‘Als ik terug moet, ga ik bij Al Qaida’

In Falluja, de Iraakse wijk van Damascus, dromen gevluchte Irakezen massaal van een terugkeer naar huis...

Van onze correspondent Ferry Biedermann

Damascus De Iraakse president Jalal Talabani is niet erg populair in Falluja, niet het voormalige bolwerk van soennitische fundamentalisten in Irak maar een wijk in Damascus die vrijwel is overgenomen door Iraakse vluchtelingen en daarmee de bijnaam heeft verdiend.

‘Geen commentaar’, zegt de onofficiële Iraakse ‘burgemeester’ van het nieuwe Falluja als hem wordt gevraagd naar het bezoek dat zijn president deze week aan Damascus brengt. Maar anderen zijn minder terughoudend over de machthebbers in hun land. ‘Het zijn allemaal verraders’, roept een man. Een vrouw zegt zachtjes: ‘Voor mij is Saddam Hussein nog altijd de president.’

Ze zijn vooral woedend dat de regering niet in staat is de veiligheid in Irak te garanderen, de reden dat ze zijn gevlucht. En er heerst nu ook de angst dat de toenadering tussen Syrië en Irak kan leiden tot druk op hen om terug te keren. De Syrische en Iraakse autoriteiten hebben al beperkte stappen genomen om het moeilijker voor de vluchtelingen te maken hun visa en paspoorten te vernieuwen in Syrië.

De exodus van Irakezen die het toenemende geweld in hun land ontvluchten heeft dramatische proporties aangenomen. De VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR, schat dat twee miljoen Irakezen hun land hebben verlaten en nog eens 1,7 miljoen in eigen land op de vlucht zijn.

De meesten zoeken een veilig heenkomen in de Arabische buurlanden zoals Jordanië en sinds dat land de toegangscriteria heeft aangescherpt, vooral Syrië. De UNHCR in Damascus schat dat er tussen een half miljoen en een miljoen Irakezen in het land verblijven, met de meest waarschijnlijk schatting op 700 duizend. Zowel Syrië als Jordanië had al een aanzienlijk aantal Iraakse vluchtelingen opgenomen voordat de invasie van Irak in 2003 plaatsvond.

De UNHCR vroeg de internationale gemeenschap eerder deze maand om 60 miljoen dollar aan noodhulp voor de vluchtelingen, waarvan een kwart bedoeld om de Irakezen in Syrië te steunen. Een deel van het geld zal direct naar de Syrische ministeries van Onderwijs en Gezondheidszorg gaan. Scholen in wijken met veel vluchtelingen staan onder grote druk en de regering heeft de gratis toegang tot ziekenhuizen beperkt voor Irakezen.

De UNHCR hoopt dat de internationale erkenning dat er een probleem is, moeilijkheden voor de vluchtelingen in Syrië kan helpen voorkomen, zegt Laurens Jolles, de chef van de UNHCR in Damascus. Hij zegt dat het begint te ‘rommelen’ onder de Syriërs omdat de vluchtelingen een grote belasting beginnen te vormen voor de infrastructuur en de diensten.

Dat is normaal in zulke situaties, haast hij zich te zeggen en Syrië heeft de minste beperkingen opgelegd aan de Iraakse vluchtelingen van alle landen in de regio. De Irakezen lijken zich thuis te voelen in het buurland. In Falluja, in werkelijkheid een stuk van de grotendeels christelijke wijk Jeramana, hebben ze onder meer hun eigen Iraakse cafés, restaurants, bakkers en taxibedrijven die naar Bagdad pendelen.

De eigenaar van taxibedrijf Ahed zegt dat er veel meer auto’s met vluchtelingen uit Irak komen dan er terug gaan. Bij de grensovergang Tanf komen meer dan honderd auto’s per dag uit Irak de grens over, zegt hij. De prijs voor een rit van Bagdad naar Damascus is de afgelopen maanden verdubbeld en kost nu 500 dollar. Vanuit Damascus kost de rit 300 dollar. Hij zegt dat er een duidelijke toename in de vluchtelingenstroom is te bespeuren, vooral sinds de regering van premier Nouri al-Maliki in mei aan de macht is gekomen.

Ook de UNHCR signaleert een sterke groei van het aantal vluchtelingen, maar legt de oorsprong bij de aanval op de sjiitische heilige moskee in Samara in februari vorig jaar, wat leidde tot meer sjiitische aanvallen op soennieten. De recentere vluchtelingen zijn ook minder financieel draagkrachtig en de UNHCR maakt zich zorgen over wat er gaat gebeuren als hun geld op is.

Amer Shaker al-Dulaimi werkte als bakker in Bagdad en is nu werkloos in Falluja in Damascus. Hij is in november aangekomen en heeft nog maar voor een maand geld over. ‘Wat moet ik doen? Als ik terug moet naar Irak dan ga ik bij Al Qaida.’

Veel van de nieuwkomers zijn soennieten die vertellen hoe ze door sjiitische milities uit hun huizen zijn gejaagd. ‘Eerst werden drie van mijn neven gedood, een tijd later mijn broer en toen dreigden ze de rest van mijn familie ook te doden’, zegt een man uit Bagdad die de toekomst van zijn land somber inziet.

Veel Irakezen willen graag door naar andere, bij voorkeur westerse, landen, maar dat is vrijwel onmogelijk. De UNHCR begint binnenkort wel met een programma om de kwetsbaarste groepen verder te helpen. Een groot deel van de Irakezen wil echter op den duur wel weer terug, als de situatie beter is. Zij komen met honderden tegelijk naar een toneelstuk dat dagelijks wordt opgevoerd in het centrum van Damascus, met bekende Iraakse acteurs. ‘We missen alles van Irak: het eten, de mensen, de cultuur’, zegt een bezoeker. Voor het stuk begint, klinkt er een Iraaks lied over de luidsprekers: ‘Paradijs, paradijs, Irak is het paradijs. Zelfs als het brandt is Irak het paradijs.’

Het stuk, een komedie, heet toepasselijk ‘Heimwee’ en neemt nieuwe Iraakse satelliettv-zenders op de hak die vanuit het buitenland berichten over de situatie in het land. Aan het eind roepen de acteurs het publiek op terug te gaan naar Irak.

Maar, zegt Amer Jihad, een van de hoofdrolspelers, ‘we weten dat dat op het moment niet realistisch is. We kunnen in de huidige situatie niet eens een toneelstuk opvoeren in Bagdad.’

Meer over