Blinde liefde voor Sartre

In Le Siécle de Sarte eist Bernard-Henry Lévy een rechtvaardige plaats op voor Sartre. Sleutelargument: Sartre's houding in de oorlog....

IN EEN behartigenswaardig opstel, dat 'Über die Universitätsphilosophie' heet en is opgenomen in de eerste bundel van zijn Parerga und Paralipomena, heeft Arthur Schopenhauer uit de doeken gedaan wat er mis gaat als je van de filosofie een zuivere en uitsluitend academische discipline maakt. Het is, anderhalve eeuw nadat het gepubliceerd werd, nog altijd een onderhoudend stuk. Dat komt niet alleen doordat het kraakhelder geschreven is. Wie de filosofische faculteiten van de tegenwoordige universiteit kent - de 'centrale interfaculteiten' werden ze in de machteloze dieventaal van de jaren zeventig genoemd - schiet bladzijde na bladzijde in de lach, doordat hij veel types en toestanden in Schopenhauers beschouwing herkent.

Schopenhauer portretteert een pandemonium van driftig met elkaar bekvechtende en in wezenloze haarkloverijen verwikkelde pluizenbollen en stofkoppen. Ze springen als langbenige cycaden heen en weer en lijken nijver, maar ze zijn ondertussen voornamelijk in de weer met het zingen van steeds hetzelfde oude liedje. Het zijn puzzelaars en sleutelaars, bedreven in het splijten en weer lijmen van door anderen aangedragen begrippen, ideeën en inzichten. Schopenhauers universiteitsfilosofen en hun opvolgers blinken niet uit in oorspronkelijkheid. Het is hun niet zozeer begonnen om de waarheid en de wereld, maar om parmantige praatjes. Die hebben, als je er even over nadenkt, niet zoveel om het lijf. Waar het in de filosofie werkelijk om zou moeten gaan, blijft buiten hun beschouwingen - tot er weer eens iemand opstaat met een nieuw idee, een nieuwe visie, iemand met zowel hersenen als lef.

Het is een oude verzuchting: niet voor niets ontleende Schopenhauer het motto voor zijn bespiegeling aan Plato, die het in dat citaat ook al nukkig heeft over echte en onechte filosofie. Het is bovendien een verzuchting die tot op de huidige dag met een zekere regelmaat wordt geslaakt. In de inleiding op een van de belangrijkste boeken van een eigentijdse filosoof, de Amerikaan Hilary Putnam, werd de kwestie tien jaar geleden nog eens tegen het licht gehouden in de termen die Immanuel Kant er in de achttiende eeuw voor muntte: het Schulbegriff van de filosofie versus het Weltbegriff. De eerste opvatting erkent slechts verplichtingen aan een academische discipline, compleet met bindende regels en riten, en verwordt gemakkelijk tot een ingewikkelde vorm van esoterie; de tweede bekommert zich ook om de wereld.

Hoe indrukwekkend en vooral intimiderend bepaalde specialisaties van de academische wijsbegeerte gaandeweg de twintigste eeuw ook geworden zijn, het heimwee naar een filosofie die herkenbare vragen op een verhelderende manier aan de orde stelt is altijd gebleven. Alle takken van wetenschap hebben zich in toenemende mate gespecialiseerd en daarmee ook afgesloten voor het lekenbegrip en in dat verband hoeft de filosofie geen uitzondering te zijn. Maar doordat zij zich als arbeidsterrein ons kennen, moeten, mogen en willen had toegeëigend, en we de vragen die die modaliteiten van onze geest en ons leven oproepen steevast onder ogen zien, is het verlangen gebleven van filosofen zo niet hét antwoord op die verwarrende vragen te krijgen, dan toch op zijn minst een begrijpelijk antwoord.

Maar dat verlangen blijft onbeantwoord. Terwijl de publieke belangstelling voor de vruchten van de filosofie zienderogen toeneemt - de populariteit van het Filosofie Magazine en de opmars van filosofische onderwerpen in krantenkaternen illustreren dat - houdt de academische wijsbegeerte met behulp van een ondoorzichtig lexicon en omslachtige redeneringen de veste gesloten. Wie de moeite zou doen haar te bestormen om er opwindende wijsheid te zoeken, zou er veelal slechts dulle wetenschap vinden; en zelfs het begrip 'wetenschap' dient dan met een korreltje zout te worden genomen, want vaak gaat het slechts om manieren van praten, om een nieuwe versie van dat oude liedje waar Schopenhauer het al over had.

Het moet vanuit dat onbestemde en zelden scherp gearticuleerde verlangen naar een tot de verbeelding sprekende filosofie zijn dat zo nu en dan een filosoof en zijn opvattingen met onbesuisde hartstocht worden omhelsd door een veel breder gehoor dan dat van zijn collega's. Soms is het de bijna magische persoonlijkheid van zo'n filosoof die het hem doet, soms de bezwerende kracht van zijn filosofie; soms gaat het om de verleidelijkheid van diens opvattingen, soms om de aantrekkingskracht van zijn optreden - en veel vaker nog komt het door een amalgaam van al die aspecten. In de twintigste-eeuwse filosofie zijn het vooral Bertrand Russell, Ludwig Wittgenstein, Martin Heidegger en Jean-Paul Sartre geweest die ook buiten de kring van de Diplomphilosophen gehoor hebben gevonden.

Dat heeft tot veel narigheid geleid: rare indelingen van scripties, proefschriften en artikelen bij al diegenen die zonder er veel van te snappen Wittgensteins Tractatus waren gaan doorbladeren, krankzinnige vragen over particuliere zorgen aan Russell (zie zijn correspondentie), duister gezwatel bij wie zich ongewapend op Heidegger stortte en, ten slotte, slechte longen, zere ogen, emotionele verwarring en gevaarlijke politieke sympathieën voor wie aan Sartre's leiband ging lopen.

Desalniettemin blijven het heimwee en het verlangen naar filosofen die hun vak anders opvatten dan als louter academische betrekking, begrijpelijk en honorabel. In het licht van dat verlangen moet het tumult verstaan worden dat sinds een maand op de boekbesprekers- en opiniepagina's van enkele Franse kranten woedt. Dat kabaal, dat zowel bestaat uit bezwaren als uit bijval en opluchting, betreft het boek dat Sar tre's laatste leerling, de aan het Weltbegriff van de filosofie verknochte Bernard-Henry Lévy, eind januari over zijn meester publiceerde, Le Siècle de Sartre.

In Nederland wordt, zie de bestsellerlijsten, de twintigste eeuw gezien als die van Geert Maks vader - een inzicht dat hier als zo verhelderend wordt ervaren dat het de schepper ervan prompt een professoraat opleverde. Het Amerikaanse weekblad Time bestempelde, eind vorig jaar, de twintigste eeuw als die van Einstein, maar in Frankrijk waagt iemand het die eeuw naar Sartre te vernoemen.

En dat staat voor iets - en dat 'iets' is beduidend meer dan de persoon van die weirdly unattractive bespectacled wide-eyed dwarf, zoals Sartre ooit door een ontgoochelde Britse verslaggever werd gekarakteriseerd, en het is zelfs meer dan zijn verzamelde filosofische, journalistieke en literaire werk. 'Sartre' is in Le Siècle de Sartre eerder een houding en een stijl dan een man en zijn werk.

Juist doordat de geëngageerde Sartre een aantal keren in zijn leven zulke spectaculaire verkeerde keuzes maakte - hij werd op zijn oude dag nog eens maoïst - en het openlijk en beslist maken van maatschappelijke en politieke keuzes, door wie dan ook, in de laatste twee decennia van de twintigste eeuw ernstig in diskrediet is geraakt, is Lévy's hartstochtelijke en liefdevolle pleitrede voor Sartre en datgene waarvoor hij stond, voor commentatoren en critici nu de kop van jut.

Het ís ook een merkwaardig boek, nog afgezien van het pleidooi dat het behelst en de soms blinde liefde van waaruit het tot stand moet zijn gekomen. Dat komt vooral door de tamelijk hysterische stijl waarin het geschreven is - een aanpak, overigens, die niet ongebruikelijk is onder Franse essayisten. Wie gedemonstreerd wil krijgen wat een retorische vraag is of een intellectueel schijngevecht, kan Lévy's boek op iedere willekeurige bladzijde openslaan en krijgt dan meteen antwoord, een kleine zevenhonderd bladzijden lang. Dat maakt zelfs de oprechte poging te begrijpen wat BHL - Lenin beschouwde intellectuelen als nuttige idioten, in de Angelsaksische wereld worden ze als lastige idioten gezien, bij ons gelden ze als idioot en nog onrendabel ook, maar in Frankrijk willen ze nog wel eens het troetelkind van media en publiek worden en krijgen ze dientengevolge liefdevolle koosnaampjes - had willen betogen een bezoeking.

ZIJN BOEK is noch een biografie, noch een samenvatting van Sartre's oeuvre, het is zomin een kritische evaluatie van Sartre's ideeën als een duiding of waardering van diens lotgevallen - maar het is van al die vier een beetje, en van die beetjes is een straffe soep getrokken. Wat de dominante smaak daarvan is, wordt het duidelijkst als je nader kijkt naar de indeling van Le Siècle de Sartre: tussen het eerste deel, 'L'homme siècle', en het laatste, 'La folie du temps', in staat 'Justice pour Jean-Paul Sartre'.

Daar gaat het om. De uitvergroting van de man en zijn werk in deel één tot norm voor een eeuw - geen klein bier voor de geharnaste Franse Sartre-jagers: zie hun schimpscheuten in de Franse kranten dezer weken - en de vergoelijking van zijn scheve schaatsen door het aanvoeren van de 'dwaasheden des tijds' als verzachtende omstandigheden in deel drie - voer voor allen die zichzelf onthecht, liberaal en 'dus' zonder ideologie achten - zijn de zijpanelen van een drieluik. Het middendeel daarvan, het belangrijkste, is een even geëmotioneerde als doorwrochte pleit rede.

Letterlijk, vaak. BHL eist een rechtvaardige plaats voor Sartre op, rechtvaardiger en vooral prominenter dan de intellectuele mode van de laatste tien, twintig jaar bereid is hem te geven. Het sleutelargument in zijn verdediging is Sar tre's houding in de jaren van de Tweede Wereldoorlog, het Vichy-regime en de Duitse bezetting. Dat snijdt vooral zo diep doordat precies in de twee decennia die na Sartre's dood zijn verstreken, tegelijkertijd met het verschrompelen van zijn reputatie vrijwel iedere prominente Fransman van zijn generatie, hetzij intellectueel, hetzij politicus, met terugwerkende kracht is ontmaskerd als hele of halve collaborateur, of ten minste als weinig principiële opportunist.

Sartre niet: 'antifasciste jusqu'au bout', noemt BHL hem, antifascist tot het eind, en onverzettelijk jegens Vichy. Dat maakt hem tot uitzondering in het land dat zichzelf hardnekkig als uitzonderlijk beschouwt, maar daar inzake de Tweede Wereldoorlog wel heel weinig reden toe heeft. Maar, wat nog belangrijker is, BHL verankert dat principiële optreden en de morele besluitvaardigheid van Sartre in diens filosofie, of althans in diens manier van filosofie bedrijven: resoluut, compromisloos, onvermoeibaar en dicht op de werkelijkheid. Weltbegriff van de filosofie veeleer dan Schulbegriff: daar deden zijn academische vorming in de filosofie en zijn ervaringen als leraar filosofie niks aan af.

Verankeren, verklaren (was ik BHL, ik zette hier een punt en begon een nieuwe, al even raadselachtige en suggestieve alinea). Leer en leven vallen samen, filosoof ben je fulltime en dat schept verplichtingen. Het bewijs van je gelijk wordt dan niet geleverd door je academische carrière, maar door de volharding waarmee filosofische opvattingen worden gehuldigd en hun historische geldigheid. Dat leidt, in Sartre's geval, tot een hilariteit verwekkende tegenspraak. Zijn sympathieke antifascisme werd ons immers evenzeer verkocht als uitdrukking van zijn filosofische overtuigingen als zijn ellendige heulen met de moorddadige regimes uit het derde kwart van de twintigste eeuw.

Maar niet aan BHL. Met de toewijding een discipel eigen 'verklaart' hij Sartre's late engagement uit de omstandigheden en benoemt hij zijn eerdere keuzes als wezenlijk. Feiten worden daarbij gemakshalve ondergeschikt gemaakt aan overtuigingen (in feiten is BHL hoe dan ook niet sterk: Le Siècle de Sartre dwingt zijn argwanende lezers tot het regelmatig raadplegen van encyclopedieën en bibliografieën en keer op keer wordt de achterdocht gerechtvaardigd), zuiver redeneren wijkt dikwijls voor sympathie.

En toch.

Wie vindt dat je een auteur moet beoordelen op zijn sterke kanten en dat het kinderachtig is de beslissing te laten nemen door de errata-lijst die je bij zijn boek kunt aanleggen, wordt van BHL's betoog enigszins ongemakkelijk. De opluchting die bepaalde Franse commentatoren de afgelopen weken beving, is begrijpelijk en besmettelijk. Ooit was er een type filosoof dat kranten las en boeken en zich niet beperkte tot het uitwisselen van overdrukken. Ooit was er een filosoof die ook nog voor die kranten schreef en boeken publiceerde die je voor je genoegen las. Hij deed uitspraken en prikkelde zijn lezers. Hij richtte zijn denkkracht op de wereld, niet op puzzeltjes. Toegegeven, de redenering is romantisch geïnspireerd, maar wat moeten we zonder romantiek beginnen?

ZEKER WIE zich door BHL laat verleiden tot het lezen en herlezen van Sar tre's werk komt voor een merkwaardig vraagstuk te staan. Dat is er vooral een van smaak. Kun je iemand die zo goed, dwingend en overtuigend schrijft wel wegzetten onder verwijzing naar diens soms bizarre opvattingen? BHL maakt, in het begin van zijn essay, een punt van Sartre's literaire verwantschap met Louis-Ferdinand Céline en, zo verschillend als ze zijn, de morele vraag die hun beider werk oproept - de een ter linker-, de ander ter rechterzijde - is welbeschouwd dezelfde.

Het voordeel bij het beoordelen van Céline is dat hij voornamelijk een literair auteur is; zijn politieke, antisemitische pamfletten stelden hem in een kwalijk daglicht, maar die waren tegelijkertijd zo krankjorem dat ze bij de beoordeling van zijn literaire werk nauwelijks een rol spelen. Toegegeven, er is een verwantschap: het weinig vrolijke wereldbeeld van Céline's romans ontsproot aan dezelfde 'filosofie' als zijn politieke gekanker, maar het is een niet erg uitgewerkte en zeker ook niet serieus te nemen filosofie. De kunst wint het van de leer, het leven is voor de biografen.

Bij Sartre ligt het anders en vooral ingewikkelder. Filosofie en literatuur zijn tot op zekere hoogte een; in zijn filosofische hoofdwerk, L'être et le néant, staan allerlei verhaaltjes en in zijn grote romantrilogie, Les chemins de la liberté, wordt de lezer danig ingewreven dat we hier met een filosofische roman te maken hebben. De hoofdfiguur van deel een, Mathieu, ís zelfs filosoof en geregeld wordt de handeling van het verhaal onderbroken voor een verkorte cursus existentialisme. Voor Sartre's overige romans en zijn toneelstukken is dat niet anders: ze kunnen gelezen worden als parabels van zijn filosofie en lange tijd zijn ze ook zo gelezen.

Nu die filosofie iets gedateerds gekregen heeft en in al zijn uitbundige stemmingmakerij voornamelijk nog doet denken aan vage Franse films uit dezelfde tijd - Gauloise-rook, veel Gauloise-rook en ontmoedigende liedjes gezongen door vrouwen die je oma hadden kunnen zijn en er ook een navenante komische verleidingstechniek op nahouden - wint de stijl het van het eventuele gelijk. Voltaire, die andere veelschrijvende Franse filosoof die zijn naam aan een eeuw gegeven zag, mag dan nooit een beroerde zin hebben geschreven, Sartre heeft er opvallend weinig op zijn naam weten te brengen.

De stijl is de man - en die man neemt, in BHL's boek, monumentale proporties aan. In zijn leven komt, zo niet de hele geestesgeschiedenis van de twintigste eeuw, dan toch de intellectuele geschiedenis van Frankrijk in die eeuw samen. Hij heeft ze allemaal gekend, de schrijvers, de denkers, de kunstenaars, de politici - en van de laatsten heeft hij de meesten ook vrij scherp tegen de schenen geschopt.

Bijna altijd is dat leuk en even vaak terecht; niet alleen zijn moed in de jaren van het fascisme siert Sartre, ook zijn onverzettelijkheid jegens de koloniale politiek van De Gaulle. Als De Gaulle - die zich toch werkelijk niet onbetuigd liet in het eren van Frankrijks emblematisch geworden intellectueel: 'Frankrijk arresteert Voltaire niet' - eind jaren vijftig met hem tot een vergelijk probeert te komen en dat doet door een schrijven aan Sartre te beginnen met 'Maître', antwoordt Sartre prompt en pissig dat alleen de obers van zijn favoriete café het recht hebben hem met maître aan te spreken.

Je nooit laten inpakken, je overal mee bemoeien, behoorlijk proza schrijven, met zorg je vrienden kiezen en het leven altijd belangrijker vinden dan de school: 't is niet, wat je noemt, het doorslaggevende kenmerk van intellectuelen in de twintigste eeuw, maar aanstekelijk is het wel. Er valt voor academisch tewerkgestelde filosofen in elk geval wat van te leren.

Meer over