Bericht uitParijs

Analoge appgroep in het trappenhuis

Daan Kool
Flat Daan Beeld Daan Kool
Flat DaanBeeld Daan Kool

Voor ik naar Parijs verhuisde, werd ik van verschillende kanten gewaarschuwd voor mijn aanstaande stadgenoten. Nederlandse vrienden toonden zich trouwe volgelingen van Annemarie Jorritsma en haar adagium ‘Frankrijk is een mooi land, jammer dat er Fransen wonen’. Franse kennissen meldden niet zonder trots dat ze zelden in Parijs kwamen. Ze zijn er kortaf, zeiden ze, en iedereen heeft er haast.

Dat van die haast klopte niet, merkte ik in de rij bij de supermarkt. En wie zijn koffie drie keer in hetzelfde café drinkt, wordt welkom geheten alsof hij al zijn hele leven vaste gast is. Bij de bakker op de hoek – om de een of andere reden zitten alle bakkers hier op de hoek – werd ik al snel herkend en joviaal begroet.

In onze flat is het een ander verhaal. Onze buren zijn stuk voor stuk uitermate beleefd, zeker, maar vooral afstandelijk. Men knikt elkaar in het voorbijgaan braaf toe, een binnensmonds uitgesproken bonjour of bonsoir kan er meestal ook nog wel af, maar vragen naar de vakantie is er niet bij. Het is geen achteloosheid, eerder een soort zelfverkozen distantie. Mijn buren zijn gesteld op hun anonimiteit. Knikken, mompelen, doorlopen.

Als er toch iets besproken moet worden, gebeurt dat door middel van handgeschreven briefjes, die worden bevestigd op de liftdeur op de begane grond. Soms een haastig neergepende verwensing – ‘Welke smeerkees heeft in het trappenhuis gekotst!?’ Maar er zijn ook bewoners die hele epistels ophangen. Het is een appgroep avant la lettre. Ik ken mijn buren niet bij naam, maar sommige wel bij handschrift.

Dankzij de briefjes weten we dat een van de bewoners geregeld pakketjes uit de gemeenschappelijke postbus jat. Omdat we niet weten wie de dader is, verdenken we elkaar allemaal. We knikken beleefd en denken: zou hij het zijn?

We weten dat de penetrante chemische lucht die we af en toe in het trappenhuis ruiken, wordt veroorzaakt door een mevrouw op de vijfde verdieping die panisch is voor ongedierte, en dientengevolge nogal kwistig met insecticide sproeit.

Onze flat was nog in de ban van de pakketjesjatter toen het volgende mysterie zich aandiende. Pal voor de ingang zagen mijn vriendin en ik een karkas van een ondefinieerbaar dier liggen. Snel keken we naar de liftdeur op de begane grond, hopend op het alles verklarende briefje, maar er hing niets.

Een week later was het weer raak. Dit keer lag er ook een schedel. Een hond, zei mijn vriendin resoluut. Er was inderdaad weinig fantasie voor nodig om de kop van een klein hondje in de schedel te zien. Moesten we de politie bellen? Ik twijfelde. Dat er een bottengooier in onze flat woonde was duidelijk. Maar een hondenmoordenaar?

We bekeken de schedel nog eens van dichtbij. Het gebit gaf de doorslag: rechte, platte tandjes. Geen hond, concludeerden we opgelucht. Maar wat dan wel? De rest van de avond googleden we cavia-, konijnen- en schapenschedels.

De volgende dag hing er een briefje op de deur van de lift. ‘Beste bewoners’, stond er, ‘zou degene die dode kippen uit het raam gooit, die voortaan in de afvalbak kunnen gooien?’

Meer over