Bijna Wim de Bie van de sokken gereden Het engagement van tekenaar Peter Pontiac

Het oog moet smullen, vindt Peter Pontiac, wiens oeuvre zaterdag in Breda wordt bekroond met de Stripschapprijs 1997. Alleen amusement is hem echter niet genoeg: 'Soms roep ik op tot woede....

VRAAG PETER PONTIAC voor een stunt van het popmuziekstation MTV, en je vraagt om moeilijkheden. 'Of ik een strandtent wilde beschilderen, en of ik dan ook de producten van de twee sponsors, Coca Cola en Adidas, een plekje wilde geven. Dat zag ik niet zitten. Te zeer de ver van mijn bed show.' Vakbroeders reageerden verbaasd. 'Ze noemden me een oude hippie.' Pontiac gnuift. 'Die kwalificatie duikt ook maar te pas en te onpas op. Ik heb ooit in een commune gezeten, ik voelde me werkelijk aangetrokken tot een zekere mate van anarchisme - maar als je generatiegenoten mag geloven is iedereen ooit hippie geweest, tot kamerleden aan toe.' Is hij, de man die lange tijd in de drugs-, krakers- en punkscene verkeerde, de hippie pur sang? 'Ik word nogal moe van het eeuwige cliché van seks & drugs & rock 'n' roll.' Geprangde blik. 'Als je twintig bent hóór je idealistisch te zijn, als je het op je veertigste nog bent word je opeens voor dwaas versleten.' Meewarige reacties maken hem onzeker. 'Ben ik dan zo naïef, vraag ik mezelf af, ben ik zo wereldvreemd? Bange vermoedens steken geregeld de kop op - maar nooit voor lang.'

Hij kan niet anders. Met ironie: 'Ik ben Peter Pontiac, die man die met zijn potloden het onrecht op deze planeet bestrijdt.' Natúúrlijk wil hij amuseren. 'Ik hoop dat elke tekening een sappige pennenvrucht wordt waar het oog van kan smullen. Maar engagement is mij niet vreemd. Soms roep ik op tot woede. Zodat mijn eigen woede zich kan voortplanten.

'Maar hooggespannen verwachtingen heb ik niet. Een mentaliteitsverandering breng je zelden teweeg. Dat verhaal is te mooi om waar te zijn.' Hij laat een tekening zien die hij onlangs voor een Haarlems straatkrantje maakte, een stille aubade aan de Scheepmakersdijk die moet verdwijnen. Het wapen van Haarlem kreeg een dollarteken in plaats van een kruis, in de linkerbenedenhoek schreef de tekenaar: powerless pen. '99% van de tijd sta je toch voor eigen parochie te preken. Ik ben al tevreden als ik iemand heel even aan het denken zet.'

Peter Pontiac (46), pseudoniem van Peter Pollmann, publiceert zijn werk in Vrij Nederland, NRC Handelsblad en Algemeen Dagblad, hij ontwerpt platenhoezen en posters, hij is vaste illustrator van Oor. En nu krijgt hij op 11 oktober, tijdens de Stripdagen in Breda, de Stripschapprijs 1997 uitgereikt, de belangrijkste Nederlandse oeuvreprijs voor striptekenaars. 'Er zijn weinig tekeningen waar ik fier naast durf te staan. Van oud werk zie ik vooral de onbeholpenheid, het anatomisch onvermogen - ik ben nu eenmaal autodidact, ik heb alles op papier bevochten.'

De toekenning van de Stripschapprijs heeft hem verbaasd. Tot nog toe was er weinig erkenning, een echte striptekenaar is hij niet - 'eerder een schilder en tekenaar met liefde voor het medium strip' -, de huidige belangstelling van de media verontrust hem. Kranten, televisie - hij zegt, per abuis, politie -, hebberige mensen tijdens signeersessies: 'Kunt u even een lekker wijf tekenen?' Pontiac huivert. Liet hij niet al in 1980 zien hoe Sonja Barend, aan haar eigen presentatietafel, door een haan, die zichzelf een 'stuk proletarisch ongenoegen' noemt, verkracht wordt? 'Ik ben niet de vrolijkste Frans. Maar ik protesteer toch wel als mensen zeggen dat mijn werk vooral zwartgallig is, en zwaar op de hand.' Hij fronst zijn wenkbrauwen - moet die tekening van Sonja echt worden genoemd? 'Om haar mild te stemmen: als puber was ik verliefd op haar, ik vond het een sexy vrouw. Ik zou niet graag willen eindigen als de doodsvijand van Sonja.'

Het portret van de presentatrice staat in deel 6 van de reeks The Pontiac Review, waarin de tekenaar zijn verzameld werk bundelt, thematisch, en voorzien van scherpe commentaren. In De pen & het zwaard, waarin zijn politiek getinte werk is samengebracht, bekommert Pontiac zich om uiteenlopende zaken als de Balkanoorlog, Amnesty en macrobiotische bedrijven, en veegt hij met belangwekkende en minder belangwekkende zaken de vloer aan: hondenpoep, heldenverering, racisme. Engagement telt zwaarder dan het materiële welzijn. 'Op dit moment zit ik weer spectaculair voor de kat z'n kut te werken.'

In eerder verschenen delen uit de Review-reeks laat Pontiac zien hoe enerverende perioden uit zijn bestaan hem inspireerden. Explosieve, intense, soms hallucinerende tekeningen, van veel drugs, veel rock 'n' roll - en veel seks inderdaad, in deel 3, Het schaam-deel. Daarin figureren blondines met duivelse blikken die mannen het hoofd op hol brengen. 'Sexy vrouwen vind ik eenvoudiger om te tekenen dan gewone vrouwen - bij sexy vrouwen kun je gebruik maken van clichés. Ik vrees dat ik niet altijd vrouwvriendelijk ben geweest. Politiek correct is mijn werk niet per se.'

Aan het slot van een van de strips portretteert de tekenaar zichzelf - likkebaardend, ingespannen. 'Als ik teken is het alsof ik een tunnel inga waar ik tenslotte uitgeput, en met knipperende ogen, weer uitkom.' Soms is hij verbijsterd door de vrucht van zijn arbeid. 'Er schuilt een heftigheid in mij die eruit spuit als ik aan het werk ben. In het dagelijks leven laat ik die heftigheid zelden zien. Ik ben slecht in kwaad worden. Hooguit ben ik vicious, als ik drink.'

Daar, op die Bussumse zolderkamer die door Pontiac als atelier werd ingericht, is geen telefoon, geen geluid, komt amper een mens. Behalve dat jongetje dan, dat hij één keer per week lesgeeft, en dat nu binnenkomt. Pontiac vraagt vriendelijk, bijna bedeesd, of hij het erg vindt als het voor een keer niet doorgaat. Even later, als zijn leerling verdwenen is: 'Dat is een lieve jongen. We maken een comic. Zitten we samen achter de tekentafel te praten en te lachen.'

's Ochtends om een uur of negen fietst Pontiac al naar zijn atelier, en daar blijft hij minstens tot etenstijd. 'Ik schuif dagelijks aan in de cockpit, lichtbak aan, en ready for take off. Hier voel ik me zeer in mijn knollentuin.'

De stem klinkt zachtjes. Pontiac maakt een schuchtere indruk. Veel adempauzes, veel wegkijken ook. 'Er zijn in mijn leven vaak deuren voor mij opengehouden waar ik niet in dorst. Een karakterkwestie. Ik ben nogal verlegen. Er is de voortdurende angst dat ik me niet zal waar maken.'

Soms breekt het angstzweet hem uit. Van de Volkskrant kreeg hij ooit het verwijt dat hij op een poster een 'gemeen kijkende orthodoxe jood' had geportretteerd. 'Ik heb me heel erg kwaad gemaakt. Antisemitisme is mij ten enen male vreemd.' Toen hij later een foto van Wim de Bie onder ogen kreeg schrok hij zich rot. 'Hij heeft zich vermomd als striptekenaar, zit achter precies zo'n raam als ik, en werkt aan een strip die Sneeuwzwartje en de zeven nazi's heet. Bovendien loopt er een slijmspoortje over de kin - het zou mij kunnen overkomen, want ik mis, door mijn verleden, een aantal ondertanden.' Is hier geen sprake van een beetje paranoia? 'Ongetwijfeld. Wim de Bie woont hier in de buurt, ik zie hem altijd met zijn hondje wandelen, hij zou me kunnen kennen.' En waarom geen tekst en uitleg gevraagd? 'O nee. Ik heb hem wel eens getroffen op een borrel, ik stond naast hem, hij ging zelfs met zijn arm achter me langs om zijn sigaar af te tippen - maar ik durfde hem niet aan te spreken. Ik zou maar een rood hoofd krijgen.'

Die zelfportetten - Pontiac als stuntelende vragensteller, Pontiac als lafbek die zich uit de voeten maakt - zijn dus nogal waarheidsgetrouw. 'In mijn eigen tekeningen zie ik er zelden op mijn voordeligst uit. Als ik zoveel kritiek spui mag ik mezelf ook niet sparen.'

Als kind zat hij al hele dagen te tekenen. Portretten van geldzoekers en indianen, posters in psychedelische stijl, geïnspireerd op een live-optreden van Frank Zappa. Amerikaanse undergroundtekenaars als Robert Crumb en Rick Griffin waren zijn voorbeeld.

Pontiac had een roerige schooltijd, meldde zich aan bij de Rietveld Academie maar werd afgewezen, belandde uiteindelijk in een commune in Leiden. Daar maakte hij een inmiddels beroemd geworden omslagtekening voor een bundel songteksten van The Rolling Stones. Willem de Ridder vroeg hem aan zijn legendarische tijdschrift Hitweek/Aloha mee te werken, maar Pontiac durfde pas na een jaar te reageren.

In die dagen werd het bestaan van de tekenaar gedomineerd door veelvuldig en intensief gebruik van drugs. LSD, cocaïne, heroïne - zijn tekeningen verbeeldden angstaanjagende visioenen. 'Lang heb ik gedacht dat ik zonder drugs niet zou kunnen werken. Dat dan de ideeën niet zouden vloeien.' Dertien jaar geleden, toen zijn dochter Godelinde werd geboren -'een geboorte is dermate aangrijpend dat je je kind vanzelf een hemelse naam geeft' - stopte hij met de drugs. 'En twee jaar geleden heb ik zelfs ook de hasjiesj aan de wilgen gehangen. Hoe kun je je kind van de drugs afhouden als je zelf stoned aan de eettafel zit? Ik heb spijt van mijn drugsverleden. Ik ben niet als de mensen die zeggen dat ze hun leven, mocht dat mogelijk zijn, precies zo zouden overdoen. De vitaalste tijd van mijn leven heb ik in sufheid doorgebracht. Dat is een onvergeeflijke stommiteit.'

Hij hoopt dat zijn dochter vreedzaam, en zonder drugs, zal opgroeien. En dat ze haar onbevangenheid en creativiteit behouden kan. 'Ik lees haar nog elke avond voor. Dat is het intiemste moment dat ik met haar heb.

'Kinderen van nu moeten zoveel, en ze weten zoveel. Zelfs een begrip als necrofilie is voor tienjarigen geen probleem. Toen ik zo oud was wist ik van niks. Had ik van zaadjes en voortplanting hooguit een vaag idee. Als ik een jongen een meisje zag zoenen dacht ik: nu gaan zijn zaadjes dwars door haar kleren bij haar naar binnen.'

Hij grinnikt eens wat. Levenslessen kreeg hij in die tijd amper. Wél schiep zijn moeder de voorwaarden voor zijn stille ambitie: ze kocht het materiaal waarmee Pontiac tekenen en schilderen kon. 'Ik ben de oudste van vijf kinderen. Jarenlang heb ik me zenuwachtig gemaakt dat ik als eerstgeborene ooit een grafrede zou moeten houden.' Pontiacs boze droom kwam uit: onlangs stierf zijn moeder, de vreugde om de Stripschapprijs werd erdoor overschaduwd. 'Ze is in de armen van mijn zusjes en mij gestorven. We hebben haar gewassen, haar handen gevouwen, en er een rozenkrans in gelegd.'

Zijn moeder was, zegt hij, een sterke vrouw - 'heel donkere ogen, tot op het laatst actief, niet iemand die je zomaar uitvlakt. Of ze mijn werk begreep? Dat wil ik niet volmondig beamen. Wat ze altijd expliciet zei was: wat maak jij jezelf toch lelijk.' Hij rommelt wat rond, laat tekeningen zien die zijn moeder, zo bleek na haar overlijden, al die jaren in een grote doos bewaard heeft. Een portret van zijn vriendin, op de bank in slaap gevallen, een tekening van twee fantasievissen, yin-en-yang in elkaar verstrengeld. 'Die witte vis heeft een vriendelijke uitstraling. Dat sprak haar kennelijk aan.'

Na de scheiding van zijn vader maakte zijn moeder zich onmisbaar voor de Zusters Ursulinen, een kleine nonnengemeenschap in Bergen aan Zee. 'Ze deed er receptiewerk, en maakte interviews met stokoude nonnen voor Het Lopend Vuurtje, het orgaan van de zusterorde.' In die gemeenschap sleet zijn moeder haar laatste dagen. 'Nadat ze gestorven was heb ik al die lieve ouwe vrouwtjes de hand geschud, met gevoelens van grote dankbaarheid. Omdat ze mijn moeder zoveel warmte en geborgenheid hebben geschonken.

'Ze wist dat ze zou sterven. Er waren geen slangetjes, geen infusen. We hebben haar bed naar buiten gereden en daar, in de tuin, onder een boom, tegen het decor van de ondergaande zon, kreeg ze het Heilig Oliesel toegediend.'

Dat beeld staat sindsdien op zijn netvlies gebrand. 'Ik zou het graag nog eens in een verhaal willen verwerken. Omdat zo'n sterke ervaring dat verdient. Maar ik weet niet of ik het durf. Mijn werk houdt altijd iets cartoonistisch, of ik het nou wil of niet. Ik heb het gevoel dat mijn tekenstijl te weinig serieus is om zulke zuivere dingen vorm te geven.'

Schuchter: 'Ik heb in het verleden wél een portret van mijn moeder gemaakt, in olieverf. Ik heb het mijn broer, die onlangs veertig werd, voor zijn verjaardag cadeau gedaan. Mijn andere broer en mijn zussen gaf ik een kleurkopie.'

Pontiac staat op, schenkt zichzelf een glas spa in. Verontschuldigt zich voor de troep in zijn atelier. Daar ontvlucht hij de wereld, en tovert hij, op papier, die boze werkelijkheid op hetzelfde moment te voorschijn. Als hij werkt bezweert hij zijn angsten. 'In zekere zin ben ik een romanticus. Vergelijk het met wat een kind doet als het speelt: het laat zich opslokken door zijn fantasie. Dat sla ik, als volwassene, met weemoed gade.'

Aan de muur hangt een pamflet: 'Kan een katholiek lid zijn van de NSB? Ja!'. Elders een foto van Baron Von Trapp uit The sound of music, 'de lulligste film aller tijden', met als onderschrift: 'Anti Nazi'. Pontiac aarzelt, formuleert de angst die hij nog altijd niet geheel bezworen heeft, en die zijn fascinatie voor een aantal thema's verklaart: 'Mijn vader was fout - al ver voor de oorlog. Hij schreef, als correspondent, propagandistische stukken. Daar is hij voor gestraft: na de oorlog heeft hij vier jaar gezeten.

'Maar hij was hardleers, zijn opvattingen waren en bleven extreem rechts. Met hem lag ik immer in de clinch. Dan hadden we weer eens ruzie, werd ik de kamer uitgeschopt, en stond ik, bovenaan de trap, honend te lachen - 'vuile fascist'

'De opkomst, eind jaren zestig, van de drugs, de popmuziek, het lange haar - dat paste, heb ik later begrepen, precies in mijn vaders beeld van de uitwassen van de slappe linkse maatschappij, die, wat hem betreft, alleen maar verder verloederen kon.' En gold zijn zoon Peter als exponent van die verrotte samenleving? Pontiac wuift de vraag weg. 'Meer wil ik er niet over zeggen. Ik wil, ten overstaan van mijn broers en zussen, niet de verdenking op me laden dat ik, nu onze moeder gestorven is, de vuile was ga buiten hangen.'

Grote schaamte kent hij, zegt hij, niet. Maar de geschiedenis van zijn vader speelt hem evengoed parten. Misschien koos hij daarom wel een pseudoniem - aan de naam Pollmann heeft hij een hekel -, misschien is hij daarom zo gespitst op verwijten van antisemitisme, misschien schrok hij daarom zo van de foto van Wim de Bie. 'Hij en ik maken gebruik van dezelfde brievenbus, hier, in de buurt. Stuurde ik een vriend een comic op, in open enveloppe, gleed er in de PTT-busper ongeluk een briefje met sleutel van Wim de Bie in. Mijn vriend heeft dat briefje toen maar aan de geadresseerde doorgestuurd.'

Zal hij zich eens vermannen? 'Misschien spreek ik hem ooit nog eens aan.' En zou zo'n ontmoeting tot een verhaal kunnen leiden? 'Een tijd geleden heb ik hem bijna overreden, toen ik al te driest de bosjes uit kwam fietsen.' Zou de geschiedenis van zijn vader ooit tot een verhaal kunnen leiden? 'Ik krijg het nu al benauwd.'

Dan maar een gevaarloos verhaal uit het verleden: 'Ik ben een jaar of dertien, en heb een droom: ik leid straks een artistiek leven, ik loop in een met verf bespatte trui, en heb een mooie blondine als vriendin.' Kleine correctie, om de werkelijkheid geen geweld aan te doen: 'Een mooie brunette mag ook.'

De Peter Pontiac Review delen 1 en 6 ¿ 35,- per stuk, delen 2, 3, 4, 5 ¿ 25,-.

Lost in the Lowlands, uitsluitend te koop bij Lambiek Stripverhalen in Amsterdam, ¿ 15,-.

De Stripdagen 1997, 11 en 12 oktober in Het Turfschip en Chassé Theater, Breda.

Meer over