ColumnEva Hoeke

Bij het krijgen van een derde kind sluipt er een zekere nonchalance in

null Beeld Aisha Zeijpveld
Beeld Aisha Zeijpveld

Ik had die nacht voor mijn gevoel uren wakker gelegen, de vraag was op welk moment ik dan zo raar had gedroomd. Drie personages hadden de hoofdrol gehad: ik en mijn twee dochters, vaag in vorm maar helder in plot, want zoals altijd probeerde ik van de ene naar de andere plek te komen en werd ik daarbij gehinderd door honderdduizend dingen. Vaak waren dat banale zaken – jas vergeten, trein gemist, dit keer kwam de grootste belemmering van mensen die mij en de kinderen probeerden neer te steken.

Wie die mensen waren, kon niet ik zien.

Wat wel: de zweetplek op mijn T-shirt toen ik rennend wakker werd, mijn handen voor me uit. Naast me lag een slapend lichaam, een deur verderop twee onbekommerde kleuters in katoenen pyjamaatjes. Er was niks aan de hand, onze slaapkamer was werkelijk een slaapkamer, het huis had een dak en muren en de deur zat op slot, als ik mijn best deed kon ik de poes beneden horen snurken op de vensterbank. Nadat ik de rest van de nacht had doorgebracht met het uitrafelen van alle details las ik die ochtend dat dromen over te laat komen staan voor angst voor verandering, of een aarzeling om een kans te grijpen. Stond ik misschien in tweestrijd om een beslissing over mijn toekomst?

Nou nee, dat station waren we onderhand wel gepasseerd.

De boosdoener was progesteron.

In mij was de baby inmiddels 34 weken oud geworden, zo groot als een cantaloupe en zo zwaar als een skateboard, en wanneer de kinderen ’s avonds eindelijk in bed lagen en ik op de bank, stond mijn buik strak als een trommelvel. Nog even en nummer drie zou arriveren, ongetwijfeld met het nodige touwtrekken maar ook deze keer zou het wel weer lukken, linksom of rechtsom, en er waren momenten waarop ik al een beetje vooruit begon te genieten van de dingen daarná: wij met z’n tweetjes in bed, haar zusters eromheen, kijkend naar dat even vreemde als vertrouwde lijfje in een rompertje met witte bloemetjes. Het zou de laatste keer zijn, ik zou er meest van smullen.

Maar zover was het nu nog niet. ‘Het verhoogde progesterongehalte in je bloed zorgt voor emotionele schommelingen’, las ik op de site die het weten kon. ‘Omdat je daarbij veel moet regelen kan dit zich uiten in intense dromen.’

O ja, dingen regelen, dat moest ik nu ook maar eens gaan doen. Het ontging me niet dat er bij het krijgen van een derde kind een zekere nonchalance in sloop. De wieg had ik nog niet van zolder gehaald, hydrofiele doeken had ik nog wel liggen, ergens. Ik, wanneer wij ’s avonds televisie zaten te kijken en het kind druk in mij rond woelde: ‘Wil je voelen? Dan weet je waar de baby zit.’

De Man: ‘Ik heb wel een idee. In de buik toch?’

Ik had een klusjesman ingehuurd, dat wel, zodat ze kraamhulp zich straks niet zou hoeven ergeren aan scheef hangende kastdeurtjes en kapotte badkamerlampen. De naam, die hadden we ook al, geweldige naam, de kers op de taart, soms oefende ik ’m zachtjes hardop en tekende zich als vanzelf een fantastisch leven af. Maar verder? Ik herinnerde me pas dat ik zwanger was wanneer ik even snel door een deur dacht te kunnen glippen en daarbij tegen mijn eigen buik botste. Pas na een week dragen ontdekte ik een landschap aan vlekken aan de onderkant van mijn shirt, en ook koken was een indicator: als mijn trui begon te schroeien stond ik te dicht bij het vuur. We wórden nog niet neergestoken, kortom, maar ik schrijf dit stukje met de laptop op mijn buik – als u goed kijkt ziet u het deinen tussen de regels.

Meer over