ColumnSylvia Witteman

Blijven kijken naar een verhuizing in de zondige hoop dat ze een piano laten vallen

null Beeld
Sylvia Witteman

Maandagochtend. De altijd drukke Constantijn Huygensstraat bood een verlaten aanblik, maar de kerstbomenverkoper opende juist zijn kraam, tot blijdschap van een passerende beroepspensionado-met-hondje: ‘Ik heb er thuis al een staan, maar ik neem er nog eentje bij. Je moet de gezelligheid zelf maken, in deze tijden.’

Om de hoek, in een van de Helmersstraten, was een verhuizing gaande. Dat gaat altijd door. Ik bleef staan kijken, in de zondige hoop dat ze een piano van driehoog uit het raam zouden laten vallen, met galmend misbaar en rondkletterende toetsen.

Naast me stond een meisje van een jaar of 8, met haar kennelijke moeder. Het kind was gekleed in zo’n fleurig allegaartje dat kindertjes van would-be-bohemiens in deze buurt vaak dragen: maillotje met pantervlekken, paars ribfluwelen jurkje, jasje van felroze teddyberenbont, wanten met poezengezichtjes en dure, met schapenbont gevoerde laarsjes. Geboeid keek ze toe hoe er een roeimachine uit het raam werd getakeld terwijl haar moeder, bijtend op haar onderlip, met twee duimen op haar telefoon tekeerging.

‘Lekker niet naar school, hè?’, zei ik tegen het kind. Ze knikte verheugd, maar de moeder reageerde als door een adder gebeten. ‘Nou ja zeg! Wat nou, lekker? Heb je misschien enig idee door wat voor hel we nu al bijna twee jaar gaan? Zelf geen kinderen zeker?’ Ze streek haar lange, warrige blonde haar geagiteerd achter haar oor en keek me woedend aan.

‘Nou, sorry, ik bedoelde er niks mee...’, zei ik. ‘Ik snap dat het lastig is, met je werk en zo...’ De vrouw liet haar telefoon zakken en schudde haar hoofd. ‘Daar gaat het niet om’, zei ze. ‘Ik heb op het moment toevallig geen werk, maar daar gaat het dus helemáál niet om. Het gaat om het principe.’

Het meisje keek even geërgerd naar haar moeder en toen weer naar de verhuizers, die een stapel planken in een grijze deken naar beneden takelden. Wéér geen piano. ‘Heb je enig idee hoe dat is, voor een kind?’, vervolgde de moeder. ‘Als er zo met je gesold wordt? Door een regering die maar wat aanklooit? En alle problemen denkt op te lossen met de zoveelste spuit in je arm?’

Ik zette maar eens een stapje opzij, tegen de aerosolen. ‘Als je soms denkt dat kinderen niets beters te doen hebben...’, ging ze woedend voort. Het meisje keek opnieuw geïrriteerd om naar haar moeder, maar beet zich toen weer vast in de verhuizing. Nu kwam er een grote potpalm naar beneden. Zijn bladeren rilden in de wind. Wéér geen piano, maar we bleven hopen, het meisje en ik.

Want de hoop sterft het laatst.

Meer over