interview

Arts Marcel Levi: ‘Na elk mediaoptreden krijg ik tien huwelijksaanzoeken’

null Beeld Eddo Hartmann
Beeld Eddo Hartmann

Tijdens de heftigste pieken van de coronacrisis gaf Marcel Levi (56) leiding aan zeventien ziekenhuizen in Londen en stond hij zelf ook als arts op de ic. Nu heeft hij gekozen voor de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek, al flirt hij ook met het ministerschap. ‘Ik zeg op alles ja, dan heb je een veel leuker leven.’

‘Marcel Levi? Weet u zeker dat u hier aan het juiste adres bent?’ De receptionist aan de balie van het NWO bladert vertwijfeld door haar systeem. De opmerking ‘is hij niet je baas?’ lijkt een belletje te doen rinkelen. ‘Neemt u maar even plaats.’

Op dat moment komt de hoogleraar geneeskunde, die driemaal werd uitgeroepen tot beste internist van het land, die jarenlang het AMC runde waarna hij Amsterdam vierenhalf jaar verruilde voor Londen om terug te keren voor het voorzitterschap van het NWO, vrolijk binnenstappen met één hand in zijn zak. Hij komt net terug van een bijeenkomst met demissionair minister van OCW, vertelt hij in de lift naar boven. ‘Mevrouw van Engelshoven, aardige vrouw.’

Zie je haar ook als collega? Want je naam als minister voor Volksgezondheid wordt vaak genoemd.

‘Veel mensen waren tijdens corona niet helemaal happy met de huidige minister. Op sociale media begonnen die toen allemaal te roepen dat ik het maar moest doen. Ik vond het wel een leuk compliment. De kans is inmiddels wel kleiner dan 1 procent, want ik ben lid van de PvdA.’

Maar zou je het willen?

‘Als iemand mij zou vragen of ik minister zou willen worden dan zou mijn antwoord zijn: ja, als ik een halve dag per week mijn poli mag blijven doen. Ook nu ik bij het NWO zit, draai ik nog eens per week mee in het ziekenhuis, in het AMC. Kennelijk ben ik er nog niet aan toe om het dokter-zijn helemaal los te laten. Ik vind het fijn om in de praktijk iets te doen, even geen beleidsmatig werk.’

In Londen gaf je leiding aan zeventien ziekenhuizen, maar liet je je ook, toen er personeelstekorten dreigden, inroosteren op de IC. Was dat de heftigste periode uit je carrière tot nu toe?

‘O absoluut. Zo veel stress heb ik nooit eerder in mijn leven gehad. Niet zozeer omdat ik met zoveel ernstig zieke mensen moest omgaan, dat ben ik gewend, daar slaap ik niet minder goed door, maar de stress zat hem erin dat hun familie niet bij ze kon zijn. Die moest ik bellen als het niet goed ging, en dan voelde je de paniek van die mensen door de telefoon of iPad heen. En ik trok me al het persoonlijke gedoe van mijn werknemers erg aan. Er werken daar twintigduizend mensen, maar ik moedigde iedereen altijd aan om mij wel te mailen als ze een probleem hadden. Dan kreeg ik ’s avonds een mailtje van een eerstehulparts die uit zijn huis was gegooid omdat ze bang waren dat hij corona zou meenemen. Van de ene op de andere dag stond hij op straat. Daar ging ik dan natuurlijk een oplossing voor verzinnen. Dus als ik na een 12-uurs dienst op de IC ook nog die problemen had opgelost en ’s avonds laat eindelijk thuiskwam, trilde ik op de bank nog wel even na.

‘Voor het eerst van mijn leven ging ik mijn vrije tijd bewust organiseren omdat ik bang was dat ik anders overspannen zou raken. Ik ging heel veel cakes bakken, gewoon, om even iets normaals te doen. En elke ochtend fietste ik rondjes in het park. Ik ben heel matineus, ik slaap mijn hele leven al vier, vijf uur per nacht, dus dan stond ik om 4 uur op, ging een uur fietsen, en om half 6 kwam ik dan aan op mijn werk. Als andere mensen begonnen, had ik er al tweeënhalf uur op zitten. Ieder mens is anders en sommigen hebben meer slaap nodig dan anderen – mijn vader, opa en broer doen precies hetzelfde dus wellicht speelt er een genetische component. Dat fietsen om 5 uur ’s ochtends beviel me trouwens zo goed dat ik het hier in Nederland nog steeds doe. Alleen gaat het NWO pas om 7 uur ’s ochtends open, dus werk ik daarvoor eerst thuis. Ik heb het eens uitgerekend: als je al die extra uren bij elkaar optelt krijg je er vijftien levensjaren bij.’

Maar wat een overgang van de hectiek in Londen naar dit adrenaline-loze kantoorleven.

‘Voor mij voelde het als een natuurlijke stap, ik vond het leuk om weer eens iets totaal anders te gaan doen. Al vond iedereen het wel erg jammer dat ik wegging. Dat is nu al de tweede keer dat ik dat meemaak, bij het AMC vertrok ik indertijd ook terwijl niemand het verwachtte. Het is moeilijk om op je hoogtepunt weg te gaan, maar toch moet je het doen. Want dan word je overladen met positieve feedback en complimentjes. Je wordt echt de hemel in geprezen.

‘Wat ook meespeelde om uit Londen te vertrekken, is dat ik het daar een asociale samenleving vind. De ongelijkheid is extreem. Je ziet op de spoedeisende hulp dingen waarvan je denkt: dit kan niet waar zijn in een West-Europees land. Mensen met zweren in de mond, scheurbuik. Of tumoren waar niets aan gedaan was, die gewoon uit het lichaam puilden. Ik stelde elke dienst op de spoedeisende hulp wel een of twee kankerdiagnoses – in Nederland is dat een zeldzaamheid, dat is al lang gedaan door de huisarts. Maar daar kwamen mensen die al weken bloed hoestten en het enorm benauwd hadden. Uit de eerste foto die je maakte, bleek dan dat ze een longtumor van hier naar de maan hadden. Als ik ’s avonds naar huis liep, leek het wel alsof ik over een camping liep. Overal tenten met gezinnen die op straat sliepen. Terwijl ik in een heel nette buurt woonde. Het ging me echt storen, ik zag mezelf daar niet tot het einde der tijden blijven. In Nederland was ik, zoals iedere Nederlander, altijd de godganse dag aan het mopperen, maar nu weet ik: Nederland is een paradijs.’

Wat is nu jouw missie, hier bij het NWO?

‘Er gaat in Nederland veel te weinig geld naar wetenschap, aan mij de taak daar verandering in te brengen. Want wetenschap, kennis en innovatie is de allerbeste manier om Nederland verder te brengen de komende jaren. We denken niet genoeg out of the box. We weten bijvoorbeeld dat we minder broeikasgassen moeten produceren en maken daar allemaal internationale afspraken over, maar voor iedere auto die we hier wegdoen, komen er in China tien bij, dus dat schiet niet op. We halen die doelen nooit zonder echt grote stappen terug te doen in de manier waarop we leven, en dat gaat natuurlijk nooit gebeuren. Maar nu was ik op bezoek bij het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee op Texel, waar een onderzoeker me vertelde dat 98,5 procent van al het koolzuurgas, wat voor CO2 zorgt, in de zee zit – dat kleeft aan de rotsen die onder het zeeoppervlak liggen. ‘Je moet eigenlijk een groot eiland tot ontploffing brengen, dan haal je je klimaatdoelen al’, legde hij uit. Want als je zo’n groot rotsblok in kleine brokstukjes kan doen veranderen, verdwijnt er meer koolzuur uit de atmosfeer. En toen kwamen we samen uit op Ibiza. Als je dat nou opblaast, dan sla je twee vliegen in één klap: je bent van dat ellendige eiland af én van het CO2-probleem, haha. Het is misschien geen oplossing voor morgen, maar het is wel een oplossingsrichting die ik gaaf vind omdat het een andere manier van denken is. En daar wil ik mensen op attenderen. Want alleen met onze e-bikes en e-auto’s gaan we er echt niet komen’

Dankzij corona kwamen wetenschappers meer dan ooit in beeld. Hoe heb jij dat ervaren?

‘Ik vond de communicatie veel te negatief. Ik vind dat dokters mensen juist troost moeten geven. Je hoeft het niet mooier te maken dan het is, maar je moet er wel positief in staan en een stip aan de horizon zetten. Ik hoorde Ernst Kuipers (hoogleraar, voorzitter van het Landelijk Netwerk Acute Zorg, red.) laatst verklaren dat er in het najaar 3.500 patiënten op de ic komen te liggen. Ik ken hem goed en waardeer hem zeer, maar als je dat zo zegt, schiet iedereen weer in de stress. Terwijl die 3.500 patiënten over de hele herfst- en winterperiode gespreid zullen zijn, en dat kunnen we makkelijk absorberen met de capaciteit die we hebben. Dus je moet uitkijken met hoe je communiceert in de media. En daar zijn we als dokters niet voor opgeleid. Als ik een praatje hou in ons doktersclubje zeg ik altijd: ‘We moeten met z’n allen op les om te leren hoe te communiceren. Want we kunnen het niet en we hebben het echt niet goed gedaan.’ Met al die negatieve berichten maak je de mensen die al bang zijn nog banger, en de mensen die er niet in geloven, nog bozer.’

Minister Hugo de Jonge was op zich wel optimistisch met zijn ‘dansen met Janssen’.

‘Dat is niet optimistisch, dat is dom. Maar ik ga verder niet al te kritisch zijn over De Jonge, iedereen loopt al op hem in te hakken. Hij doet heus zijn best, maar ik vind dat hij af en toe onverstandige dingen doet, en zijn communicatie is niet zo sterk.

‘Los van de communicatie vond ik corona wel een glorietijd voor de wetenschap. Dat virus was er, twee weken later hadden we het al geïdentificeerd, nog twee weken later was er een test die we nog steeds gebruiken, drie maanden later was er een vaccin in ontwikkeling – en dat werkt ook nog. Dat kan niet beter. Aan de andere kant werd pijnlijk duidelijk dat er ook een groeiende groep mensen is die helemaal niks heeft met wetenschap. Die zegt: wetenschap is ook maar een mening en ik vind iets anders. Maar ik vind het prima als mensen een andere mening hebben, ook als-ie nergens op slaat. Je moet die mensen ook niet proberen te overtuigen, want dat wordt een religieuze discussie. Tegen een gelovig iemand moet je ook niet zeggen dat er geen wetenschappelijk bewijs is dat God bestaat. Dan praat je een andere taal, dus je gaat nooit bijelkaar komen. Dat geldt ook voor mensen die geloven dat Bill Gates chips bij ons inspuit.’

null Beeld Eddo Hartmann
Beeld Eddo Hartmann

Geloof jij zelf in God?

‘Ja, ik ben joods.’

Dus geloven in de wetenschap en in het hiernamaals kan wat jou betreft wel samengaan?

‘O, dat zie je toch heel vaak? En je kunt op een heleboel manieren in God geloven. Veel mensen denken dat het een oude man is met een grijze baard die ergens op een wolk woont, daar heb ik wel mijn twijfels bij. Maar dat er een hogere macht is, vind ik een geruststellende gedachte. Aan de andere kant geloof ik ook in de oerknal. Misschien heeft God de oerknal wel bedacht.’

Stel dat je tegen alle verwachtingen in toch minister wordt en als een god mag bepalen hoe de volksgezondheid wordt geregeld, wat zou je dan veranderen?

‘Heel veel. Meer betrokkenheid tonen bijvoorbeeld. Ik heb het voor de grap eens geteld, bij 50 procent van de Kamervragen die de minister krijgt, is het antwoord: ‘Daar ga ik niet over, dat moeten de marktpartijen maar doen.’ Wat ben je dan voor flutminister! Je gaat er misschien niet over, maar je kan er toch wel een mening over hebben? Ik weet zeker dat je partijen bij elkaar kunt brengen door te zeggen: ‘Jullie gaan erover, maar ik vind eigenlijk dat het deze kant op moet.’ Maar dat is de laatste jaren gewoon niet gebeurd. Daarom is het zo’n moeras geworden waarin niemand een beslissing neemt. Echt, de lijst van dingen die ik zou willen veranderen is heel lang.’

Zowel je broer Alfred als je promotor en collega bij het AMC, hoogleraar Harry Buller, noemen je extreem ongeduldig. Zodra je met je been begint te wiebelen weten ze al hoe laat het is. Denk je dat je ongeduld je niet gaat opbreken in Den Haag?

‘Natuurlijk ga ik ongeduldig worden. Als een vergadering langer dan een uur duurt, ben ik er al klaar mee. Maar goed, dat is dan de consequentie van de keuze die je maakt. Toen ik uit Engeland hier naartoe kwam, ging m’n salaris er met de helft op achteruit. Zo heeft elke beslissing een consequentie. Ik lig er echt geen seconde wakker van, ik kan nog altijd lekkere kaas kopen voor op mijn brood. Ik denk niet dat je de hele ministerraad naar je hand kunt zetten, maar je kunt wel bij een lange vergadering op je departement zeggen: zo doen we het niet meer. Dat probeer ik hier bij NWO ook en de meeste mensen vinden het prima. En als ik zo naar de ministers kijk die in die Tweede Kamer de godganse dag op hun telefoon zitten, denk ik: jullie zijn niet heel erg aan het luisteren, dit is niet de meest efficiënte manier van gedachtewisseling. Daar zou ik graag iets in willen veranderen.’

Je broer vertelde dat jullie allebei de neiging hebben om veel op je bord te nemen.

‘Ik zeg op alles ja, dat is een beetje mijn levensfilosofie geworden. Dan heb je een veel leuker leven. Ik word voortdurend gevraagd klusjes te doen waar niks tegenover staat, maar – dat is een andere levensles die ik heb geleerd – er volgt altijd een beloning, al kan dat ook vijftien jaar later zijn.’

Een ander motto van je is: ‘winnen is belangrijker dan meedoen.’

‘Ja, maar dat mag ik nu niet meer zeggen, dan wordt iedereen op de universiteit boos. Dat zijn wel een tikje fijngevoelige types. Ik had in een column voor het NWO-krantje een parallel getrokken tussen topwetenschap en topsport. Wat heb ik daar een boze reacties op gehad zeg! ‘Hij is de Holleeder van de wetenschap’, las ik zelfs. Dat winnen belangrijker is dan meedoen, is natuurlijk een provocerende uitspraak, maar ik vind dat we in Nederland te veel opgeschoven zijn naar de kant waar meedoen al goed genoeg is. Het maakt niet uit dat je elke wedstrijd met 10-0 verliest, je deed toch je best. Ik sta iets anders in het leven, ik vind resultaat wel belangrijk. Als een werknemer bij mij komt en zegt: ik moest dit en dat doen, het is niet gelukt, maar ik heb wel heel hard gewerkt, denk ik: wat heb ik daaraan? Het ging erom dat het lukte. Ik snap ook wel dat dingen kunnen mislukken, alleen vind ik het dan geen goede verontschuldiging om te zeggen dat je er toch zo hard aan getrokken hebt.’

‘Maar ik heb die prestatiedrang misschien wel extreem, hoor. Als ik in mijn eentje een tochtje op de racefiets maak, tel ik hoeveel mensen mij ingehaald hebben en hoeveel ik er heb ingehaald. En als ik meer mensen heb ingehaald dan mensen mij, ben ik altijd heel blij. Kinderachtig hè?’

Heb je die prestatiedrang van huis uit meegekregen?

‘Ja. Ik heb heel leuke ouders, mijn vader is helaas overleden, maar die hebben ons bewust opgevoed met dat we iets moesten presteren. Zij hadden voor mijn broer, mijn zus en mij een lijst gemaakt met dingen die we moesten doen in ons leven. We moesten leren autorijden, leren bridgen, leren schaken – een heel scala aan zaken. Drie dingen van de hele lijst mochten we uitkiezen om niet te doen. Ik wilde bijvoorbeeld geen dansles. In de lijst stond ook dat je een teamsport moest doen, maar ik ben meer een tennisser en een fietser. Ik had alleen mijn drie wildcards al vergeven, dus toen ben ik maar gaan cricketten. Dat is in ieder geval nog de meest individuele sport die je kunt verzinnen, dacht ik, want je staat soms een uur in het veld niks te doen. Maar ik was er niet zo goed in. Ik kan niet gooien. Dat is een genetisch defect.’

Je broer vertelde dat je als jong hummeltje al liever op jezelf was dan dat je met de rest van het gezin meedeed. Dan gingen zij met zijn allen een spelletje doen en zat jij in je eentje op de prullenbak te lezen.

‘Ja, je hebt twee soorten mensen. Ik behoor tot het kamp van mensen die zichzelf goed kan vermaken met een boek. Of in mijn eentje op een fiets of gewoon in mijn uppie lopend door de stad. Maar ik ken ook veel mensen die niet alleen kunnen zijn. Als hun relatie stuk gaat hebben ze binnen een week een ander. Ik vind het juist fijn om alleen te zijn. Ik ga wel naar diners en feesten, maar na ongeveer een uur heb ik er weer genoeg van. Dan denk ik: nu ga ik lekker naar huis, hoor. Dan wil ik weer alleen zijn.’

Wil het daarom niet zo vlotten in de liefde?

‘Het is denk ik een combinatie van mijn ongeduld en dat ik snel ben uitgekeken. Dan wil ik weer wat anders. En kennelijk was het dan toch weer geen echte liefde, denk ik dan. In mijn werk stop ik wel op het hoogtepunt, bij relaties meestal ervóór al, haha. Ik ben niet zo goed in de liefde.’

Zit je wel eens op Tinder?

‘Nee zeg, alsjeblieft. Dat is zo’n vleesfabriek. Ik kom een heleboel leuke mensen tegen en daar ga ik ook wel mee uit, maar ja, dat is ongeveer waar het stopt. Ik vind het ook echt totaal niet erg. Een relatie past niet meer zo in mijn leven. Ik ben het gewend. Wat ik wel jammer vind, is dat er geen kinderen in mijn leven zijn. Dat mis ik wel. Gelukkig heb ik leuke neefjes en nichtjes met wie ik erg close ben, dus dat helpt een beetje.’

Ben je wel eens halsoverkop verliefd geweest?

‘O ja, maar dat duurt kort bij mij, daarna gaat het weer over. Het begint altijd met de gevleugelde uitdrukking: ‘Ik zie je nooit.’ Dan denk ik: oh god, zijn we alweer op dat punt beland? Dan ben ik er klaar mee.’

Harry Buller zei dat vrouwen soms stevig de jacht op je openen.

‘Ja, je wil niet weten wat ik allemaal heb meegemaakt. Na elke media-uiting krijg je meteen weer tien huwelijksaanzoeken. Ik ben er niet op uit om mensen te beledigen, maar soms dringen mensen zo aan dat je echt even duidelijk moet zijn en zeggen: “Dit komt van één kant, sorry.”’

Wat een goede afpoeier-quote.

‘Ik ben door schade en schande wijs geworden. Ik heb trouwens wel eens meegemaakt dat iemand dan toch nog boos werd. Ja, hallo, denk ik dan, het is niet dat ik je heb gedumpt. Maar zij waren dan in hun gedachten al verder, kennelijk.’

‘Ik vind het prima zoals het nu is. Ik heb een mooi huis, ik woon op mezelf, en ik ben een asiel voor vrienden bij wie het misgaat in hun relatie en die acuut onderdak nodig hebben. En als ik die ellende dan van nabij zie, ben ik altijd blij dat ik dat allemaal niet hoef.’

Maar zit er misschien ook ergens intimiteitsprobleempje bij jou? Je broer zei dat je niet makkelijk je gevoelens deelt, hij noemde je gereserveerd.

‘Ik ben gereserveerd, dat klopt, dat is een goed woord. Maar ik heb wel degelijk allerlei gevoelens en twijfels. Je wil niet weten hoe onzeker ik ben over een heleboel dingen, maar dat verwerk ik dan toch zelf.’

Heeft dat misschien met je achtergrond te maken? Veel joden spraken niet over wat ze in de oorlog hebben meegemaakt, waardoor hun kinderen niet gewend zijn om te praten.

‘Nee. Daar ontleen ik wel een heleboel andere dingen aan, maar dit toevallig niet.’

null Beeld Eddo Hartmann
Beeld Eddo Hartmann

Wat wel?

‘Er is in het joodse geloof veel gemeenschapszin, daar heb ik wel echt een enorme tik van meegekregen. De groep vind ik belangrijker dan mezelf. Je bent eigenlijk verplicht om tien procent van je inkomen weg te geven aan iemand die het minder goed heeft, vind ik. Die overtuiging heeft ook best een belangrijke plek gekregen in hoe ik in het leven sta.’

Zoals het weggeven van je nier aan een anonieme donor vijf jaar geleden?

‘Ja. Ik werkte samen met iemand die zei: ‘Ik ben er de komende twee maanden niet, want ik ga een nier weggeven, anoniem.’ Wauw, dacht ik, dat wil ik ook. En het past ook bij mij. Niemand zit thuis op mij te wachten. De kans dat het misgaat is natuurlijk minuscuul, maar als je twee kleine kinderen hebt, neem je geen enkel risico. Ik word er nog steeds blij van dat ik het gedaan heb. Er wordt aan degene die je nier krijgt niet verteld van wie hij afkomstig is, en ik vind het nog steeds leuk om erover te filosoferen wat er met mijn nier gebeurd is. Misschien doet-ie het niet meer, maar misschien doet hij het nog hartstikke goed doet en heeft diegene er een compleet nieuw leven door gekregen.’

Wat voor sporen heeft je joodse achtergrond nog meer nagelaten?

‘Zowel mijn broer en zus als ik zeggen best vaak: ‘de oorlog was er altijd.’ Mijn ouders hebben veel mensen verloren. Mijn moeder heeft twaalf onderduikadressen gehad tot ze uiteindelijk op een fijn adres kwam, maar tien ervoor waren dat helemaal niet. Dat leer je nooit tijdens geschiedenisles, maar er waren ook een heleboel mensen die het gewoon voor het geld deden, en de kinderen nauwelijks te eten gaven of ze zelfs mishandelden. Dat is natuurlijk traumatisch als je ook nog je ouders moet missen en niet weet of je die ooit nog gaat zien. Maar daar werd bij ons nooit over gesproken. Ik merk wel dat ik er een soort geldingsdrang door heb gekregen. Ik laat me niet zo maar wegzetten. Ik vind het belangrijk om te laten zien dat ik hier sta en wat ik kan. Die geldingsdrang kent haar oorsprong misschien in wat de Joden is overkomen in de Tweede Wereldoorlog.’

Als er thuis niet over werd gesproken, hoe is die geldingsdrang en het gevoel je niet te laten wegzetten dan toch bij jou ontstaan?

‘Dat zat in kleine dingetjes. Ik merkte dat het winnen van een wedstrijd best wel belangrijk was. Dat je iets moet bereiken in je leven. Dat je het op school goed moest doen. Waarom zou je tevreden zijn met een 6 als je ook een 8 kan halen? En je gaat toch je gedrag aanpassen aan wat je ouders graag willen. Als je merkt dat je ouders heel blij worden als jij een 8 haalt op school, dan denk je: nou, dan ga ik dus een 8 halen. Ik merkte dat mijn ouders een positie verwerven erg belangrijk vonden. Zij hadden sterk het gevoel: we laten ons niet nog een keer wegzetten, we gaan ons niet in een hoekje laten drukken. Daar ging ik aan meedoen.’

Heeft je vader daar op zijn sterfbed nog iets over gezegd?

‘Nee, de overwegende emotie was dat mijn vader heel trots op ons was en dat was ook wel iets – als ik eerlijk ben – om trots op te zijn. Mijn vader was een bekende huisarts in Amstelveen, die later ziekenhuisdirecteur werd en voorzitter van de doktersorganisatie KNMG, dus iedereen kende hem wel een beetje. Toen ik net als hij geneeskunde ging studeren, was ik het zoontje van Robert, maar op een gegeven moment draaide dat om, en werd hij de vader van Marcel. Mijn vader vond dat geweldig, terwijl ik juist het omgekeerde heb. Ik krijg mensen op mijn spreekuur die zeggen: ‘Uw vader heeft mijn bevalling nog gedaan, dat was zo’n leuke man’, nou, dan is mijn hele week goed.’

Was het een grote schok dat hij overleed?

‘We zagen het al lang aankomen. Hij had lymfeklierkanker, een erg trage vorm, dus het heeft tien jaar geduurd voor hij overleed. De dood van mijn vader is eigenlijk het enige nare wat ik heb meegemaakt. Verder heb ik een ontzettend fijn leven, vind ik. Ik werd een keer geassessed door een chic headhuntersbureau, dat moest van de Raad van Bestuur van het AMC, en als minpunt was opgeschreven dat ik nog nooit iets naars meegemaakt had in mijn leven. ‘Ja sorry hoor!’, zei ik. Alsof je mij kunt verwijten dat ik niet veel ellende heb meegemaakt.

‘Ik heb sindsdien filosofieën over geluk en pech ontwikkeld. Waarom heb ik nou zo veel geluk en andere mensen niet?, vroeg ik me af. Toen zei iemand, en dat is wel een filosofie die me aanspreekt: Geluk is gelijk verdeeld. Iedereen heeft gemiddeld net zo veel geluk en pech. Alleen sommige mensen zien het geluk en doen de deur open als het aanklopt. En andere mensen missen het en zeggen vervolgens: ik heb ook nooit geluk! Maar dat geluk was er wel, ze zagen het alleen niet.’

CV Marcel Levi

25 september 1964 Geboren in Amsterdam als tweede zoon van een huisarts.

1982-1989 Studie geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Blijft aan het AMC verbonden voor onderzoek naar het mechanisme van bloedstolling.

1990 Promoveert cum laude bij de UvA.

1991 Speciali­satie tot ­internist.

1997 Internist in het AMC.

2000 Hoogleraar interne geneeskunde aan het AMC en hoofd van de afdeling Interne geneeskunde.

2010 Voorzitter van de raad van bestuur AMC.

2016 Ceo van de University College London Hospitals.

2017 Ceo van veertien ziekenhuizen in ­Londen.

2021 Voorzitter van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

Marcel Levi woont in ­Amsterdam.

Meer over