InterviewBonnie St. Claire

Bonnie St. Claire kijkt terug zonder spijt: alles anders, alles beter

Als tienermeisje maakte ze naam in de muziekwereld. Als zeventiger en vele liters alcohol later maakt Bonnie St. Claire de rekening op in haar boek Kwam een vrouw bij de slijterij.

Bonnie St. Claire Beeld Judith Jockel
Bonnie St. ClaireBeeld Judith Jockel

Applaus en zelfs gejuich galmt door de Halstraat in Breda als Bonnie St. Claire met een grote lach arriveert bij de oudste ‘gay minded’ bar van Brabant, de Venise Bar (anno 1967). Het is zondagmiddag, de zangeres (71) is uitgenodigd om haar autobiografie te signeren, Kwam een vrouw bij de slijterij. Op het terras vloeit het bier rijkelijk.

De muziek staat hard en accentueert de omvang van haar oeuvre, een bonte verzameling merendeels Nederlandstalige klassiekers met een hoog meezinggehalte. Bonnie St. Claire zingt over de clown die zijn tranen moet drogen (Pierrot), over haar jeugd (Bonnie kom je buiten spelen), over eenzaamheid (Sla je arm om me heen), over hoop (Morgen wordt alles anders) en, samen met Ron Brandsteder, over haar geliefde met wie het slecht afloopt (Dokter Bernhard).

Zeg me, alleen de waarheid maar
Is hij, nu niet meer in gevaar
Dokter, ik ben zo bang.

Ze is hier de koningin. Bareigenaar Edwin van de Merwe heeft een troon met nepbont en kunstleer voor haar klaar laten zetten, uit bewondering. ‘Ik hou van Bonnie. Ik hou van de vrouw en ik hou van haar muziek, net zoals heel veel gays.’ Dat blijkt. Stamgasten en andere fans hebben cadeautjes voor haar meegenomen en laten oude elpees signeren. Van een oudere man krijgt ze een fles prosecco, ‘alcoholvrij hoor’.

Ze was al twee keer eerder in de Venise Bar, om op te treden, en ze is niet vergeten. Omroep Brabant en BN/De Stem zijn er vandaag ook bij. Tientallen mensen kopen een boek. Op haar troon neemt Bonnie St. Claire voor iedere fan uitgebreid de tijd.

‘Veel liefs, Bonnie’, schrijft ze in het exemplaar van de Volkskrant. Ze is blij dat ze weer eens onder de mensen is. ‘Het is net alsof ik heb opgetreden. Heerlijk, heerlijk. Dit is net als thuiskomen. En ik hoor de hele tijd mijn eigen muziek, ik hoef voorlopig niet te repeteren.’

Morgen wordt alles anders
Alles beter en alles nieuw

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Hotel Aalsmeer in Aalsmeer, weken later. Bonnie St. Claire woont om de hoek, ‘tegenover de achterkant van de Hema.’ Koffie, mineraalwater. ‘Ben je net zo’n schrijver als Henk van der Meyden van De Telegraaf?’

Eh nee, dat denk ik niet.

‘Henk verdeelde voor een interview een blaadje in zijn opschrijfboekje in hokjes. In elk hokje noteerde hij dan steeds wat steekwoorden, heel handig.’

Maar werd je dan wel precies geciteerd?

‘Nee, dat niet. Maar in die jaren maakte dat niet zo veel uit. De vragen gingen niet ver. Ben je verliefd? Ben je gelukkig? Zing je graag? Dat waren de vragen, daar bleef het bij. Er was geen diepgang. En het was niet gemeen. Dat was later wel anders. Toen werd het heel gemeen. Toen telde alleen de sensatie nog maar.’

Schipperskind Bonje Swart, roepnaam Bonnie, zit 55 jaar in het vak en schreef een boek over haar leven. Al 54 jaar heet ze Bonnie St. Claire, de krachtige naam die haar ontdekker en mentor Peter Koelewijn voor haar bedacht. Ze werd geboren op Rozenburg, het (voormalige) Zuid-Hollandse eiland waar het schip van haar vader toevallig lag, en groeide op in de Staatsliedenbuurt in Amsterdam.

In Kwam een vrouw bij de slijterij kijkt ze terug op een ‘leven vol ups en downs, een leven vol voor- en tegenspoed’. De toon is desondanks licht. ‘Mijn leven is nu op orde’, schrijft ze monter in het slothoofdstuk. ‘Ik ben gelukkig, ik tel mijn zegeningen en ben blij met alles wat ik nu heb. Het verleden kun je nooit wegpoetsen en omkijken met spijt is zonde van je tijd.’

Het boek drijft op drie pijlers: de muziek, haar alcoholisme en de daarmee samenhangende langdurige en verbeten klopjacht van de roddelpers. Ze wil afrekenen met haar imago, zegt ze, haar óúde imago welteverstaan. ‘Ik wil laten zien wie ik nu ben.’ Op 1 oktober 2018 stopte ze met drinken.

Geweldige titel.

‘Zelf verzonnen. Dat is mijn soort humor. Ik zat eerst aan iets zwaarders te denken, Zondagskind leek me een mooie titel. Want zo voel ik me, het is allemaal achter de rug. En het slaat ook op mijn carrière, ik heb veel geluk gehad in mijn leven. Maar zondagskind klinkt ook zo zoet hè. Kwam een vrouw bij de slijterij dekt de lading beter en ik maak meteen iets duidelijk.’

Behalve over je muzikale carrière schrijf je over je jarenlange drankgebruik, vreemdgaan, een abortus, de ruzies met je moeder, mannen die je bedriegen, verkeersongelukken met drank op en de huwelijksproblemen met je huidige man Anne-Jan.

‘Ik heb niet eens alles opgeschreven. Er zijn grenzen. De bedgeheimen heb ik overgeslagen. Ik hanteer een bepaalde ethiek.’

Hoe was de confrontatie met je eigen verleden?

‘Eng en soms pijnlijk. Maar dat moest dan maar, ik wil van mijn drankimago af. Ik wil dat iedereen weet dat er geen rode wijn meer in een glas zit als ik bessensap drink. En dat wilde ik zelf vertellen, in mijn eigen woorden. Ik laat het niet meer aan de bladen over. Het is eigenlijk een verkapt interview met mezelf. Het boek gaat ook over de muziek en over mijn jeugd.’

16 was ze pas toen ze, schoorvoetend en bij toeval, deel ging uitmaken van een trio, The Topsy’s. Solo had ze in 1970 haar eerste grote hit, I Won’t Stand Between Them. Twee jaar later werd ze de zangeres van de succesvolle Utrechtse band Unit Gloria, halverwege de jaren zeventig switchte ze naar Nederlandstalig repertoire.

‘Peter Koelewijn heeft mij in het begin van a tot z geregisseerd. Ik werd gepresenteerd als een sexy meisje, terwijl ik dat helemaal niet was. Tame Me Tiger, mijn eerste liedje, paste niet bij me, het waren nietszeggende kreten. Ik luisterde en ik deed wat er gezegd werd. Het zat tegen het onderdanige aan. Als Peter had voorgesteld om Hoeperdepoep zat op de stoep op te nemen, zou ik het ook hebben gedaan.

‘Dankzij Peter kwam ik terecht in een wereld die onbereikbaar leek. Ik kom uit een Amsterdams arbeidersmilieu, de wereld van de muziek en het amusement bestond niet voor ons. Bij ons in de buurt hingen de vrouwen uit het raam en werd op straat gezongen.’ Ze begint te zingen, in plat Amsterdams: ‘Koffie, koffie, lekker bakkie koffie.

‘Zo’n buurt was dat. Ik was er dol op. Dat was mijn milieu. Als ik Peter niet had ontmoet en niet in de muziek terecht was gekomen, was ik waarschijnlijk keurig met de buurjongen getrouwd en bij de kruidenier om de hoek gaan werken. Ik heb de mazzel dat ik op het juiste moment op de juiste plaats was.’

Het gezin, met drie broers en een zus, woonde op een bovenwoning in de Staatsliedenbuurt. Haar vader was een ‘echte Amsterdammer’ die graag zong. Weer zingend: ‘Aan de voooeet, van die ouwe Westerrrrr’.

Toen haar vader werd getroffen door een ernstige nieraandoening verviel het gezin in armoede. ‘Ik heb hem eigenlijk alleen maar ziek meegemaakt. Hij werd arbeidsongeschikt verklaard. We waren het armste gezin in de straat, maar hadden het netste huis. Zeep kost niks, zei mijn moeder altijd, niemand hoeft er vuil bij te lopen. Kleding kregen we van de bedeling, daar was geen geld voor.

‘Ik heb vaak gebotst met mijn moeder, maar ik heb haar ook altijd bewonderd. Ik kan de zaken scheiden. Ik vervloekte haar soms, maar ze had geen vijf, maar zes kinderen. Ze moest mijn vader naar het toilet brengen. Hij kon niet lopen, ze liep met hem te sjouwen. Als ik eraan denk, krijg ik weer tranen in mijn ogen.’

Gedronken werd er alleen op verjaardagsfeestjes. ‘Dáár heb ik het geleerd. Als kind dronk ik stiekem de restjes uit de glazen. Ik lustte het!’

Bonnie St. Claire vertelt het blijmoedig en zonder schaamte. Een paar dagen eerder was ze in Den Bosch een van de sprekers op de Dag van Herstel van LEF Magazine, een bijeenkomst voor ex-verslaafden.

‘Ik vertel op zulke bijeenkomsten altijd het verhaal dat ik gek ben op pannekoeken. Dan lachen de mensen natuurlijk. Maar, zeg ik dan, weet je wat nóg lekkerder is? Een pannekoek met een likeurtje erover. Zo ben ik ooit weer een keer begonnen. Het begint met een likeurtje over een pannekoek en de volgende dag neem je gezellig een wijntje bij het eten. En dan begint alles weer van voren af aan.’

Ze was jarenlang een ‘functionerende alcoholist’, zegt ze. ‘Maar ik hield mezelf niet voor de gek. Als je wakker wordt en het eerst altijd meteen aan drank denkt, ben je verslaafd.’

Wat dronk je?

‘Wijn. Maar er waren ook perioden dat ik sterke drank dronk. Geen whisky, dat vond ik niet lekker. Wel wodka. Of rum-cola. Ik heb alle sterke drank gehad. En als er niks anders was, dronk ik gewoon whisky.’

Het helpt waarschijnlijk niet dat in de muziekindustrie nogal wordt gedronken.

‘Nou! Ik ben verslavingsgevoelig. Gelukkig ben ik nooit aan de drugs gegaan. In de studio heb ik het vaak gezien hoor. Spiegel, lijntjes, wit poeder. Ik bleef er vanaf. Want wat zouden die drugs met me doen? Als ik dronk, had ik alles onder controle. Ik wist wat er ging gebeuren.’

Jouw mannen waren vaak ook stevige drinkers.

‘Mensen waren altijd graag in mijn gezelschap. Ik weet wel waarom. Ik was een goede bliksemafleider. Mensen met hetzelfde probleem konden mij mooi gebruiken. Ik werd ook altijd uitgenodigd op grote feesten. Ze wilden graag dat ik kwam.

‘Ik heb me vaak geschaamd. Ik ben opgevoed met normen en waarden, daar hoort ook schaamte bij. Ik had geen schijt aan de wereld. Schaamte is goed, die heeft me overeind gehouden.’

Heeft de drank jouw loopbaan schade berokkend?

‘Ja. Ik heb van mezelf iemand gemaakt die ik niet was. Dat vind ik zo stuitend. Waarom heb ik dat mezelf aangedaan? Ik had natuurlijk een bekend hoofd. Hee, kom er gezellig bij. En daar ging ik weer. Ik was dat niet. Ik was die vrouw niet. Ik werd steeds onzekerder, ook op het podium, en ik was overal bang voor. Alleen drank stelde me gerust. Dat was maar schijn natuurlijk, maar dat had ik niet door.

‘Als je verslaafd bent, is drank het enige dat je bezighoudt. Ik werkte wel gewoon hoor, maar op de automatische piloot. Ik raakte niet van het padje, ik ben nooit ladderzat van het podium gevallen. Ik was wel een keer behoorlijk aangeschoten, toen is het ook begonnen.’

Wat begon er toen?

‘Halverwege de jaren negentig had ik een optreden in Kaatsheuvel. Overdag werd ik gebeld door een verslaggever van het Algemeen Dagblad. Hij wilde me interviewen en zei dat hij naar het optreden zou komen. Ik zoek geen uitvluchten, maar ik had net een scheiding achter de rug en ik zat middenin een verhuizing.

‘Om mezelf op te peppen ging ik drinken. Onderweg moest ik overgeven. Toen ik op moest, was ik nog steeds boven mijn theewater. Ik stortte in. Is everybody happy, heb ik nog geroepen, het sloeg nergens op. Het AD schreef er een stukje over. Dat was nog niet eens zo naar. Ik moest eerder van het podium af, stond er, en waarschijnlijk was er drank in het spel.

‘Ik sliep mijn roes uit. De volgende dag was ik weer oké, maar naar aanleiding van het stuk in de krant werd ik de hele dag gebeld. Story, Weekend, Party, Privé, ik schrok. Ik kon niet vluchten. Ik had ze natuurlijk helemaal niet te woord moeten staan. Het was foute boel.

‘Een tijdje later verschenen al die bladen en overal stond ik pontificaal op de voorpagina. Bonnie aan de drank. Bonnie van het podium gehaald. Bonnie stort in. Ik zag ze in de supermarkt liggen, terwijl ik broodje nuchter was. Met opgeheven hoofd ben ik door de supermarkt gelopen, ik woonde toen in Zwaag. in Noord-Holland. Ik wilde me niet laten kennen, maar thuis ben ik in een hoek op de grond gezakt. Vanaf dat moment hield het niet meer op.’

Je begon paranoia te worden van de ‘ongepaste maar vooral ongewilde aandacht van de media’, schrijf je in het boek.

‘Er werd sensatie gecreëerd ten koste van mij. Het ging veel te ver.’

Je noemt jezelf ook een gemakkelijk slachtoffer.

‘Ik ben vriendelijk, dat in de eerste plaats. En ik ben goedgelovig. Ik ben geen berekenend type, als ik dat was geweest was ik wel een rijke kerel getrouwd. Ik ben totaal niet materialistisch, ik ben een eenvoudig meisje uit de Van Hogendorpstraat uit de Staatsliedenbuurt in Amsterdam. En dat ben ik altijd gebleven.

‘Daarom was het extra gemeen. Ik ben geen naar persoon die dit soort dingen uitlokt. Het was meedogenloos. Zo zou ik nooit met iemand om kunnen gaan.’

Fotografen stonden te wachten totdat je flessen in de glasbak zou gaan gooien.

‘Op dat soort momenten ben ik gepakt. Het overkwam me ook omdat ik niet helder was. Ik had niet eens in de gaten dat ze probeerden me kapot te maken. Het zal wel, dacht ik. Maar toen ik las dat ik niet meer wilde leven...’

Uitgebreid staat ze in het boek stil bij de twee meest pregnante voorbeelden van de klopjacht van de roddelpers: bladen die op de voorpagina bulderen dat ze ‘Oud, versleten en verslaafd’ is of, zoals in 2011, melden dat ze ‘zwaar depressief’ is en niet meer wil leven.

‘Dezelfde journalist belde naar mijn huisarts om te zeggen dat hij bij me langs moest gaan omdat ik heel ziek zou zijn. Het was zo gemeen. En was gewoon niet waar. De woorden waren me in de mond gelegd. Soms zie ik het niet meer zitten, had ik gezegd. Dat werd: ik wil niet meer leven.’

Waarom noem je zijn naam niet in het boek?

‘Ik heb van niemand de naam genoemd, alleen van Hummie van der Tonnekreek van Weekend. Omdat zij er oprecht spijt van had en excuses aanbood.’

Je bent niet rancuneus.

‘Nee. Dat is zo zinloos. Dat zit in de hoek van de jaloezie en dat vind ik zo ongeveer de slechtste eigenschap die er bestaat.’

Op 1 oktober 2018 kreeg Bonnie St. Claire onverwacht bezoek van haar huisarts. Op tafel in Aalsmeer stond een glas jus d’orange, vermengd met witte wijn.

‘Dat had hij meteen in de gaten. Ik was niet aangeschoten, hij wist het gewoon. Hij zei dat ik moest stoppen, mijn gezondheid liep gevaar. Ik was steeds vaker misselijk en ik zag dingen die er niet waren. Anne-Jan was naar zijn werk en op een gegeven moment hoorde ik hem in de gang. Hij was aan het praten met de buurman, heel lang. Toen ik de deur opendeed was er niemand, ik had het me ingebeeld.

‘Ik dien mijn tijd wel uit, had ik altijd gedacht, ik heb goeie genen, mij overkomt niks. Maar toen de dokter vertrok wist ik het zeker. Ik gooide mijn glas leeg en zei tegen Anne-Jan dat het afgelopen was.

‘Ik werd direct beloond. Al na een paar dagen had ik ’s ochtends trek in koffie, in plaats van in witte wijn. Binnen een paar weken werd mijn gezicht smaller, ik ben zeven kilo afgevallen. En ik heb mijn rijbewijs weer aangevraagd. Ik begon te eten als een bouwvakker. Anne-Jan wist niet wat hij zag, ik at hem bijna onder de tafel.’

Ze is terug, ook op het podium. De zalen zijn weer open, Bonnie St. Claire treedt weer op. ‘Heerlijk! Ik doe niets liever, dit is wat ik wil. Ik treed al op sinds mijn 16de en ik verlang er nog steeds naar.’

Waarom?

‘Vanwege de erkenning. Het is het bewijs dat ik iets kan.’

null Beeld

Bonnie St. Claire: Kwam een vrouw bij de slijterij. Talent Agency; 204 pagina’s; € 22,50.

Meer over