Zinvol levenSchrijver Oek de Jong

‘Als schrijver wil ik alles zien, niets uit de weg gaan’

Oek de Jong: ‘Iedereen maakt zijn eigen verhaal, zijn eigen biografie, hoe beperkt ook.’ Beeld Jitske Schols
Oek de Jong: ‘Iedereen maakt zijn eigen verhaal, zijn eigen biografie, hoe beperkt ook.’Beeld Jitske Schols

‘Als literair auteur ga ik op expeditie in een gebied dat ik nog niet ken: het onderbewuste.’ Dat zichtbaar maken, is voor Oek de Jong het fundament van zijn schrijverschap.

‘Om tien uur ’s ochtends begin ik met schrijven, rond een uur of drie in de middag stop ik. Belangrijk is dat in diepe concentratie de wereld er niet meer is. Het is een goede dag wanneer er in die vijf uur iets op papier komt wat ik totaal niet had kunnen voorspellen.’

Op 68-jarige leeftijd pakt Oek de Jong zijn schrijverschap bepaald anders aan dan vroeger, toen hij Opwaaiende Zomerjurken (1979), zijn succesvolle debuutroman, en Cirkel in het Gras (1985) schreef: ‘In die jaren bedreef ik jarenlang topsport door veertien dagen onafgebroken te werken, levend op espresso’s en sigaretten. Na zo’n periode liep ik een dag wezenloos door de stad, waarna ik weer doorging. Schrijven was de weg die ik insloeg als antwoord op wat ik als een zeer problematische jeugd zag. Maar over die tijd voel ik nu geen spanningen meer.’

In zijn kinderjaren bevindt hij zich, ‘zoals zoveel schrijvers’, in de positie van buitenstaander: ‘Tot mijn 15de ervoer ik eenzaamheid en isolement, ook in ons gezin.’ Zijn opvoeding is gereformeerd, ‘maar gelukkig niet in de benauwende zin van Wolkers en ’t Hart’. Zijn vader zet hem op het spoor van literatuur en muziek – een ‘zachtaardige man’, rector op Oeks Zeeuwse middelbare school en later ARP-staatssecretaris voor Onderwijs: ‘Hij was een man die altijd werkte, dat is zeker een voorbeeld voor mij geweest.’ Terwijl zijn vader afwezig is, komt zijn moeder met haar ‘dominante karakter’ zeer nabij: ‘De invloed die een moeder vanaf de eerste dag woordloos op haar kinderen heeft, is haast beangstigend. De mijne heeft haar mensenschuwheid op mij overgedragen. Dat is lang een probleem geweest – eerst het onderkennen ervan, vervolgens het ervan af komen’.

Zijn jeugd verwerkt hij in de jaren tachtig, na de publicatie van Cirkel in het gras. Aan zijn monomane schrijven houdt hij een burn-out over, uitmondend in een jarenlange ‘odyssee’ vol depressie. Daar wil hij op eigen kracht uitkomen, zonder gebruikmaking van antidepressiva: ‘Ik wilde het begrijpen, het labyrint in. Het werd een tocht waar geen einde aan scheen te komen, met perioden van grote wanhoop, die uiteindelijk toch ook zinvol en vruchtbaar is gebleken’.

Met twee novellen, gebundeld in De Inktvis (1993), maakt hij zijn comeback. Literaire critici zijn genadeloos voor de mystieke inhoud van dat werk, maar zijn lezers laten hem niet in de steek. Zijn romans worden telkens bestsellers: Hokwerda’s kind (2002), Pier en Oceaan (2012) en Zwarte Schuur (2019). Voor grote literaire prijzen ontvangt hij keer op keer nominaties, dit jaar valt hem eindelijk eens de hoofdprijs ten deel: met Zwarte Schuur wint hij de Boekenbon Literatuurprijs (voorheen AKO Literatuurprijs). Vrijwel gelijktijdig is Het glanzend zwart van mosselen verschenen, een bundeling essays van de voorbije veertig jaar: ‘Die zijn door allerlei toevalligheden ontstaan, maar er zit veel consistentie in – het bevat mijn denkwereld, mijn constructie van de werkelijkheid. Zo maakt iedereen zijn eigen verhaal, zijn eigen biografie, hoe beperkt ook. Een mens heeft dat absoluut nodig.’

Wat is voor u een zinvol leven?

‘Voor mij gaat het niet om zinvol of zinloos, maar om de vraag: sta je wel of niet in het leven? Sta je in de levensstroom of erbuiten? Maak je daar geen deel van uit dan ben je afgesneden. Zit je erin en voel je wel verbinding, dan maak je deel uit van de wereld en is de zin gegeven. De vraag naar de zin vind ik overigens niet onbelangrijk, want hij kan helpen je ervan bewust te zijn hoe je het beste kunt leven. Er zijn enkele grote gebieden waar ik de zin in zoek. Dat begint bij het schrijven, maar er is ook mijn huwelijk met Jeanne dat ik als een groot avontuur ervaar. Zij is ongelofelijk vitaal, elke ochtend wordt ze blij wakker, het is haast niet te geloven. Zij heeft me uit mijn zwarte periode geleid. Dus de liefde geeft zin, maar ook vriendschappen vormen een stabiliserende factor. Net als de natuur, ik ben een buitenmens en werk graag met mijn handen. Het lichamelijke is voor mij de basis. Iedereen weet dat je vanuit het lichaam de geest beïnvloedt.’

Schrijft u voor uzelf of met het oog op anderen?

‘In het begin stond het mezelf exploreren voorop. Het schrijven was iets waar ik na mijn jeugd een sterke noodzaak toe voelde. Het was een weg die ik haast instinctmatig insloeg om die jeugd te boven te komen, als een paard dat weet dat het bepaalde kruiden moet eten om zichzelf te genezen. Ik moest contact maken met wat er in me leefde en daar uitdrukking aan geven. Dat is toen mijn redding geweest.

Tegelijk had ik de naïeve hoop dat een roman zou helpen mijn isolement te doorbreken, omdat anderen mij er beter door zouden begrijpen - Opwaaiende Zomerjurken was een gecodeerde boodschap aan de buitenwereld. Pas later besefte ik dat mensen zo niet lezen. Maar het ging me destijds dus ook om me te verbinden met anderen. Dat is in de loop der jaren steeds belangrijker geworden. Inmiddels zie ik mijn schrijven als een bescheiden gift aan de samenleving. Vanaf een zeker moment wil je dat het niet alleen maar om jou draait, maar dat het ook bijdraagt aan het geheel.’

Waar bestaat die gift uit?

‘Alleen de literatuur kan zo diep in de menselijke geest afdalen - ik laat mijn camera in een personage zakken en registreer wat zich daar afspeelt. Met mededogen, maar ook met de klinische blik van een arts. Ik maak zichtbaar hoe onze geest werkt en probeer een scherpe, realistische kijk op de mens te geven: wie hij is, wat hij doet. Alles zien, niets uit de weg gaan, dat vind ik extreem belangrijk.’

‘Als schrijver daal je af in je onderbewuste. Bij mijn eerste romans heb ik dat volkomen intuïtief gedaan. De grote ontdekking na de verschijning van Opwaaiende Zomerjurken was dat het materiaal dat ik uit mijn onderbewuste naar boven had gebracht zoveel mensen bleek aan te spreken. Wat ik aan driften en verwarring had aangetroffen, bleek te worden herkend. Dat was een eyeopener voor me. Ik dacht dat het ging om zeer private gevoelens, maar kwam erachter dat iedereen daarmee rondloopt. Dat gaf me een heel andere, diepere blik op mensen. Dat niet-weten wat zich in ons onderbewuste afspeelt is kenmerkend voor de menselijke conditie. Dankzij het creatieve proces valt de inhoud ervan te openbaren.’

‘Een schrijver komt pas in een interessant gebied als hij niet weet wat hem overkomt. Dat is waarin mijn schrijven zich onderscheidt van het commerciële schrijven. De commerciële schrijver weet wat hij doet: hij is bezig met cliffhangers, het achterhouden van informatie, met doelbewuste strategieën. Maar als literair auteur ga ik op expeditie in een gebied dat ik nog niet ken in de grote black-box - het onderbewuste, waarvan we nog altijd zo weinig weten hoe het werkt. Mijn schrijven is op dat niet-weten gefundeerd.’

‘Het is een subtiele gift. Met mijn romans hoop ik een empathische, genuanceerde kijk op anderen te bevorderen. Niet dat ik met dit idee schrijf, zeker niet, maar daar kom ik op uit als je vraagt welk effect mijn werk kan hebben. Als het goed is, schept een roman samenhang in de wereld, biedt het een groot verhaal en bevat het impliciet een waardensysteem over alle grote thema’s: wat is liefde, mededogen, schuld? Filosofen zeggen daarover interessante dingen, historici laten de grote processen zien – romanschrijvers nemen individuele lotgevallen om inzicht in de menselijke conditie te geven’.

Maar hoe pakt u dat precies aan?

‘Een belangrijke voorwaarde is: niet oordelen. Dat is gemakkelijk gezegd, maar in de praktijk lastig, omdat een oordeel zo snel is geveld. In Zwarte Schuur zit een aan heroïne verslaafde vrouw. Het is gemakkelijk haar weg te zetten, maar ik kijk naar haar met empathie. Zodra je oordeelt, snij je de verbinding met de ander door. Terwijl een samenleving niets anders is dan die verbindingen met anderen. Door te oordelen zet je jezelf klem, sluit je jezelf af, koker je de werkelijkheid. Het belang van niet oordelen tref je aan in allerlei wijsgerige tradities als een middel voor innerlijke scholing. Ik ken het vooral van het taoïsme. Oordelen is vaak een verdedigingsmechanisme tegen mensen of dingen die je als bedreigend ervaart. Naarmate je daar minder last van hebt, ga je minder oordelen – mijn vermogen daartoe ontwikkelt zich nog altijd. De kunst is het leven onbevooroordeeld aan te gaan – een houding van niet-weten die je in het dagelijks leven in de praktijk kunt brengen. Dan kun je alles zien.’

Heeft u dat ‘alles willen zien’ ook op uzelf toegepast?

‘Zeker, dat kan niet anders. Wat je in jezelf niet kunt zien of herkennen, kun je ook bij anderen niet opmerken. Als je het kwaad in jezelf niet hebt doorgrond, kun je dat bij een ander hooguit oppervlakkig waarnemen. Wil je weten waarom het kwaad in de wereld bestaat, waarom mensen zijn zoals ze zijn, dan kom je daar alleen achter als je ook bij jezelf naar binnen hebt gekeken.’

Wat zijn uw bevindingen?

‘De mens lijdt aan permanente zelfoverschatting, zoals Montaigne al in de 16de eeuw uiteenzette – zie zijn beschouwingen over ons beoordelingsvermogen. We lopen in het donker met alleen de lichtbundel van een zaklamp voor ons uit. Bij alles wat je doet is het zinvol dat te beseffen. Montaigne is een van de levensfilosofen die ik nog altijd graag lees – in mijn donkere periode heb ik veel over levensfilosofie gelezen, nu wil ik het vooral praktiseren.

‘Wat ik zo prachtig bij Montaigne vind is dat hij destijds al over de intelligentie en gevoeligheid van dieren schreef om te laten zien hoe beperkt de mens is. Vooruitgang is voor mij een relatief begrip. Op basis van 2.500 jaar literatuur heb ik het inzicht verworven dat we als mensheid blijven ronddraaien in het rad van goed en kwaad. Dat is voor mij de kern, al boeken we enige vooruitgang. Alleen bewustwording kan ons helpen, filosofen bepleiten dat al eeuwen. Praktisch vertaald betekent dat onderwijs, onderwijs, onderwijs. Leren inzien wie je bent en hoe je met anderen omgaat. Eerlijkheid ten opzichte van jezelf, daar gaat het om.’

boekentip

De Essays, Montaigne

‘De essays zitten boordevol inzicht, enkele zinnen kunnen mij al inspireren. Ik heb vertrouwen in Montaignes woorden, omdat hij schrijft op basis van een schat aan levenservaring: hij was wijnboer en kasteelheer; hij was burgemeester van Bordeaux en leefde aan het hof, maar zat ook gevangen en zag zijn kinderen sterven. Niettemin bleef zijn geest altijd sterk en helder. Met Montaigne raak je bevriend.’

Na zijn serie over de zin van het leven ging Fokke Obbema dit jaar in een nieuwe reeks op zoek naar het antwoord op de vraag: wat is voor u een zinvol leven? Dit is de laatste aflevering. Op deze overzichtspagina leest u alle voorgaande gesprekken in deze serie.

Meer over