columnfrank heinen

Barbecueërs maken zich pas bekend zodra het ding wordt neergepoot

Frank Heijne Beeld Eva Roefs
Frank HeijneBeeld Eva Roefs

Barbecues zijn te gek, wil Frank Heinen even benadrukken.

Uiteindelijk beland je altijd op een barbecue. Een barbecue is even zomers als het overwegen om dat ene witte T-shirt met perkamentgele plakkaten onder de armen nu toch eens weg te gooien, en dan alsnog te besluiten dat het nog wel even kan.

Zelf groeide ik op in een deel van de wereld met een uitzonderlijke barbecuedichtheid. De naderende zomer hoefde zijn keel maar te schrapen en overal begonnen buren de grill vol te metselen met plakkaten dood dier. Noem het de schaduwzijde van een geprivilegieerde jeugd, maar mán, wat een barbecues. In het windstiltegebied tussen Amsterdam en Utrecht loopt het barbecueseizoen van half maart tot eind oktober. Vaak was er een partytent bij betrokken, die altijd na een tijdje blauw stond, of vlam vatte. Iedere feestelijke gelegenheid werd opgeluisterd met een barbecue. De beste waren die in een tuin die groot genoeg was om er te veel mensen in kwijt te kunnen. Vaak hing er een verjaardag aan vast, of een schoolprestatie, al waren er ook mensen die voor een heel Russisch bataljon aan huzarensalade inkochten en vervolgens aankondigden ‘het begin van juni’ te vieren. Bij zo’n gelegenheid stonden, verspreid over het gazon, uiteenlopende figuren die je je herinnerde van een vorige barbecue, op een eerder moment, toen ze op precies dezelfde plek stonden, halverwege de camelia en het vogelbadje. Misschien waren ze nooit weggeweest? Of maakten ze deel uit van het Des Bouvrie-tuinameublement?

De barbecue duurt eindeloos. Zo is-ie ontworpen. Iets alledaags als avondeten neemt, het klaarzetten en schoonsoppen van het ding meegerekend, gerust een uur of vijf in beslag. In afwachting van de eerste gare lappen vlees (en voor de principiële sfeerverpesters: een reepje paprika), sla je vast een gat in de berg stokbroodschijfjes die in plastic bakken liggen te verdrogen. Om de obstipatie in de kiem te smoren, kieper je er een plens satésaus naast. Daarna dood je de tijd met iemand met wie je niet per se hoeft te praten, in de wetenschap dat jij voor die persoon vermoedelijk dezelfde rol vervult, terwijl je je plastic bordje zó houdt dat de satésaus op je broek kan druipen. Om aan de stiltes een einde te maken, verplaats je jezelf richting saladetafel. Daar zwermen twee soorten wezens rond: wespen, en zij die de salades hebben gemaakt, en erop toezien of ze ‘wel genoeg hebben gemaakt’.

Eenmaal bij het epicentrum van de barbecue (de barbecue) is het altijd een verrassing welke bekende zich over de ‘vleesjes’ (kilo’s lijden en ecologische voetafdruk) heeft ontfermd. Je beste vrienden kunnen barbecueërs blijken. Barbecueërs maken zich pas bekend zodra het ding wordt neergepoot en de organisator enigszins hulpeloos om zich heen begint te kijken. Organisatoren van barbecues barbecueën zelf niet per se, zoals veel wedding planners ongetrouwd schijnen te zijn. Maar dan slaat de barbecueër zijn slag. Zodra de barbecueër achter de barbecue (zelf spreekt de barbecueër van ‘BBQ’) gaat staan, is het onbegrijpelijk dat je niet altijd al een barbecueër in de barbecueër hebt gezien. Met de vleestang in de hand gaat er een soort natuurlijke autoriteit van de barbecueër uit die er altijd aan ontbroken heeft, de barbecueër is van een vergetelijke gast uitgegroeid tot de choreograaf van een garingsdans.

Voor veel mensen is de barbecue een genot, een feest, mogelijk zelfs een vorm van zingeving. In een verhaal over vaderlands sportsucces schreef ik eens iets flauws over de wereldkampioen barbecue, een Nederlander. Dat mondde uit in een akkefiet met de barbecuegemeenschap. Zonder dat ik er erg in had, bleek ik een aanzienlijk deel van de bevolking op zijn grill te hebben getrapt. En dat is het laatste wat je wilt, want: uiteindelijk beland je altijd weer op een barbecue.

Vandaar ook de intro boven dit stukje.

Meer over