Als we alles hebben, wat dan?

De globalisering zou tot welvaart voor iedereen moeten leiden. In werkelijkheid is het, aldus Larry Elliot, een op hol geslagen monster dat slechts geleid wordt door hebzucht....

D. H. LAWRENCE was in veel opzichten een 'groene' schrijver. Een steeds terugkerend thema in zijn romans is de wijze waarop de geïndustrialiseerde en gemechaniseerde wereld het leven uit de mensheid zoog.

De volgende scène uit zijn roman Women in Love is typerend. Ursula en Gudrun, twee zusters van in de twintig voelen zich aangetrokken tot twee mannen, Birkin en Gerald. Birkin staat duidelijk voor Lawrence zelf; Gerald is een industrieel die door de introductie van nieuwe werkmethoden de productiviteit in de kolenmijn van de familie wil opvoeren.

Op een dag zien de vrouwen Gerald een vijver over zwemmen. Ursula zegt: 'Als hij alles wat er verbeterd moet worden verbeterd heeft en er dus niets meer te verbeteren valt, dan is zijn tijd gekomen. Maar hij heeft in ieder geval gedrevenheid.'

'Dat heeft hij zeker', zegt Gudrun. 'Eigenlijk heb ik nog nooit een man gezien die zo gedreven is. Het punt is wel waar al die gedrevenheid toe zal leiden; waar draait het allemaal op uit?' Uiteindelijk sterft Gerald, symbool van het machine-tijdperk, in de koude leegte van de hoge Alpen.

Het is niet zo'n subtiele metafoor, maar dat was ook niet de bedoeling van Lawrence. Tachtig jaar later is de metafoor echter nog steeds relevant. Als we de laatste, jaarlijkse bijeenkomst van de Wereldbank en het Internationaal Monetaire Fonds in ogenschouw nemen, dan zou Lawrence ongetwijfeld over de globalisering hebben gezegd: 'Waar moet al deze gedrevenheid toe leiden?'

Wij zijn allemaal welvarender - en sommigen onder ons veel welvarender - dan men ten tijde van Lawrence was. En zouden wij werkelijk terug willen naar het niveau van voeding, medische hulp en tandheelkunde waar onze grootouders het mee moesten doen? Het antwoord is vrijwel zeker nee. Wij zouden ook onze televisie, video, auto, cd's en buitenlandse reizen niet graag opgeven.

Elke criticus zal moeten erkennen dat het westerse kapitalisme, gebaseerd op technologische vooruitgang en een nietsontziende dynamiek, wel iets heeft. Meer dan zijn voornaamste rivaal uit de twintigste eeuw, de op Sovjet-leest geschoeide planeconomie.

Dit is ook de boodschap van het IMF, de Wereldbank en de G 7. Overal zegeviert de westerse variant van het kapitalisme, waarbij het geld zichzelf over de aardbol achterna zit. En toch, zoals Charles Handy het in zijn nieuwste boek The Hungry Spirit verwoordt, 'heerst er in het Westen een ongemakkelijk gevoel dat het niet allemaal is zoals wij zeggen. Wij zijn de gevangenen van de geld-mythe geworden.'

Geld, zo voegt Handy eraan toe, is een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde voor geluk. Het is erg als je het niet hebt, maar als je er eenmaal voldoende van bezit, maakt het niet uit of je nog meer krijgt.

Het komt er eenvoudigweg op neer dat de globalisering een verkeerde toekomstverwachting schept. Vorige maand bejubelde de Wereldbank in haar rapport over China de economische transformatie die dat land heeft ondergaan sinds de vrije markteconomie werd omarmd.

China heeft de potentie om tegen 2020 het op één na rijkste land ter wereld te worden. Toch moeten we daarbij één ding goed bedenken. Er rijden in China nu niet meer dan twee miljoen auto's rond, één op de 700 mensen. In Amerika is die verhouding 1 op 1,7. Wat zullen de gevolgen zijn voor het milieu en de energievoorraden als China hetzelfde welvaartspeil nastreeft? Waarom echter zou China zijn bevolking materiële genoegens onthouden als de VS doorgaan met benzine slurpen?

Gandhi deed over deze kwestie de volgende wijze uitspraak. De aarde, zei hij, 'verschaft genoeg om tegemoet te komen aan ieders behoefte, maar niet aan ieders hebzucht.' Het probleem is dat de globalisering louter en alleen is gebaseerd op hebzucht.

Het marktmechanisme gaat er van uit dat alles kan worden opgelost langs de weg van de prijsvorming. Pas als het eenmaal winstgevend wordt om de vervuiling terug te dringen, zal dat gebeuren. Helaas weet niemand wanneer het sein daarvoor gegeven zal worden, noch of er op dat moment nog iemand in leven zal zijn om dat sein op te vangen.

De realiteit is, zoals de Amerikaanse schrijver William Greider in zijn nieuwe boek One World, Ready or Not beschrijft, dat globalisering een voertuig is met deskundige mensen aan boord, maar met niemand aan het stuur.

'In wezen heeft dit voertuig geen stuur, noch een bestuurder om de snelheid en richting te bepalen. Het blijft overeind door zijn eigen voorwaartse beweging, voornamelijk geleid door zijn eigen voorkeuren. En het gaat steeds sneller.'

De politici zijn zich hiervan bewust. Velen van hen vinden dit verontrustend. Maar het algemene gevoel is dat van berusting: er kan niets aan worden gedaan om dit monster tegen te houden en als dat wel zo was dan zouden de kiezers het niet accepteren.

Dit is echter een zwaktebod. Globalisering vindt niet in een vacuüm plaats. Het ontstaat in de nationale staten, en die kunnen, als zij dat willen, zelf maatregelen nemen om de gevolgen te beheersen. Er bestaat geen rationele reden waarom men geen beperkingen zou kunnen opleggen aan internationale kapitaalstromen als de wil daartoe aanwezig is.

Op de laatste jaarvergadering werd er door het IMF en de Wereldbank afkeurend gesnoven toen de Maleisische premier Mahathir Mohammed opriep om internationale valutaspeculaties te verbieden.

Vorige week zondag zei de Amerikaanse minister van Financiën Robert Rubin dat de beroering in Zuidoost-Azië de trend naar financiële globalisering niet moet doen omkeren, een opmerking die te verwachten was van een voormalig Wall Street financier.

Maar terwijl vrij kapitaalverkeer ongetwijfeld een elite heeft verrijkt, is dat wel ten koste gegaan van wilde en onnodige koersschommelingen die de groeipercentages hebben doen verminderen, de werkeloosheid hebben vergroot en een fundamentele oorzaak van toenemende ongelijkheid zijn geweest.

Interessant is ook dat Rubin en zijn vrienden zich alleen sterk maken voor de vrijheid en mobiliteit van kapitaal, maar niet van werknemers.

Houdingen veranderen langzaam, maar de kiezers, althans die in het Westen, beginnen nu ook de vragen te stellen die eerder al door Lawrence, Schumacher en Gandhi gesteld zijn.

In Women in Love vraagt Birkin op een gegeven moment aan Gerald: 'Waar bestaat jouw werk nu eigenlijk uit? Elke dag zoveel duizend ton steenkool uit de aarde halen? En als we genoeg steenkool hebben en genoeg pluche meubelen en piano's en als alle konijnen gestoofd en opgegeten zijn en we het allemaal lekker warm hebben en we met onze buikjes vol zitten te luisteren naar de jonge dame die voor ons op de piano speelt - wat dan?'

Ja, inderdaad, wat dan?

Larry Elliott is redacteur van The Guardian.

The Guardian/de Volkskrant

Vertaling: Duck Obbink.

Meer over