ColumnPeter Buwalda

Bij ons snappen ze dat het een cowboyparodie is – ‘Nog wel’, zei de Amerikadeskundige

null Beeld

Zijn Arendsoog en Witte Veder nog pluis?

‘Nieuws! Is er nog nieuws? Kleintje? Heb jij nieuws? Waarom heb je geen nieuws? Trek je jas aan, ga maar nieuws halen. Nu! Het ligt op straat voor je klaar, joh. Maar je moet het wel oppakken, joh. Je kunt het wel. Kom maar. Ga maar. En je komt terug met nieuws – snap je?’

Aan het woord was niet Pim Pandoer, de Schrik van de Imbosch, maar Bert Groenman, mijn ouwe chef bij de universiteitskrant, toen ik nog een jonge telexrukker was.

(Misschien behoeft telexrukker uitleg? Jet knikt. Oké, vroeger had je op kranten een telex staan, een soort incontinent faxapparaat waaraan een gestadige stroom Reuters- en AP-berichten ontsprong, prrrrt, prrrrt, een soort rol was het, en dan moest de oen van de redactie, de jongste bediende, zeg maar de klos, de oogst er afscheuren en vertalen en omwerken tot ‘kortjes’. Deze klos, dat was de telexrukker.)

(In plaats van ‘telexrukker’ had ik eerst ‘inktkoelie’ staan, de journalist als zwoegende dagloner, maar dan met inkt en krantenpapier, geestig vond ik altijd – maar inmiddels ben ik wakker geschud, ‘woke’ is een tandje te veel, maar diep in slaap zijn we niet meer. Slaapdronken? Nee, dat is weer te weinig. Ik zit, denk ik beneden, in mijn pyjama, glazig voor me uit te loeren, ongedoucht maar aanspreekbaar, halverwege een bak koffie. Oplettend, zou ik zeggen. Is inktkoelie nog wel leuk? Of juist leuker, omdat het niet meer leuk is? Of daarom nóg minder leuk, juist?)

(Inktkoelie... inktkoelie... even checken maar, en inderdaad zeg, meteen beet, volgens het Tropenmuseum zijn ‘wetenschappers, activisten, en diverse belangengemeenschappen er sinds het midden van de 20ste eeuw over eens dat koelie een beledigende term is.’ Midden 20ste eeuw, aha, goh, consensus dus nog voor ik geboren was – wist ik niet. Wat vertelt het ons?

‘Dat je een racist bent’, zegt Jet.

Ik knik met een zuinig mondje. ‘Al is een inktkoelie misschien iets anders dan een koelie’, voer ik aan. ‘Denk aan slaaf en loonslaaf. Niet?’ Ja, vindt ze interessant. ‘Een telexrukker is ook iets anders dan een rukker’, ga ik opgetogen door. ‘Als ik Rob Trip zie fietsen, roep ik niet: ‘Hé! Vuile rukker!’ Dat ‘telex’ moet erbij. Let ik op.’

Ze schudt haar hoofd. Nee, Peter. Is wat anders. Rukken doen de Volkeren aller Landen.

‘De Vrouwen aller Volkeren aller Landen niet,’ zeg ik.)

Oké, nieuws, daar had ik het over. (Helaas, omdat Pim Pandoer een soort Arendsoog aka Bob Stanhope is, een jeugdboekenheld dus, ooit door mij aanbeden en verslonden, moet ik aan mijn Arendsoogcolumns denken. Moet je in Amerika niet mee aankomen, schijnt. ‘Kan echt niet, daar’, zei een Amerikadeskundige tegen me.

‘Ja, maar bij ons snappen ze dat het een cowboyparodie is’, antwoordde ik.

‘Nog wel’, zei hij.

Dat laatste leek me toen, het was 2014, overdreven. Nu weet ik het niet meer. Ik lees dat het woord ‘indiaan’ al beladen is, dit keer bij het Rijksmuseum, laat staan ‘roodhuid’, waarvoor Arendsoog zijn maatje Witte Veder om de haverklap uitmaakt. En hem vervolgens levend vilt – ook dat nog. Waarna ze het weer bijleggen. Het zijn wel buddy’s namelijk. Sterker, ze hebben een relatie. Het zijn homovriendelijke columns. In Amerika zullen, na lezing ervan, vele cowboys en Native Americans uit de kast durven komen.)

En het nieuws? Andere keer over het nieuws. Dan is er weer nieuw nieuws.