Postuum

Bertrand Tavernier (1941-2021): ‘Het geweten van de Franse cinema’

Lang niet alle filmmakers zijn verwoede filmkijkers. De Franse regisseur Bertrand Tavernier, die donderdag op 79-jarige leeftijd overleed, was dat wel. Tavernier verslond films sinds hij als jongetje in Lyon kennismaakte met Amerikaanse westerns.

Bertrand Tavernier in 2010 tijdens het 63ste filmfestival van Cannes. Beeld AFP
Bertrand Tavernier in 2010 tijdens het 63ste filmfestival van Cannes.Beeld AFP

Zijn grote liefde voor cinema bepaalde Taverniers leven: hij regisseerde zo’n dertig speelfilms en documentaires, schreef boeken over film en zette zich als voorzitter van het Lumière Instituut in voor de promotie en restauratie van vergeten Franse meesterwerken. ‘Het geweten van de Franse cinema’, noemde televisiezender France24 hem.

Hij begon zijn carrière in de jaren zestig als assistent van de befaamde regisseur Jean-Pierre Melville, waarna hij enkele jaren de publiciteit van Franse films verzorgde. Zijn speelfilmdebuut maakte hij in 1974 met L’Horloger de Saint-Paul, een succesvolle, gevoelige verfilming van een roman van Georges Simenon. Ook veel van zijn latere films waren boekverfilmingen, zoals de zwarte komedie Coup de torchon (1981), met Philippe Noiret en Isabelle Huppert, en het met de regieprijs in Cannes bekroonde familiedrama Un dimanche à la campagne (1984).

Tavernier was een veelzijdig filmmaker, die het etaleren van een herkenbare eigen stijl minder belangrijk vond dan het vertellen van een geloofwaardig verhaal met een humanistische, soms ook politieke boodschap. Hij maakte graag historische films, zoals het kostuumdrama Que la fête commence (1975) en de grimmige oorlogsfilms La vie et rien d’autre (1989) en Laissez-passer (2002). Een van zijn bekendste films, Round Midnight (1986), speelt zich af in de jaren vijftig in de jazzclubs van Parijs, waar een alcoholistische Amerikaanse muzikant zijn carrière uit het slop probeert te trekken. Herbie Hancock won een Oscar voor de muziek en Dexter Gordon, van huis uit jazzsaxofonist, werd genomineerd als beste acteur.

Van weer een heel andere orde was de misdaadfilm L’Appât (1995), bekroond met de Gouden Beer op het filmfestival van Berlijn, over een waargebeurde moordzaak waarbij twee jongens een meisje als lokaas gebruikten. Taverniers laatste speelfilm was Quai d’Orsay (2013), een luchtige politieke komedie, gebaseerd op een striproman.

Met pensioen ging hij niet. Tot het laatst bleef Tavernier, aimabel en geliefd, onvermoeibaar aandacht trekken voor ondergeschoven parels uit de filmgeschiedenis. Hij was een kenner van de Franse, maar ook van de Amerikaanse cinema. Over Amerikaanse films schreef hij twee boeken, waaronder Amis Américains, waarvoor hij regisseurs als John Ford, Robert Altman en Quentin Tarantino interviewde. Een nieuw boek was net af en zal later dit jaar verschijnen.

Net als Martin Scorsese, een minstens zo groot cinefiel met wie hij goed bevriend was, legde Tavernier zijn persoonlijke band met films vast in een aanstekelijke documentairereeks. In Voyage à travers le cinéma français (2016-2018) kwam hij vooral op voor Franse regisseurs die in de schaduw bleven van de nouvelle vague. Omdat filmvernieuwers als Jean-Luc Godard en François Truffaut vanaf de jaren zestig zoveel aandacht trokken, bleven andere, meer klassieke regisseurs onderbelicht. Zij werden ten onrechte weggezet als ouderwets, vond Tavernier.

Volgens Tavernier verdiende elke film een nieuwe kans. ‘Men denkt dat oude films tot het verleden behoren’, zei hij. ‘Dat geloof ik niet. Veel oude films blijven springlevend.’

Meer over