Postuum1955-2021

Annemarie Cottaar wist dat je bij grote maatschappelijke thema’s de menselijke maat nooit uit het oog moet verliezen

Margriet Oostveen
null Beeld

Terwijl het publieke debat over migranten grimmiger werd, gaf historicus Annemarie Cottaar ze een menselijk gezicht, als een van de eersten die hun dagelijks leven hier vastlegden.

Ze werd in 1955 geboren in Amsterdam en groeide als nakomertje met een broer en zus op in Den Haag. Haar vader Jan Cottaar was sportverslaggever en presentator van het tv-programma Sport in Beeld, haar moeder huisvrouw. Annemarie ging naar de havo en daarna het avond-atheneum, waar ze Wim Willems ontmoette, zoon van een metselaar, die 47 jaar haar man zou blijven.

Al trouwden ze nooit en kregen ze ook geen kinderen, ‘daarvoor was Annemarie te veel een kind van de jaren zestig’, zegt Willems. Zij leefden schrijvend samen. Annemarie ontsloot een culturele wereld voor hem, ze las Foucault en na hun eerste nacht samen serveerde ze croissants, ‘ik vond dat allemaal enorm interessant en trok me aan haar op’.

Hun afstudeerscriptie in Leiden schreven ze al samen, over Indische Nederlanders. Dat werd een boekje, zo volgde meer, ook in samenwerking met Leo Lucassen, een vriend, die in Leiden hoogleraar migratiegeschiedenis zou worden. Wim Willems schopte het er tot hoogleraar sociale geschiedenis: ‘Maar Annemarie vond ons vaak te snel met onze theorievorming, zij was meer op mensen gericht.’

Annemarie Cottaar voelde zich in de wetenschap niet helemaal op haar plaats, maar ook niet in de journalistiek, het beroep van haar vader. Journalisten zien snel misstanden, terwijl zij juist het gewone leven wilde vastleggen. In 1996 promoveerde ze op haar onderzoek naar de geschiedenis van woonwagenbewoners. Later legde ze ervaringen van Surinaamse vrouwen die als verpleegster in Nederland kwamen werken vast in het boek Zusters uit Suriname, en beschreef ze door middel van interviews en archiefonderzoek de levens van Belgische, Italiaanse en Chinese migranten in Nederland.

Met Nadia Bouras en Fatiha Laouikili maakte ze een boek over de eerste Marokkaanse gastarbeiders, met een veelgeprezen tentoonstelling, die in 2009 per bus langs 17 dorpen en steden in de Rif zou reizen. Die stelde ze samen met Anne-Marie Boer, destijds curator van het Haagse Museon en al snel een hartsvriendin: ‘Annemarie had zo’n groot talent voor vriendschap, en ze wist altijd waar het leuk was, ik hoefde maar achter haar aan te lopen’.

Cottaar bedacht ook de nu veelgebruikte ‘spoorzoekersmethode’, die kinderen van migranten traint in het documenteren van hun eigen familiegeschiedenis. Ze bracht de documenten en privéfoto’s samen in het Historisch Beeldarchief Migranten, waar ze grote plannen mee had. Maar Cottaar kreeg longvlieskanker, al wist ze volgens alle statistieken onbestaanbaar lang in leven te blijven: pas na ruim tien jaar en 42 chemokuren overleed ze op 6 oktober. Ze deed overigens niet aan ‘valse stoerheid’, zei haar man op haar begrafenis, ‘zij bewoog als bamboe mee met de getijden’.

Haar jonge longarts Pepijn Brocken en zijn man werden ook goede vrienden, Cottaar was paranimf bij Brockens promotie en zei daar: ‘Jij kondigde het einde van mijn leven aan, maar trok me tegelijkertijd – onbewust – dat leven weer in.’ Brocken noemde haar een wonder en zij documenteerde hun vriendschap, zoals ze gewend was te doen, in een boek met hun correspondentie.

Zij vond dat juist grote maatschappelijke thema’s het verdienen de menselijke maat nooit uit het oog te verliezen. Kort voor haar overlijden in het Haga ziekenhuis is Annemarie Cottaar met opvallend liefdevolle zorg gewassen, toevallig net door een verpleegster uit Al Hoceima. Wim Willems: ‘Dat moment vatte eigenlijk haar hele leven samen.’

Meer over