee te maken. In 1989 werd ik rechter bij de rechtbank van Alkmaar, waar Adelbert Josephus Jitta als hoofdofficier van justitie vrijspraak had geëist voor een huisarts die euthanasie had toegepast. Ik sprak daar vaak met hem over, hij was ook lid van D66. Het brak iets in mij open.’

Winnie: ‘De wil om vroegtijdig een einde te maken aan je leven was in mijn jonge jaren nog helemaal niet actueel. Daar werd bij ons thuis nooit over gesproken. Wel over zelfmoord, hè. Dat had je natuurlijk wel. Wij zeiden: alleen gekken springen voor de trein. Want ja, om zoiets te doen moet je wel gestoord wezen. Dat was dus geen euthanasie, een vredige dood, maar een rotdood.

‘Op latere leeftijd zag mijn moeder meer en meer onnodig lijden om zich heen; oude mensen die gewoon crepeerden. Mijn schoonmoeder, de moeder van Maarten, woonde toen in een verzorgingshuis. Daar had je het ‘sterflaantje’, een gang met aan één kant aparte kamertjes waarin niets meer dan een bed stond. Daar lagen dames of heren die drie keer per dag een paar druppels water kregen, en na veertien dagen waren ze dood. Dat vertelde ik aan mijn moeder. Nou, zo wilde ze absoluut niet gaan!’

Boris: ‘Zo rond 1998, 1999 had ik regelmatig overleg met Els Borst, toen D66-minister van Volksgezondheid, over het wetsvoorstel euthanasie. Zij zei: ‘Jij bent echt een jurist, heel rationeel, maar je zou eens bij het sterfbed van mensen moeten zitten om te horen hoe schrijnend de verhalen in de praktijk zijn.’ Ik liep vervolgens mee met een Scen-arts, een dokter die controleerde of de eigenlijke huisarts een correct euthanasie-advies had gegeven.

‘Ik herinner mij een meneer met een bepaald soort kanker waardoor de ontlasting zich ophoopte in zijn maag en door zijn slokdarm en mond naar buiten kwam. Hij kotste poep. Die Scen-arts vroeg mij: ‘En? Wat zou jij beslissen?’ Ik vond dat het euthanasieverzoek van die man meteen moest worden gehonoreerd, zodat de huisarts een einde aan zijn leven kon maken. ‘Nee hoor’, zei die Scen-arts. ‘Met medicatie kan de pijn worden verzacht, die man kan nog zeker twee maanden leven. Als het echt ondraaglijk wordt, kom ik terug.’’

Winnie: ‘Ik kwam een keer gezellig koffiedrinken bij mijn oude moeder. Zat ze huilend op haar bed. ‘Er is post, kijk maar.’ Het was een brief van de NVVE, de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie, waar zij lid van was. Die had eind jaren negentig, dus nog vóór de euthanasiewetgeving van 2001, een methode bedacht voor zelfdoding: een plastic zak met een touwtje. Mijn moeder zei: ‘Zou jij die over mijn hoofd willen doen, Winnie? Nee, grapje.’ En ze ging weer door met huilen. Dan denk je: jezus, moet het werkelijk zo?

null Beeld Hilde Harshagen
Beeld Hilde Harshagen

‘In die fase had mijn moeder al het gevoel dat het einde naderde. Elke ochtend was voor haar klote: naar de wc, nog een keer naar de wc, nog een keer... Ze was al twee keer in het ziekenhuis geweest voor onderzoek en scans. Uiteindelijk bleek ze een vuistvormig carcinoom in haar darmen te hebben. Ze wilde zich niet laten opereren, het hoefde voor haar niet meer. Ze was 91. Een arts in het ziekenhuis bleek bereid haar te helpen.’

Boris: ‘Ik geloof dat mijn moeder op haar 91ste nog fietste. Tot ze tegen een paaltje opreed. Heup gebroken, ziekenhuis, revalidatiekliniek, maar ze heeft nooit meer goed kunnen lopen. De laatste jaren van haar leven zat ze in een rolstoel. Mijn vader, ook al in de negentig, raakte door alle zorgen erg gespannen. Toen mijn moeder bijna uit de traplift was gevallen, kon ze niet langer thuis blijven. Veel woon-zorgcentra in de omgeving waren bezet, maar er was plaats in een streng christelijk tehuis. ‘Voor mij hoeft het allemaal niet meer’, zei mijn moeder toen al. ‘Het liefst ga ik slapen om niet meer wakker te worden.’

‘Het hoofd van de intakeafdeling van dat woon-zorgcentrum was een hele vriendelijke vrouw. Ze waren zevendedagsadventisten, zaterdag was voor hen de dag van de Heer. Terwijl mijn moeder katholiek-liberaal was... Bij het ondertekenen van de papieren zei ze: ‘Eén ding: ik ben erg voor euthanasie.’ Ik zag die mevrouw van de intake verbleken. ‘O, dat doen wij hier niet! Maar dat is toch helemaal niet aan de orde?’ Mijn moeder lachte wat en zei: ‘Daar praten we nog weleens over.’’

Ruim een jaar later nam ook de vader van Dittrich, emeritus hoogleraar Oost-Europese geschiedenis, zijn intrek in het christelijke woon-zorgcentrum. Hij was inmiddels geestelijk aan het aftakelen. Twee maanden later overleed hij.

‘Mijn vader kreeg een morfine-injectie tegen de pijn, maar in wezen was het euthanasie. Dat heeft hij niet meer geweten. Met mijn moeder ging het snel bergafwaarts. Ze zat nog steeds in een rolstoel, ze had allerlei lichamelijke kwalen, waaronder speekselklierkanker. Haar euthanasiewens werd steeds pregnanter. De huisarts die verbonden was aan het woon-zorgcentrum wilde aanvankelijk niet weten van euthanasie, maar hij schoof op van ‘nee’ naar ‘uw kinderen moeten het goedvinden’. Het kwam dus aan op mij en mijn zus.

‘En toen gebeurde er iets bijzonders. Twintig jaar eerder had ik me als Kamerlid van D66 sterk gemaakt voor een taboedoorbrekend wetsvoorstel euthanasie. Ik wist zelfs een amendement in de wettekst te krijgen waarin staat dat mensen een laatstewilverklaring moesten kunnen opstellen en dat die zwaar zou meewegen. Mijn zus is schouwarts, na euthanasiegevallen maakt zij een rapport op van een niet-natuurlijke dood dat naar een regionale toetsingscommissie wordt gestuurd. Zij kent de medische kant van euthanasie, ik de wetgevende kant.

‘Nu werd het persoonlijk: wat vonden wij van de euthanasie van onze moeder? Ik zag de man die poep kotste voor me en dacht: zo erg is het bij mijn mam niet. Die gedachte vond ik eigenlijk wel prettig, want als zoon wilde ik haar niet de dood injagen. Zo voelde het. En mijn zus had precies hetzelfde.

‘Wij zeiden nee, als kinderen. Ondanks de pertinente wens van onze moeder. ‘Je komt niet in aanmerking, mam.’ Ze werd kwaad, heel kwaad. ‘Ik vráág het jullie niet, ik wil gewoon dat jullie ja zeggen! Moet ik dan uit het raam springen? Is dat wat jullie willen?’ Het was bizar. Slapeloze nachten had ik ervan, hartritmestoornissen zelfs. Een klein jaar heeft het geduurd. Tot mijn zus en ik tot de slotsom kwamen dat we de wens van onze moeder niet langer konden negeren. Maar ja, wat zou het christelijk woon-zorgcentrum ervan vinden?’

Winnie: ‘Ik kon me juist helemaal vinden in de euthanasiewens van mijn moeder. Mijn broer en zus ook. Ze lag in bed met een infuus. Nou, wat doe je dan, op het moment suprême, als de dokter binnenkomt om het te doen? Je gaat op je moeder liggen. Je houdt haar vast, knuffelt haar. Glashelder was ze nog. Eerst kreeg ze een slaapmiddel. Het dodelijke spul zat in een ampulletje. Na de injectie zag ik mijn moeder nog steeds ademhalen. ‘Ze wil niet weg’, riep ik. ‘Jongens, we moeten een raam opendoen!’ Dat ging niet. ‘Doe de deur maar, dan gaat ze wel met de lift.’ Wij allemaal lachen. Toen ging ze. Het was mooi. Zo’n afscheid zit gewoon in onze familie. Hard zwemmen en je hoofd boven water houden, hè.’

Boris: ‘De huisarts en de Scen-arts keurden de euthanasie van mijn moeder goed, dat had ik niet verwacht. Op een donderdag in augustus ging het gebeuren. Die dinsdag vroeg een vriend: hoe gaat het? Ik zei: ‘Mwoh, overmorgen gaat mijn moeder dood.’ Je bevindt je in een raar vacuüm.

‘Op de dag zelf aten we een uur voor haar dood nog een ijsje in de tuin. Ineens kwam de directeur op ons af. Ik dacht: o nee, gaat zij er op het allerlaatste moment nog voor liggen? Ze zei: ‘Mevrouw Dittrich, ik kom even afscheidnemen. U bent zo dapper. U hebt mij de ogen geopend.’ Pas toen begreep ik dat mijn moeder ook met haar lange gesprekken over euthanasie had gevoerd. Die vrouw was diep geëmotioneerd.

‘Even voor vijven keek mijn moeder op haar horloge. ‘Het is bijna zover, we gaan naar boven.’ Ze nam echt de leiding, in haar rolstoel. Wij allemaal naar boven. Ze kreeg een pijnstiller en verdoving ingespoten, en daarna het middel waardoor je hart stopt. Ik hield de hand van mijn moeder vast. Ze was zo weg. Binnen een minuut.’

Winnie: ‘Nog één dingetje. De arts die mijn moeder hielp had een apothekerszakje bij zich. Ik dacht: wat staat er nou op dat etiket? Euthanasieset 4. Dat had te maken met het lichaamsgewicht en de kracht van de geest, zei hij, hoe sterk het middel moest zijn om effect te hebben. Bij ieder persoon is dat dus anders. Euthanasie is ook een ambacht.’

Hoe kijken ze om?

‘Bij Boris hoor ik veel pijn als het over de dood van zijn moeder gaat’, zegt Winnie. ‘Dat hadden wij helemaal niet. Eigenlijk waren we blij voor mama. Ik voelde geen pijn. Ook geen rouw. Ik ga nu iets heel lulligs zeggen: ik heb in korte tijd drie katten verloren, en daar heb ik meer om gejankt. Dat was geen keuze, begrijp je. Maar nog wat... Voor dit interview mailde mijn zus hoe zij het einde van onze moeder had beleefd. Haar verhaal las ik gisteravond. En toen... Voor het eerst heb ik tranen gelaten, jongens. Echt. Ik kan het niet verklaren.

‘Mijn moeder was een prachtig mens: rijk, vol liefde, open. We hadden het over de dood: zij wilde worden gecremeerd. Ik wilde haar begraven. ‘Jij je zin, Win’, zei ze. Maar ik veranderde van gedachten. ‘Nee mam, we gaan je toch lekker cremeren. En dan strooien we je as uit over de Loosdrechtse Plassen.’ Dat hebben we gedaan. In een motorbootje zijn we langs het oude huis gevaren, roosjes op het water gestrooid. Mijn broer Henk zat aan het roer. Ze hadden ons niet een leegstrooi-urn gegeven maar een slot-urn. Die moesten we helemaal openwrikken. Ik stond op het punt de as uit te strooien, zegt mijn zusje: ‘Ho, stop.’ Op een steiger stond een dame die net in het water wilde springen. Haha, bijna was ze bovengekomen met een snorretje van mam.’

null Beeld Hilde Harshagen
Beeld Hilde Harshagen

Dittrich: ‘Ik was wees. In anderhalf jaar tijd. Mijn hartritmestoornissen werden erger. Ik kon die geschiedenis met mijn moeder van me afschrijven in mijn laatste roman, Terug naar Tarvod. Dat werd een verhaal over vervagende grenzen tussen euthanasie, zelfmoord, hulp bij zelfdoding en de klaar-met-levenproblematiek. Haar dood emotioneert me nog steeds, maar ik heb er inmiddels vrede mee. Kijk, zij heeft uiteindelijk geaccepteerd dat haar zoon homo was. Ik heb uiteindelijk geaccepteerd hoe zij haar leven wilde leiden, en beëindigen.’

Winnie: ‘Ik ben een oud wijf van 78. Ik loop lastig. Drie keer ben ik al van de trap gedonderd. Tak-tak-tak naar beneden, weet je wel, en de laatste tree met je hoofd, knak, achterover. hersenschudding. Ik ben ook nog gestruikeld over een afstapje. Gebroken knie, zes weken in het gips, rondcrossen in een rolstoel. Ik vergeet de stomste dingen. Namen! Vrienden van mijn leeftijd zeggen: o, dat heb ik ook. Is dat zo? Misschien willen ze voor mij verbergen dat ik een beetje aan het wegebben ben. Is het verval al ingezet? Hoe lang zal het nog duren met mij?’

Boris: ‘Nu mijn ouders beiden zijn overleden, sta ík aan de rand van de afgrond, bij wijze van spreken. We moeten maar even zien wanneer die laatste stap komt, maar het besef van eindigheid werd wel versterkt toen mijn man Jehoshua twee jaar geleden melanoomkanker kreeg. Een oud-collega kreeg in dezelfde periode ook die diagnose en was binnen zes maanden dood. Jehoshua heeft geluk gehad: door immuuntherapie is hij wonder boven wonder kankervrij. Ik ben dankbaar. Dat is een nieuw gevoel voor mij, dankbaar. Voor het leven. Voor het goede leven.’

Meer over