InterviewEddie Jaku

Auschwitz-overlever Eddie Jaku (101): ‘Het kwaad begint met haat. Ik werk er dagelijks aan om de wereld wat beter te maken’

Eddie Jaku Beeld Fairfax Media
Eddie JakuBeeld Fairfax Media

Auschwitz-overlever Eddie Jaku (101) schreef een autobiografie met de verrassende titel De gelukkigste man ter wereld. Wat kunnen we van deze levenskunstenaar leren?

Dit gesprek met de 101-jarige Holocaust-overlevende Eddie Jaku verloopt geenszins met de sombere ondertoon die je bij het onderwerp verwacht, en ook niet met de hindernissen die bij een hoogbejaarde soms onvermijdelijk zijn. De Joodse Jaku, overlevende van Auschwitz en de dodenmarsen aan het eind van de Tweede Wereldoorlog, oogt, praat en luistert als een jonge zeventiger. Hij is goedlachs. Hij praat over zijn 98-jarige vrouw alsof hij haar gisteren heeft ontmoet, met een twinkeling in zijn ogen. En hij formuleert helder, net zo scherp als in het boek dat hij vorig jaar schreef en dat in zijn thuisland Australië de bestsellerlijst aanvoert: De gelukkigste man ter wereld.

Deze week komt de Nederlandstalige editie uit van de autobiografie die in Australië al 200 duizend keer werd verkocht. Bij hoge uitzondering geeft Jaku bij het uitkomen een interview via Skype, aan de Volkskrant. Niet al te lang, had de uitgever vriendelijk verzocht, want Jaku is een man op leeftijd. Maar als we de tijdslimiet allang voorbij zijn, en de interviewer aanstalten tot afronden maakt, wuift Jaku in zijn werkkamer in Sydney de bezorgdheid weg, en vertelt rustig verder. Zijn geheugen vertoont geen hiaten: ‘Ik weet nog net zo goed wat ik gisteren heb gegeten als tachtig jaar geleden in Auschwitz.’

Hij komt met adviezen om als 100-jarige te stralen als in de kracht van je leven: ‘Nooit met een volle maag gaan slapen. Alleen alcohol drinken om ervan te genieten. Nooit uit gewenning.’ Hij komt met een pleidooi om de Oeigoeren te steunen in Chinese concentratiekampen, en de Noord-Koreanen, die zuchten onder het schrikbewind in hun land. Met kritiek op de Verenigde Naties: ‘Hitler had gelijk toen hij zei dat de Verenigde Naties het papier niet waard zijn waarop hun namen staan geschreven. Kijk naar moties over Israël. De VN is in 90 procent van de gevallen tégen Israël. Waarom? Ze zijn jaloers op wat het land in zijn korte bestaan heeft bereikt.’

Zichzelf bevrijd

Hij schetst verschrikkelijke herinneringen aan Auschwitz. Maar vooral toch getuigt zijn boek van zijn levenswijsheid niet te haten, elkaar te respecteren en lief te hebben. ‘Wat in nazi-Duitsland is gebeurd vergeet en vergeef ik niet, maar ik laat me er niet door gijzelen. Het verleden leeft in me, maar ik leef niet in het verleden. Ik heb mezelf bevrijd.’

Jaku beschrijft hoe hij in Leipzig opgroeide als Abraham Salomon Jakubowitsj. Hij was kleinzoon van een drukpersbouwer, zoon van een een type- en naaimachinemaker. Na het gymnasium werd hij, met dat geërfde precisie-DNA, opgeleid tot medisch instrumentmaker. Hij maakte deel uit van een geassimileerd gezin. ‘In de eerste plaats waren we Duits, in de tweede plaats ook. Alleen thuis waren we Joods.’ Maar met het opkomende antisemitisme werd hij al snel gedwongen zijn achtergrond te verloochenen. Op school ging hij, gescheiden van zijn ouders, door het leven als Walter Schleif, een geleende identiteit van een verdwenen Duitse jongen.

Hij vertelt over de door Hitler veroorzaakte storm die over Duitsland raasde. ‘We leefden in het meest geciviliseerde, best opgeleide land ter wereld. En opeens kwam al die haat tegen Joden naar boven. Wij Joden zijn gewend om in korte tijd een bestaan op te bouwen, omdat we nooit weten hoeveel tijd we hebben. Wat er ook misgaat, uiteindelijk krijgen Joden de schuld. Na de Eerste Wereldoorlog moest Duitsland meer herstelbetalingen doen aan de voormalige vijanden dan het ooit kon opbrengen. Op een dag gaf mijn vader me een koffer met bankbiljetten. Hij zei: ‘Koop er vanavond vijf broden voor en honderd eieren, want morgen is het niks meer waard.’’ In dat klimaat van hyperinflatie en economische teloorgang greep Hitler de macht. ‘Die zei: al het geld is bij de Joden, pak het af, dan zorg ik dat iedere Duitser een Volkswagen krijgt.’

De haat tegen de Joden kwam niet uit het niets, zegt Jaku: ‘Hij was alleen verborgen. De Duitsers zeiden niet: we mogen jou niet. Ze hadden het lef niet dat te zeggen. Ze waren zwak, fanatici van de discipline.’ Wat er in de Duitsers is gevaren om zich massaal te ontpoppen als ‘koelbloedige moordenaars’, hij zal het nooit begrijpen, ‘al word ik 150’.

Geen verleden, geen toekomst

Jaku’s boek beschrijft de warmte van het familieleven en de verschrikkingen die zijn jeugd beheersten op een onsentimentele, precieze en juist daardoor indringende manier. De ontreddering van het verlies van familieleden en vrienden. De wreedheden van kampbewakers, maar ook de vriendschap met zijn boezemvriend Kurt. Overleven in omstandigheden waarin de dood steeds maar een paar stappen van je is verwijderd.

Jaku blijft weg van grote woorden, van de uitgeschreeuwde woede die je zou verwachten over de systematische moordpartijen in Auschwitz. Zo schrijft hij: ‘Degenen die hun tijd kwijt waren aan hun zorgen over alles wat ze waren verloren – hun leven, hun geld, hun familie –, die zouden het niet redden. In Auschwitz was geen verleden, geen toekomst – alleen het overleven telde.’ Rust wanneer je kan, was het devies, want elke calorie telt.

Voordat hij in Auschwitz terecht kwam, vluchtte Jaku met hulp van een mensensmokkelaar via Limburg naar België en woonde tot de Duitse inval in 1940 in Brussel. Hij ontsnapte, lopend, naar het met Hitler collaborerende Vichy-Frankrijk, om uiteindelijk via het concentratiekamp Gurs (bij Pau) in het Poolse concentratiekamp te belanden. Werd te werk gesteld in fabrieken – de Duitsers onderkenden zijn talent als precisie-instrumentmaker. Ontsnapte een keer, maar ontdekte dat overleven buiten in de antisemitische Poolse omgeving nóg onwaarschijnlijker was dan binnen het prikkeldraad en keerde heimelijk terug naar zijn barak in het kamp.

Hij werd, toen de Russen aan het eind van de oorlog westwaarts oprukten en Auschwitz werd ontmanteld, gedwongen deel te nemen aan de beruchte dodenmarsen, om het levende bewijs van de Holocaust maar niet aan de vijand te tonen. Duizenden die van uitputting neervielen, werden doodgeschoten. Jaku wist zich te redden door zich te verbergen in een afvoerbuis onder een weg. Meer dood dan levend kroop hij daaruit, strompelde naar een boerderij waar hij wél wat hulp kreeg, en zwierf verder tot hij wankelend in de armen van Amerikaanse soldaten liep.

‘Ik werd opgenomen in het ziekenhuis, waar een verpleegster me vertelde: je hebt 65 procent kans om dood te gaan, en 35 procent kans om te overleven. Toen nam ik me voor nooit meer een stap in Duitsland te zetten.’ Na zijn herstel keerde hij terug naar Brussel. Ging op een dag naar het gemeentehuis van Molenbeek om voedselbonnen te halen. Werd door een baliemedewerker, die zag dat hij een tatoeage met zijn kampnummer op de arm had, voorgesteld aan haar collega, die een warme belangstelling koesterde voor de zeldzame Joodse overlevenden. ‘Ze was de secretaresse van de burgemeester. Binnen één minuut was ik verliefd op haar.’

Zij was Flore Molho, een Joodse, uit Griekenland afkomstige vrouw met wie Jaku de rest van zijn leven zou delen. ‘Ze ligt nu hiernaast te slapen’, vertelt hij. ‘Ik kijk hier in mijn kamer altijd nog een paar uurtjes tv en controleer dan altijd even of alles in orde is met haar.’

Australië

In 1950 emigreerde het inmiddels getrouwde paar met hun eerste zoon naar Australië, met hulp van de Joodse humanitaire organisatie Joint in New York, die de overtocht bekostigde. ‘Zodra het kon, heb ik het geld terugbetaald. Dat hoefde helemaal niet, zei Joint, dat heeft nog nooit iemand gedaan. Maar ik dacht: met mijn geld kunnen ze weer een vluchteling helpen.’

Jaku ging werken bij een garage in Sydney en begon in 1955 zijn eigen autoherstelbedrijf, dat floreerde, mede door zijn vaardigheden als instrumentenmaker. Hij deed de garage in de jaren zestig van de hand, trad in dienst van een makelaar bij Bondi Beach, vestigde met Flore een eigen makelaardij, de E. Jaku Real Estate, waar het tweetal bleef werken tot ze in de negentig waren. ‘Van hard werken ga je niet dood. Van níét werken ga je dood.’

Hij prijst zich gelukkig met zijn twee zonen, beiden rond de 70, die hem elke dag bezoeken. ‘Ze zeggen: al word je 150, we kunnen nooit terugbetalen wat je voor ons hebt betekend.’ Hij pleit hartstochtelijk voor een warm gezinsleven: ‘Toen onze jongens klein waren, aten we samen aan tafel. We praatten, we lachten en huilden samen. Tegenwoordig komen jongeren ’s middags thuis, ze krijgen 20 dollar om bij McDonald’s fastfood te kopen en zien hun ouders niet, want die hebben het te druk met hun werk. Of ze pakken thuis een stuk kip uit de koelkast en verdwijnen naar hun kamer om de rest van de dag achter de computer door te brengen.’

De opvoeding, dat is waar alles mee begint, het goede en het kwade. ‘Het begint met haat. Als je thuis zegt: ‘Ik haat de Joden’, dan zúllen je kinderen Joden haten.’

Juist die haat heeft hij afgezworen. ‘Ik werk er dagelijks aan om de wereld wat beter te maken. Dat de mensen bijvoorbeeld zeggen: ik mag hem niet, maar ik háát hem evenmin.’ Zoals mensen in relaties ook verdraagzamer zouden kunnen zijn. ‘Mijn vrouw vaart ’s ochtends weleens tegen me uit, met haar Griekse temperament. Daar reageer ik niet op, ik hou me rustig. Na een paar uurtjes draait ze bij en is het vergeten. Zo houden wij het samen vol tot ons einde. Ieder mens heeft een goede en minder mooie kant. Het is de kunst het goede van de ander te ontwikkelen en het slechte op afstand te houden. En onthoud: niemand is perfect.’

Elke ochtend als hij wakker wordt, realiseert hij zich: ‘Ik heb weer een nieuwe dag om van te genieten.’ Auschwitz heeft geen trauma’s nagelaten die hem uit zijn slaap houden: ‘De mensen die hun hele leven zijn blijven lijden, zijn nooit bevrijd. Hun verleden leeft ook in mij, maar ík heb wel mijn leven.’

Jaku wil niet haten, maar de naoorlogse Duitse geschiedenis zit hem nog altijd dwars. ‘In het kamp heb ik meegemaakt hoe een Duitse arts bij een gevangene zonder verdoving de lever wegsneed, om die rechtstreeks te plaatsen bij een soldaat in wiens lever een kogel zat. Per uur werden er 1.500 Joden vergast, ze werden verbrand in zulke moderne ovens dat zelfs van de botten alleen as resteerde.

‘Tegelijk bloeide Duitsland na de oorlog op, omdat de Amerikanen bang waren dat de communisten het land zouden overnemen. Hoge nazi’s zijn hun berechting ontsprongen en hebben in Zuid-Amerika in villa’s gewoond – waar kwam dat geld vandaan? Al die bedrijven die medeplichtig waren aan de moorden en de dwangarbeid: Siemens, Bosch Bayer, Mercedes, Krupp, ze zijn er nog steeds.’

Nooit zal hij snappen dat Joden met die wetenschap heden ten dage nog in Duitsland kunnen wonen: ‘De straten zijn doordrenkt van het Joodse bloed.’

null Beeld

Eddie Jaku: De gelukkigste man ter wereld. A.W. Bruna; 208 pagina’s; € 20,99.

Gezwegen tot 1972

Eddie Jaku schreef zijn boek pas als 100-jarige, nadat hij een indrukwekkende TedX-speech had gehouden in Sydney. The Happiest Man on Earth kwam uit in juli 2020. Sinds 1972 gaf Jaku op scholen al lezingen over zijn leven, maar voor die tijd had hij voornamelijk over de Holocaust gezwegen. ‘Ik wilde nooit tegen mijn kinderen zeggen: ‘Eet je bord leeg, want in Auschwitz hadden we niks.’ Als ze het eten niet lekker vonden, accepteerden we het gewoon.’ Hij ging pas op hoge leeftijd schrijven, omdat hij voordien naar eigen zeggen als werkgever en vader te veel verantwoordelijkheden had om de rust te vinden voor zijn autobiografie. Hij kreeg enige hulp bij grammatica en formuleringen. ‘Maar ook de eerste, handgeschreven versie was al goed.’

Meer over