GeneratiegesprekAmara van der Elst en Yolanda Meivogel

‘Als ik hoor wat voor nare dingen Amara meemaakt, lijkt het soms of de tijd teruggaat in plaats van vooruit’

Afkomst, racisme en identiteit spelen een belangrijke rol in het leven en werk van spokenwordartiest Amara van der Elst (19). Haar moeder Yolanda Meivogel (56) is daar eigenlijk nooit zo mee bezig geweest. ‘Het is maar net wie je tegenkomt, denk ik. En waar je bent.’

Amara van der Elst is danseres, spokenword­dichter en winnaar van een Kunstbende-talentenjacht in 2020. Haar moeder Yolanda Meivogel werkt in de dak­lozenopvang bij de Kessler Stichting. Beeld Sanne De Wilde
Amara van der Elst is danseres, spokenword­dichter en winnaar van een Kunstbende-talentenjacht in 2020. Haar moeder Yolanda Meivogel werkt in de dak­lozenopvang bij de Kessler Stichting.Beeld Sanne De Wilde

Amara van der Elst (19) en haar moeder Yolanda Meivogel (56) waren begin april onderweg naar de Kentucky Fried Chicken toen ze een telefoontje kregen van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Het comité was op zoek naar een dichter voor de dodenherdenking en vroeg zich af of Amara, danseres, spokenworddichter en winnaar van een Kunstbende-talentenjacht in 2020, daar nog voor in was.

Een dag eerder had ze, na aansporing van een vriendin, een mail gestuurd naar het comité. Ze was een geschikte kandidaat om op de beladen dag voor te dragen, schreef ze. Als kind van een Indische moeder en een Nederlandse vader vertegenwoordigt ze twee ‘historische verhaallijnen’. Daar wilde ze iets over vertellen, en over ‘mentale littekens’, die geen sporen op de huid achterlaten.

Dus ja, zei ze aan de telefoon, uiteraard wilde ze op 4 mei voordragen.

Nadat ze had opgehangen, vroeg ze zich ineens af: om welke dodenherdenking ging het precies? Er worden zoveel evenementen op die dag gehouden. Is het misschien, vroeg haar moeder, de Nationale Dodenherdenking die elk jaar met groot ceremonieel vertoon op de Dam wordt gehouden?

‘Ik dacht eerst: neuh, spoken word krijgt vast nooit zo’n groot podium’, blikt Amara op een vrijdagochtend terug. ‘We lieten dat idee eigenlijk snel los, toch?’, zegt Yolanda. ‘Zo van, we zien wel.’

Pas tijdens een Zoomvergadering met het comité werd Amara duidelijk dat het wel degelijk om de nationale herdenking ging. Opeens hadden ze het over ‘de Dam’ en ‘de koning’ en toen vielen de puzzelstukjes op hun plek.

Twee weken later at Amara op 4 mei backstage stamppot met komiek André van Duin, die gevraagd was om op de Dam te spreken over vrijheid. Het was een grauwe, regenachtige dag, maar tijdens de toespraken bleef het droog. Amara hield voor koning Willem-Alexander en koningin Máxima, premier Mark Rutte en de 6,3 miljoen kijkers thuis haar voordracht. Met kalme handgebaren dichtte ze: hoe bij haar ‘twee verhaallijnen door mijn bloed stromen/ waar Indo en Nederlander in één lichaam samenkomen’.

De eerste zinnen van het gedicht bedacht Amara tijdens een wandeling van de bushalte naar huis. ‘Waar woorden tekortschieten/ raakt de waarheid het hardst’. Daarna volgde ‘in één keer’ de rest en had ze een gedicht op papier dat verhaalt over een pijnlijk verleden dat doorwerkt in het heden. ‘Soms willen we alles maar loslaten/ Maar wanneer we de handen openvouwen/ Zien we niet wat we allemaal op ons rug dragen/ De rouw zelfs voor onszelf onzichtbaar geworden/ De wonden ondichtbaar’.

Was u als moeder plaatsvervangend zenuwachtig?

‘Nee, want ik weet wel dat zij het aankan. Ik was meer zenuwachtig of het wel droog bleef, dat soort dingen. De randvoorwaarden.’

Wat deed het u dat ze daar op die plek stond?

‘Ze treedt al langer op, maar dan met dans, dus dat ben ik wel gewend. Wel zag ik aan de gezichten op de Dam dat haar optreden echt wat deed bij mensen. Normaal zie je dat wel in kleine kring, maar nu ook daarbuiten.’

We spreken moeder en dochter aan de keukentafel in het ouderlijk huis in de groene en autoluwe nieuwbouwbuurt in het zuidwesten van Den Haag. Yolanda Meivogel, een vrouw van Indische afkomst, werkt in de daklozenopvang bij de Kessler Stichting, waar ze mensen begeleidt naar verdere hulpverlening en huisvesting. ‘Vaak willen ze geen hulp, daarom zijn ze ook in zo’n situatie beland. Ik ben degene die ze moet overtuigen.’

Haar beroepsopvatting is: je moet niet alle zorg uit handen nemen, eigen verantwoordelijkheid is belangrijk. Ze ziet vaak mensen die van jongs af aan in de hulpverlening zitten. ‘Hoe is het mogelijk, vraag ik me dan af. Sommigen zijn al die hulp gewend geraakt en verwachten te veel van een hulpverlener.’

Tijdens de coronacrisis kregen daklozen die recht hadden op opvang in Den Haag een hotelkamer toegewezen, zodat ze niet met z’n allen op een slaapzaal hoefden te overnachten, waar ze elkaar mogelijk zouden besmetten. ‘Corona kwam voor veel van deze mensen dus als een zegen.’

‘Amara stelde altijd al veel vragen. Vragen die ik misschien nooit heb gesteld.’ Beeld Sanne De Wilde
‘Amara stelde altijd al veel vragen. Vragen die ik misschien nooit heb gesteld.’Beeld Sanne De Wilde

Het liefst laat Yolanda het woord aan haar dochter, die het iets meer gewend is om in de belangstelling te staan. Het gesprek begint bij spoken word als kunstvorm en beweegt zich langzaam naar de terugkerende thema’s in Amara’s werk: de omgang met racisme, afkomst en identiteit.

Amara van der Elst draagt een goudkleurige neusring en lange, witte nepnagels aan de vingers. Ze deed jarenlang intensief aan klassiek ballet en moderne dans, en op het moment studeert ze Creative Writing aan de Artez Hogeschool voor de Kunsten in Arnhem. Hier kwam ze op het spoor van spoken word, een uit Amerika overgewaaide dichtvorm die draait om een expressieve voordracht en die vaak een sterk geëngageerd karakter heeft. In 2020 won Amara met haar spokenwordkunsten de landelijke finale van Kunstbende, een talentenwedstrijd voor jongeren, in de categorie theater. ‘Een soort theater, en ook een soort rap’, noemt Amara het spokenwordgenre in een recente column in de Volkskrant. ‘Dit is een van de krachten van het genre: de vrijheid om je eigen stem te kunnen laten horen, hoe die ook klinkt.’

Toen Amara op 4 mei haar voordracht op de Dam had gehouden, kreeg ze al snel het stempel ‘de Nederlandse Amanda Gorman’. De 23-jarige Afro-Amerikaanse spokenworddichter nam in januari bij de inauguratie van president Joe Biden in Washington wereldwijd miljoenen kijkers voor zich in met ‘The Hill We Climb’, een gedicht over de Afro-Amerikaanse strijd voor erkenning en waardigheid.

‘Sick’ – als in: geweldig – noemt Amara, die tijdens het praten soms straattaal gebruikt, het optreden van Gorman. ‘Het was gewoon baas, zoals ze daar in haar Prada-outfit stond. Mooi om te zien. Daar kan ik niet op haten. Kan ik niet kritisch op zijn. Dat kan ik alleen maar vieren.’

Wat vond je ervan dat jouw optreden wordt vergeleken met dat van Amanda Gorman?

‘Ik wist dat dat ging komen. Dus ik dacht, ten eerste: het Nationaal Comité 4 en 5 mei was al heel lang op zoek naar iemand om te spreken, niet per se een spokenwordartiest. Het is nooit hun intentie geweest om de Amerikaanse inauguratie na te doen. Daarnaast: ik ben al heel lang bezig met spoken word.’

Zat er iets in Gormans gedicht dat jou persoonlijk aansprak?

‘Ik weet niet meer hoe ze het verwoordde, maar ergens midden in het gedicht heeft ze het erover dat we onder ogen moeten durven zien dat we er nog niet zijn. Dat we het al veel beter doen dan voorheen, dat we aan het groeien zijn, maar dat we ook mogen zien dat we er nog niet zijn qua acceptatie, liefde en begrip voor elkaar. Dat is iets dat mij persoonlijk aansprak.’

Het gezin Van der Elst heeft vele ‘gezichtspunten’, zoals Yolanda dat noemt. Vader Rob is boomlang en komt uit een Nederlandse familie van harde werkers, die altijd rond het Groene Hart heeft gewoond. Yolanda is geboren in Dordrecht, haar ouders waren toen een paar jaar in Nederland. Haar moeder komt uit een islamitisch Indonesisch gezin, haar vader, die bij de marine werkte op Surabaya, is Nederlands hervormd. Hij was niet helemaal wit, zegt Yolanda, maar had wel ‘Nederlands bloed’.

Haar kinderen heeft ze losjes christelijk opgevoed, niet kerkelijk. Zoon Christiaan was vroeger ‘hartstikke blond met groene ogen’ en heeft nu lichtbruin haar. Hij kan zich moeilijk voorstellen dat racisme nog bestaat in Nederland. Amara heeft donkerbruin krullend haar en ervaart haar afkomst op een heel andere manier dan haar oudere broer.

De wereld leerde haar al vroeg wat haar plek is, vertelt Amara. Op de dansopleiding Codarts werkte de ingetogen Amara rond 2018 bewust aan haar karakter. Ze probeerde net zo luid, spontaan en brutaal te worden als de andere leerlingen. Vervolgens kreeg ze van een docente te horen dat ze dat ‘Aziatisch mysterieuze’ miste aan Amara. ‘Opeens paste ik niet meer in het stereotype. Ik moest stil en klein en ondoorgrondelijk zijn. Typisch Indo.’

Ook in Arnhem, waar ze in 2019 naartoe verhuisde voor de kunstopleiding, werd ze vaak op haar ‘exotische’ afkomst aangesproken. Een groot verschil met het diverse Den Haag waar ze opgroeide. In Arnhem wilde iedereen ‘binnen de eerste seconden van een ontmoeting’ weten waar ze vandaan komt. ‘Je bent niet helemaal Nederlands, of wel?’, werd haar dan gevraagd. Waardoor ze zich soms ‘helemaal niet Nederlands voelde’, zoals ze zei in een van haar voordrachten.

Een ervaring die haar veel pijn deed, vond plaats tijdens haar werk in de bediening van een chic restaurant in Arnhem. Een club vaste klanten wilde haar afkomst weten en vroeg haar toen om hen te bedienen in het Bahasa. Toen Amara zei dat ze die Indonesische taal nauwelijks sprak, wilden ze het alsnog, zegt ze. ‘Ze behandelden me als een exotisch dametje dat er was voor hun plezier. Omdat ze vaste klanten waren, wist ik: ik kan er niets van zeggen. Toen ze weggingen, kneep een van hen me ook nog in mijn billen.’

Yolanda hoort het verhaal van haar dochter zwijgend aan en zegt dan geschrokken te zijn. Dit is de eerste keer dat ze van Amara over deze ervaringen hoort.

Amara: ‘Ik praat er ook niet graag over, omdat het zo vernederend is.’

‘Ik wil op zoek naar het mooie van Indonesië. Wat was er voordat het land gekaapt werd? De pijn voel ik al, daar hoef ik niet meer van.’ Beeld Sanne De Wilde
‘Ik wil op zoek naar het mooie van Indonesië. Wat was er voordat het land gekaapt werd? De pijn voel ik al, daar hoef ik niet meer van.’Beeld Sanne De Wilde

Herkent u dit soort ervaringen?

Yolanda: ‘Nee, ik heb zoiets nooit meegemaakt. Bij ons in Dordrecht was een grote Indische gemeenschap. Het was heel normaal om Indisch te zijn. Er werd nooit naar mijn afkomst verwezen. Ja, als ik bijvoorbeeld ruzie had met een vriendinnetje, dan zei ze: het stinkt bij jullie naar rijst. En dan zei ik terug: bij jullie stinkt het naar aardappelen en bloemkool. Dat was heel onschuldig.’

Verbazingwekkend dat de ervaringen van u en Amara zo uiteenlopen.

Yolanda: ‘Ja, ik vind het ook moeilijk te verklaren. Het is maar net wie je tegenkomt, denk ik. En waar je bent.

‘Wat Amara meemaakte, gaat onder je huid zitten. Zeker als je op die leeftijd net bezig bent met de vraag: waar kom ik vandaan? Wat is de geschiedenis van mijn voorouders? En dan wordt er letterlijk tegen je gezegd: joh, ik wil geserveerd worden in het Indonesisch. Dat verhaal hoor ik nu voor het eerst, ik kan me daar heel boos om maken.

‘Ik heb in die tijd wel gemerkt dat het niet goed ging met haar. Op een gegeven moment wilde ze niet meer naar buiten. Dan zei ik: kom, we gaan daar wat eten, of naar de winkel. Maar dat wilde ze niet. Ze bleef zo veel mogelijk bij ons thuis in Den Haag. Ze was altijd een kind dat er dol op was om in de stad te struinen en eropuit te gaan. Dat was nu weg. Dus het is best traumatisch geweest voor haar.’

Leven we nu in een meer racistische tijd dan tijdens uw jeugd, denkt u?

‘Nee. Het heeft ook te maken met een gebrek aan kennis. Misschien was dat ook het geval bij de oudere mannen die Amara vroegen om in het Bahasa te praten. Het kan ook een kwestie van elkaar napraten zijn. Er kan er eentje in die groep zijn die zo bekrompen denkt en dan lacht de rest mee.’

Hoe denk jij, Amara, dat het komt dat jullie ervaringen zo verschillend zijn?

‘Ik denk dat het voor een deel ligt aan de Indonesische community in Dordrecht. Die hielp, omdat het een grote gemeenschap is. Dan kunnen de anderen verder kijken dan alleen maar het beeld dat je van één iemand hebt. In Arnhem was dat minder. Ik heb daar maar twee Indo’s gezien.’

Vanzelf komen we zo te spreken over het ‘Indisch zwijgen’, een mechanisme dat Amara ook herkent in haar omgeving. Honderdduizenden Indische Nederlanders maakten na 1945 de oversteek naar Nederland, toen Indonesië aan het eind van de Tweede Wereldoorlog de onafhankelijkheid had uitgeroepen. Het ging veelal om mensen van gemengde afkomst, die als militair of ambtenaar in Nederlandse koloniale dienst hadden gewerkt. Ze werden geconfronteerd met vijandigheid en onzekerheid, moesten kiezen of ze het Indonesisch staatsburgerschap accepteerden en vluchtten daarop naar Nederland. Het was vaak een traumatische gebeurtenis, waar niet meer over werd gesproken.

Amara: ‘Toen de eerste generatie naar Nederland kwam, was er geen ruimte om erover te spreken. Dat is zo doorgegeven. Je hebt het er niet over. Je bent Nederlander nu, klaar.’

Toch was dat zwijgen geen oplossing volgens Amara, want ‘dan geef je het leed door in stukjes en beetjes’. Het zogeheten ‘intergenerationeel trauma’ dat in het leven van sommige oorlogsslachtoffers en hun nakomelingen kan opspelen. Yolanda erkent dat het Indisch zwijgen ‘nu eenmaal een feit is’ en dat je niet zomaar vragen kon stellen over vroeger. De instelling in de gemeenschap was volgens haar: ‘Het is zoals het is, je moet hard je best doen om er wat van te maken.’

Yolanda was op jonge leeftijd nooit zo met haar afkomst bezig. Haar Indische achtergrond was een gegeven en viel niet uit de toon in de Dordts-Indonesische gemeenschap waarin ze opgroeide. Pas later begon ze meer na te denken over haar achtergrond. In 1995 – Yolanda was toen 30 – ging ze voor het eerst naar Indonesië, met haar broer en haar moeder, die al op hoge leeftijd was. Samen op zoek naar hun roots. ‘We gaan eerst naar Jakarta, zei mijn moeder. Bij mensen uit de stad, welgestelde mensen. Die leven een min of meer westers leven. Dan konden mijn broer en ik een beetje wennen, zei ze.’

Daarna gingen ze naar Surabaya, naar de familie. ‘Het was echt een cultuurschok. Het is daar heel islamitisch, de normen waren anders dan ik had gedacht. Buiten moest je je als vrouw bedekken. De familie was heel hartelijk, maar ja, de cultuur eromheen, de gewoontes, daar schrok ik van. Vrouwen zaten apart van mannen.’

Yolanda was onder de indruk van hoe goed haar moeder kon schakelen tussen de culturen. ‘De mensen uit Jakarta waren heel anders dan de mensen uit het dorp, die weer heel anders waren dan de mensen op Bali. En mijn moeder kon met hen allemaal overweg. De reis was als thuiskomen voor haar.’

Haar ouders kwamen naar Nederland nadat Soekarno, de eerste Indonesische president, in 1945 de onafhankelijkheid van zijn land had uitgeroepen. Moeder (1920-2013) werkte tot die tijd bij het Rode Kruis en zorgde voor het gezin, dat toen nog uit vijf kinderen bestond. Op de boot naar Nederland was ze zwanger van de zesde.

De herinneringen van de broers en zussen lopen uiteen over wat vader (1907-1973) toen precies deed. Yolanda dacht dat hij bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (Knil) zat. Een vergissing, de oudere broers zeggen dat hij bij de marine werkte, maar dan wel in een kantoorfunctie. Een illustratie van hoe weinig er in het gezin over het verleden werd gesproken. Ze zijn het er wel over eens dat vader opgroeide in een opvanghuis van de bekende zendeling Pa van der Steur, waardoor hij een gedegen opleiding kreeg. Later zou hij in een jappenkamp hebben gezeten.

Toen het niet langer veilig was in het dorp, stapten de ouders van Yolanda op het schip Orontes en vertrokken. ‘Zij werden als Nederlanders gezien, opeens stonden ze aan de verkeerde kant. Mijn vader moest zich op een gegeven moment verstoppen, omdat hij hoorde dat er mensen naar hem op zoek waren. Er zijn ook Nederlandse Indiërs die daar zijn gebleven, maar die hebben het vaak moeilijk gehad. Mijn moeder koos verstandig, de kinderen zaten daar op een Nederlandse school. Zij koos voor Nederland.’

Vader had het er moeilijk mee. ‘Hij had een bepaald aanzien in Indië. Maar hier moest hij helemaal opnieuw beginnen. Hij is in een fabriek gaan werken. Als je uit die warme en hechte Indische gemeenschap naar Nederland komt, is het hier erg koud, hoor. Ze spraken de taal wel, maar het was toch heel anders. Ze moesten hun leven opnieuw opbouwen. Wat je op het schip bij je had, was alles wat je had.’

Haar ouders klaagden niet in Nederland en werkten hard om voor het grote gezin – uiteindelijk waren ze met elf broers en zussen, Yolanda is de negende – te kunnen zorgen. In haar klas was Yolanda een van de weinige kinderen met een moeder die werkte. Dat was een groter stigma dan haar afkomst, zegt ze.

‘Indonesische mensen zijn geassimileerd. Zo zeiden we dat vroeger. Ze zijn opgegaan in de bevolking. Daardoor verbaast het me dat Amara nog zulke nare dingen meemaakt. Dingen waarvan je zou denken: dat kwam in de jaren vijftig voor.’

Je hoort vaak dat de derde generatie zich daar meer over uitspreekt, ook activistischer is.

Yolanda: ‘Nee, Amara is niet echt activistisch daarin. Ze wordt ermee geconfronteerd en benoemt het. Het lijkt soms alsof de tijd teruggaat in plaats van vooruit, qua acceptatie. Maar het kan ook puur toeval zijn, dat het op haar pad komt, je weet het niet.’

Amara: ‘Ik geloof niet in toeval.’

Yolanda: ‘Misschien moest je het dan wel meemaken, zodat je er iets over kon schrijven.’

Amara: ‘Het heeft te maken met wat je kent. De cultuur in Arnhem was: wat de boer niet kent, dat vreet-ie niet. Nou ja, ik was iets nieuws voor ze.’

Yolanda: ‘En zij benoemt het omdat dat haar vak is. Jij hebt ook nooit een Indonesisch kindje in je klas gehad, bedenk ik nu.’

Een reden dat Amara meer bezig is met afkomst, is volgens Yolanda ook dat ze een sterke band had met haar oma. ‘Toen ik klein was, werkte mijn moeder. Maar toen Amara klein was, woonde mijn moeder schuin boven ons en had ze alle tijd om met haar kleinkinderen om te gaan. Amara was altijd al een ontwapenend kind, heel nieuwsgierig. Ze stelde veel vragen. Vragen die ik misschien wel nooit heb gesteld.’

Amara, jij treedt zondag 15 augustus op bij de Indiëherdenking in Rotterdam, waar wordt stilgestaan bij het einde van de Tweede Wereldoorlog in Indonesië. Wat betekent dat voor je?

‘Ik vind het heel spannend. Het is ook een soort privilege. Ik weet dat er mensen zijn die al veel langer met hun roots bezig zijn, die er meer van weten, en toch word ik gevraagd om te spreken en mag ik een poging doen om mensen te verbinden en heling te bieden.

‘Het is heel zwaar, het kost veel denktijd. Van zo’n optreden krijg je energie, maar het schrijven van zo’n tekst is ook werk, het eist een persoonlijke tol. Ik heb zelf een soort helingsproces nodig voordat ik wijze woorden op papier kan zetten.’

Een helingsproces, van wat?

‘Nou ja, ik ga op zoek naar iets wat in mijn leven schuurt en dan weet ik: dit gaat een spokenwordtekst worden. Ik vind dan de heling voor mijzelf en kan die daarna doorgeven. Bijvoorbeeld de zin die ik uitsprak op de Dam: ‘Half en half maken heel mooi.’ Ik heb van veel mensen gehoord dat ik daarmee iets in ze heb geheeld. Ik weet precies wat ze bedoelen, want die zin had ik ook nodig om weer verder te komen.’

Hoe voelt het om een boegbeeld te worden van een gemeenschap?

‘Spannend. Het voelt alsof ik me nog meer moet verdiepen in de geschiedenis om goed te kunnen antwoorden op vragen van mensen. Vragen die ik vaak zelf ook nog heb. Daar ben ik mee bezig.’

Wat kom je dan tegen?

‘Ten eerste valt het me op dat er over Indonesië weinig informatie te vinden is, afgezien van kolonialisme. Alle boeken in Nederlandse vertaling gaan over kolonialisme en Nederlands-Indië. Niet over wat er daarvoor was. Daar ben ik benieuwd naar. Wat was er voordat het land gekaapt werd? Ik wil graag op zoek naar het mooie. Terwijl veel juist gaat over de pijn. Ik voel die al, daar hoef ik niet meer van.’

Hoe Amara zelf de kennis over haar Indische achtergrond wil opdoen, daar is ze nog niet helemaal over uit. Ze is er huiverig voor om in de archieven en oude fotoboeken te duiken. Die zullen mogelijk vooral het leed boekstaven dat haar voorouders hebben gekend. Bovendien is ze bang dat die informatie juist meer vragen oproept in plaats van antwoorden biedt.

Veel liever benadert ze deze kwestie op een filosofische en spirituele manier. ‘Ik ben nu met een project bezig waarbij ik mezelf vragen stel als: hoe stel ik me op tegenover mijn voorouders? En wat voor voorouder wil ik zijn? Ik vind dat een fijne benadering.’

Nederland blikt al een aantal jaar veel terug op het koloniale verleden. Er is een groot onderzoek van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Niod) over de dekolonisatie van Nederlands-Indië. De speelfilm De Oost, over de bloedige repressie van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, maakte onlangs veel los. Er zijn tentoonstellingen in het Rijksmuseum en het Wereldmuseum, boeken als Revolusi van David Van Reybrouck en tv-series als Onze jongens op Java van Coen Verbraak.

Volgen jullie die ontwikkelingen?

Yolanda: ‘Het komt weleens voor dat iemand uit de familie appt: kijk, het gaat over Indonesië. Dan gaan we even kijken. Iedereen verwerkt de geschiedenis op zijn eigen manier. Sommigen deden dat met het Indisch zwijgen. Nu wordt er meer over gesproken en daar kunnen de mensen erg van schrikken.’

Wie schrikt daarvan?

‘Iedereen die een aandeel in de geschiedenis heeft. Ik zat in het publiek bij een middagprogramma van Dossier Indië in het Wereldmuseum, een schitterende tentoonstelling, heel eerlijk. Amara had daar een spoken word over geschreven. Er zaten Nederlandse dames die heel trots waren op hun vader of opa die vroeger in Indië had gezeten. Er waren ook Indische Nederlanders die de andere kant van de zweep kenden.

Amara: ‘Ja, ze waren ruzie aan het maken toen ik binnenkwam. Het ging over de vraag of Nederland excuses moet aanbieden aan Indonesië. Het was best verhit. Daar hadden mensen sterke meningen over. Nou, en toen kwam ik daar, met mijn identiteitscrisis.’

Ze lachen allebei hard.

Hebben jullie over excuses een duidelijke mening?

Amara: ‘Ik vind: excuses aanbieden is het minste wat je kunt doen. Het is een symbolisch gebaar, niks gaat ermee kapot. Mijn vraag is: waarom zou je het niet doen?’

Yolanda: ‘Het is de tijdgeest in Nederland die daar nu om vraagt. Maar in Indonesië is de houding: bedankt, maar het zal wel. De mensen zijn met heel andere dingen bezig.’

En heb je De Oost gezien, Amara?

De Oost is me al vaak aangeraden. Maar ik weet dat het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van de witte militairen, het kolonialisme. Dat is gewoon zwaar. En het brengt me niets nieuws, niets goeds. Het trekt me niet. Er zit zo veel schuld in. Het heeft geen goede energie, laat ik het zo zeggen.

‘Op school bij het vak literatuurgeschiedenis ging het ook een keer over kolonialisme. Ik kwam laat de Zoomles binnen. De docent zei: open deze link en ga kijken. Het was een docu over kolonialisme. En je zag het geweld. De lichamen. Echt heel heftig. Ik dacht: het is 10 uur ’s ochtends! Je had iets van een trigger warning kunnen geven of in de vorige les kunnen zeggen: de volgende keer gaat het over kolonialisme. Maar omdat het voor zo’n docent niet dezelfde emotionele lading heeft als voor mij, komt het bij hem niet op dat te zeggen. Voor hem is het: o wat erg. Schuld, medelijden. Bij mij is het: pijn en heftig, what the fuck, error.’

Ze lacht. ‘Ik ga wel op mijn eigen manier onderzoek doen.’

Meer over